Recensies

Hella Rottenberg. Z. Hoe Poetin Rusland weer groot wilde maken.

Hella Rottenberg. Z. Hoe Poetin Rusland weer groot wilde maken. Amsterdam, Alfabet Uitgevers, 2022, 190 p.

De auteur is geen onbekende in Nederland. Ze studeerde in Leningrad en was later correspondent voor De Volkskrant. Het is een van de drijvende figuren achter het kennisplatform «Raam op Rusland», dat wekelijks uitstekende bijdragen en analyses brengt van de situatie in Rusland op militair, economisch, politiek en cultureel gebied (samen met Laura Starink en Hubert Smeets).

Nu brengt ze in een klein boekje een volledig overzicht van wat er tussen Rusland en het Westen / de Verenigde Staten verkeerd is gegaan en vraagt zich af of het ook anders had gekund.

Ik zet de bevindingen en conclusies van de auteur op een rijtje :

  1. Het plan om Oekraïne in een blitzkrieg op de knieën te krijgen getuigt van zelfbegoocheling. En dat voor een ex-KGB-er en hoofd van de inlichtingendienst.

  2. Hij percipieert Oekraïne als een anti-Rusland en als dusdanig mag het niet blijven bestaan. Het land heeft geen recht op bestaan. Hij ziet Rusland en Oekraïne als ‘ons gemeenschappelijk vaderland’, wat van weinig kennis van de geschiedenis en mentaliteit van de Oekraïners getuigt.

  3. Hij heeft het Oekraïense leger zwaar onderschat en Zelensky als een lafaard gezien, die bij de invasie de benen zou nemen.

  4. Hij ziet zichzelf als een staatsman met missie – de eenheid van tijdens de Sovjetunie en het tsaristische Rusland herstellen, waardoor hij aantoont in het verleden te leven in plaats van een plan voor de toekomst uit te dokteren.

  5. In plaats van zich tevreden te stellen met de twee separatistische provincies valt hij heel Oekraïne aan.

  6. In zijn rechtvaardiging van de ‘speciale operatie’ spreekt hij van de ‘zuivering’ van de Russische maatschappij van criticasters en anti-patriotten, een angstaanjagende verwijzing naar de Stalintijd.

  7. Hij denkt met de oorlog tegen het buurland patriottische eenheid te kunnen bewerkstelligen en gebruikt als symbool de letter Z, die in het Russisch niet eens bestaat (cynici grapten ‘zwastika’).

  8. Hij trekt van leer tegen zogezegde Oekraïense (neo-) nazi’s die in Kiev de dienst zouden uitmaken, terwijl die een quantité négligeable in het politieke spectrum van Oekraïne zijn. En wat dat nazisme dan precies inhield, dat werd nooit ergens uitgelegd. De kritiek op Oekraïens ‘rechts’ belette hem niet met twijfelachtige rechtse politici in het Westen onder één hoedje te spelen (Marine Le Pen, Lega Nord, Alternative für Deutschland, Geert Wilders, Thierry Baudet, Berlusconi, het Vlaams Belang).

  9. Hij schildert de majdanopstand af als een rechtse staatsgreep, terwijl het eigenlijk eerder ‘een linkse volksbeweging’ (62) was. Door de systematische propaganda op de staatstelevisie (sinds enkele jaren een pleonasme, want er bestaat nog alleen door de staat gerunde en betaalde televisie) krijgt de Russische bevolking een vertekend beeld van het werkelijke Oekraïne : ‘pro-Europees, rommelig en buitengewoon corrupt, maar wel met vrije verkiezingen, vrijheid van meningsuiting en organisatie, pluriforme media en minderheidsrechten’ (64). Hij heeft er zelf mee toe bijgedragen dat de Oekraïense nationalist Bandera (WO II) enorm aan populariteit won.

  10. Waarom wilde hij een oorlog? Omdat hij het wilde en niemand hem tegenhield (73). Hij was een soort Nicolaas I die de revolutiegolf in Europa niet wilde laten overwaaien naar Rusland. In 2019 was de Krim-euforie uitgewerkt (76) en moest hij iets anders bedenken om zijn dalende populariteit wat op te krikken. Rottenberg betoogt dat hij ook andere wegen had kunnen bewandelen, maar dat hij niet bereid was hervormingen door te voeren (78).

  11. In de zomer van 2021 publiceerde hij zijn visie op de Oekraïne in zijn opstel ‘Over de historische eenheid van Russen en Oekraïners’, waarvoor een student bij mij in de eerste bachelor zou zakken. Hallucinant is daarin de uitspraak ‘Ware soevereiniteit is alleen mogelijk als partner van Rusland’ (81). Hij hoefde nu alleen nog te wachten op een gunstig moment.

  12. De inlijving van de Krim en de annexatie van de Donbas versterkten in Oekraïne alleen maar het verlangen om bij de NAVO en de EU te komen. Hij bereikt het tegenovergestelde van wat hij eigenlijk wil. Poetin lijdt aan een omsingelingscomplex (89).

  13. In plaats van aan een nieuwe nationale identiteit te werken, een nationale idee voor Rusland uit te werken, werpt hij zich in een koloniale oorlog, waardoor Oekraïne de gelederen sluit en tot een ‘moderne natie’ wordt gesmeed (106).

  14. In plaats van open uit te komen voor zijn neokoloniale ambities, schildert hij het conflict af als een strijd tussen Rusland en de VS, waarbij Oekraïne het ‘toevallige slagveld’ is (113).

  15. Die oorlog, die bijna protestloze aanval op een ‘broedervolk’ was mogelijk door de ‘naakte dictatuur’ die hij de laatste tien jaar heeft geïnstalleerd – niemand durft nog zijn mond open te trekken. Zelfs over het verleden kan niet meer gepraat worden – het misdadige Sovjetverleden is niet verwerkt, laat staan veroordeeld (141). Van catharsis na drie generaties dictatuur is geen sprake.

  16. De militaire fiasco’s van het Russische leger in Oekraïne tonen aan dat Rusland misschien wel een reus op lemen voeten is, dat Poetin zijn hand overspeeld heeft en in plaats van Rusland groot te maken, het land te grond heeft gericht (146). Rottenberg besluit : ‘Met Poetin hoeft niemand medelijden te hebben. Hij is een meedogenloze dictator. Maar hij is ook een tragische figuur geworden. Alles wat hij met zijn invasie dacht te bereiken, is in het tegendeel omgeslagen.’ (168)

Dit boek is een uitstekende uiteenzetting van alles wat men moet weten om de oorlog tussen Rusland en Oekraïne te kunnen begrijpen en plaatsen. Helder betoog, passende quotes van kenners in en buiten Rusland. Warm aanbevolen.

Helen Rappaport. De Romanovs na de val. Ballingschap in het Parijs van de Belle Époque ten tijde van Revolutie en oorlog.

Helen Rappaport. De Romanovs na de val. Ballingschap in het Parijs van de Belle Époque ten tijde van Revolutie en oorlog. Amsterdam, Unieboek-Het Spectrum, 2022, 368 p. Originele titel : After the Romanovs.

De auteur van dit fascinerende boek is een Britse historica met reputatie. Als geschiedschrijver gespecialiseerd in revolutionair Rusland is ze uitermate geschikt om dit boek te schrijven : wat waren de gevolgen van de Russische Revolutie (1917) voor de Russen die dit historisch cataclysme niet aanvaarden ? In het eveneens fascinerende boek Verloren adel : de laatste dagen van de Russische aristocratie beschrijft Douglas Smith het lot van de aristocratie in het nieuwe, communistische Rusland. Dat wil zeggen van degenen die verkozen in Rusland te blijven of die niet op tijd de kans hadden gezien het land te verlaten, resp. te ontvluchten. Aan de hand van vier grote aristocratische families beschrijft hij de lotgevallen van deze vertegenwoordigers van het ancien régime in het post-tsaristische, Sovjetse Rusland. Hun stond geen aangenaam lot te verwachten. Al gauw na de Revolutie werden ze onteigend, hun bezittingen (huizen, landgoederen) in beslag genomen, hun in de banken bewaard geld was waardeloos geworden, ze konden nergens werk vinden, ze werden overal geboycot, ook als ze bereid waren loyaal mee te werken met de nieuwe machthebbers. In de loop van één generatie (1917-1940) kwamen ze allemaal aan hun einde, de meesten vermoord door de bolsjevieken.

Het boek van Rappaport gaat over die Russen die het land na de Revolutie verlaten hebben – vrijwillig of gedwongen. Men schat dat er ten gevolge van de Revolutie en de burgeroorlog (1917-1921) 1,5 à 2 miljoen Russen het land verlaten hebben, dat is minstens 1 % van de totale bevolking. De eerste golf van emigranten kwam terecht in de Slavische wereld (Bulgarije, Joegoslavië, Polen), sommigen in China, de meesten echter in West-Europa, met name Duitsland en Frankrijk (in België zouden er 7 à 10.000 emigranten zijn geweest).

De titel van Rappaports boek is misleidend : het gaat niet alleen over de Romanovs, de heersende familie, maar over heel de emigratie, alle lagen van de Russische bevolking die in Frankrijk terechtkwamen.

In het Westen is de belangstelling voor het lot van de Russische emigratie pas op het einde van de jaren tachtig ontstaan, in Sovjetrusland was het zo goed als taboe om erover te schrijven. Maar sindsdien is er veel verschenen, allerlei memoires, zodat we een goed beeld krijgen van de belangrijkste figuren in de emigratie. Rappaport centreert haar verhaal rond de familie van de in 1918 door de bolsjevieken vermoorde tsaar Nicolaas II. In de eerste drie hoofdstukken schetst ze de aanwezigheid van Russen in het Frankrijk van voor WO I. Dat waren rijke aristocraten en vertegenwoordigers van de Romanovs, die met geld gooiden en geen einde wisten aan hun rijkdom en verspilzucht. De aanwezigheid van deze Russische bonvivants was zo dominant dat er zelfs een roman over verscheen : La Tournée des grands ducs : Moeurs parisiennes van Jean-Louis Dubut de Laforest van 1901. De in luxe zwelgende Russen kregen in Parijs de bijnaam ‘bojaren’ (24). Rusland en Russen werden ook beroemd door Sergej Diaghilev die ‘deze citadel van hoge cultuur’ bestormde met zijn ‘buitengewoon, fascinerend dansgezelschap Ballets Russes’ (37). Parijs lag aan de voeten van deze vernieuwende, exuberante Rus die hen in extase verzette, maar velen vonden deze Russische dansers ‘tous un peu maboule’ (allemaal een beetje gek) (44).

Naast grootvorsten en kunstenaars werd Parijs ook overspoeld door Russische politieke emigranten, die Rusland ontvlucht waren na de mislukte revolutie van 1905 en de repressie die daarop volgde. Alle mogelijke fracties van in Rusland oppositie voerende strekkingen waren in Parijs vertegenwoordigd. In 1912 schreef de dadaïstische dichter Serge Charchoune (Sjarsjoen) over Parijs : ‘Ik kwam in een soort Russische hoofdstad, ik was heel gelukkig ; ik woonde niet alleen in een Russische kolonie, maar praktisch in Rusland zelf.’ (67) Een bekende figuur naast de dichteres Anna Achmatova en de schilder Marc Chagall was de intrigant Lenin, die in het ‘smerig gat’ Parijs verzeild geraakte in eindeloos politiek gekibbel (73). Parijs was het ‘hoofdkwartier van de Russische revolutionairen’ geworden (81), met ongeveer 25.000 leden.

Sommigen zouden aangevoeld hebben dat er spoedig een einde zou komen aan dit roekeloos met geld smijten : ‘Het was alsof iemand al deze mensen in hun oor fluisterde : Vooruit, schiet op, amuseer je, want dit zijn de laatste manden van je zorgeloze, glamoureuze en luxueuze leven.’ (76)

Al in 1901 had Lenin verklaard dat het noodzakelijk was om in Rusland ‘minstens honderd Romanovs te onthoofden’ (86) om de socialistische staat te kunnen opbouwen. Zijn voorspelling zou uitkomen. Slechts enkelen van de Romanovs slaagden erin Rusland tijdig te ontvluchten. De tsaristische familie werd vermoord, grootvorsten werden geëxecuteerd, anderen namen al dan niet met hulp van diplomaten de benen naar Frankrijk of Engeland. De adel besefte ‘Onze tijd was voorbij en we waren gedoemd’ (99). Wat velen in de emigratie parten speelde, was dat ze bij het uitbreken van WO I uit patriottische overwegingen hun buitenlandse bankrekeningen hadden afgesloten en al hun geld op Russische banken hadden geplaatst. Toen de bolsjevieken de banken nationaliseerden, waren ze op slag straatarm. Slechts enkelen van de tsaristische familie slaagden erin hun kostbare juwelen het land uit te smokkelen die ze dan in het Westen verkochten om in hun levensonderhoud te voorzien. Eigenlijk had alleen Felix Joesoepov (de moordenaar van Raspoetin) een groot deel van de enorme rijkdom van zijn familie kunnen meenemen (o.a. twee Rembrandts).

Tientallen figuren passeren de revue in dit boek : de Witte generaals Joedenitsj, Koltsjak, Denikin en Vrangel, de schrijvers Teffi, Ivan Boenin en Aleksej Tolstoj. Allen kwam ze in de emigratie terecht en dit in de overtuiging dat de Sovjetmacht een tijdelijk fenomeen was (117), dat het communistische regime morgen of overmorgen omvergeworpen zou worden en dat ze zouden kunnen terugkeren naar Rusland. Ondertussen pijnigden ze zich met de kwellende vraag wie er schuld had aan dit alles (119, 133) en bleven ze elkaar verwijten de oorzaak van de tragedie van 1917 te zijn. In dit ‘nieuw Mekka, nieuw Babylon’ (125) zaten ze op hun koffers te wachten op het bericht dat de bolsjevieken het begeven hadden en dat ze konden terugkeren.

Voor een Amerikaanse tijdgenoot was Parijs de stad ‘waar de twintigste eeuw zich afspeelde’ (126), maar van dit moderne, bruisende leven konden de meeste emigranten niet profiteren. Ze waren straatarm, konden maar moeilijk werk vinden, werden vooral tijdens de depressie van de late jaren twintig scheef aangekeken en zelfs ontslagen. Veel diploma’s werden niet aanvaard (geneesheer, advocaat), zodat hoogopgeleide Russen zich tevreden moesten stellen met slecht, onderbetaald werk (borden wassen, kelner, portier). Het populairste beroep voor Russische émigrés was taxichauffeur – hier hadden ze geen baas over zich (geen bevelen, geen lopende band, alleen hij, de chauffeur, als ‘enige meester voor God’ (171) en konden ze ook vaak iets meer verdienen dan in de stinkende fabrieken van Renault in de arbeiderswijk Billancourt (‘Rusland-in-het-klein’) (166). Ongeveer 20 % van de Russische vluchtelingen werkte bij Renault en in de fabrieken van Citroën en Peugeot. De vakbond van taxichauffeurs had zelfs een eigen krant – Roesski sjofjor. Joseph Kessel vereeuwigde dit beeld in zijn roman Nuits de princes (1927) met als hoofdpersonage een Russische arts die als taxichauffeur moest werken. De populaire schrijfster Nina Berberova wijdde zelfs verhalen aan Billancdourt : ‘Dit was het leven. Billancourt geloofde niet in tranen. Voor een fatsoenlijk bestaan, voor een plaatsje voor zichzelf in de wereld betaalden de mensen de wereld terug met hun arbeid, die stonk naar zweet, knoflook en alcohol.’ (170)

Nadat in 1921 de Sovjetregering een decreet uitvaardigde waarmee alle antisovjet emigranten het Russische staatsburgerschap ontnomen werd (155), konden de émigrés aanspraak maken op een Nansenpaspoort, maar daardoor werd het besef heviger dat ze staatlozen (apatrides) waren.

Boeiend is ook het hoofdstuk waarin Rappaport beschrijft dat sommige Russische émigrés zich niet als ballingen zagen, maar als mensen met een missie (175 e.v.). De schrijver Merezjkovsi en Hippius, de toekomstige Nobelprijswinnaar Boenin vonden dat ze het oude Rusland moesten koesteren en bewaren, voor hen was ‘Russische literatuur ons uiteindelijke vaderland, alles wat Rusland was en wat Rusland zal zijn’ (179). Maar er waren er ook die terugkeerden naar de Sovjetunie, zo de prozaïst Aleksej Tolstoj en Ilja Erenboerg of de tot het communisme bekeerde ex-prins Dmitri Mirski. Ook de enkele succesrijke kunstenaars - de zanger Aleksandr Vertinski, Ivan Boenin (Nobelprijs 1933) - kwijnden weg van heimwee en konden maar moeilijk hun draai vinden in Frankrijk.

Ondertussen werd er ook gebakkeleid over wie de nieuwe tsaar zou worden na de val van de bolsjevieken. Ook daarover konden de emigranten het niet eens worden (‘Alle kringen hadden een hekel aan elkaar’) (217). Het enige wat de émigrés verbond, was dat ze fel anti-sovjet waren, maar samenwerken bleek niet mogelijk (225). Er waren drie kandidaten. Grootvorst Kirill had zich in 1923 uitgeroepen tot ‘tsaar van alle Ruslanden’ en dat viel bij velen in slechte aarde. Ook in de Sovjetunie zorgde het voor ongerustheid – zouden de émigrés er dan toch in slagen een veldtocht tegen de jonge Sovjetunie op touw te zetten en Stalin van zijn troon te stoten ? De Sovjetrussische geheime politie (OGPOe) stuurde spionnen naar Frankrijk die moesten infiltreren in de emigrantengemeenschap. Moskou zette ook valstrikken op met de bedoeling kopstukken naar Rusland te lokken en ze daar te executeren. Toen de generaals van het Witte leger Koetepov en later Miller op klaarlichte dag gekidnapt en ontvoerd werden naar de Sovjetunie (1930 resp. 1937), was de gemeenschap van emigranten doodsbang.

De enige plaats waar de Russen bij elkaar kwamen, ongeacht hun politieke opvattingen, was de Russische kerk aan de Rue Daru, dé schakel met Rusland (2018). Maar ook inzake geloof en kerk was het Rusland van de emigratie verdeeld, er waren drie ‘ecclesiastische jurisdicties die wedijverden om de loyaliteit van de orthodoxe gelovigen in ballingschap’ (221). Ook de Russischtalige pers in de emigratie was verdeeld, elke stroming van voor 1917 had hier een krant, week- of maandblad. De meest gelezen was de Poslednie novosti (Het Laatste Nieuws) van de liberaal Pavel Miljoekov. Het toonaangevende literaire tijdschrift was Sovremennye zapiski (Eigentijdse Notities), dat o.a. de jonge Nabokov publiceerde, maar slechts weinigen konden leven van de pen, omdat er te weinig abonnees waren en omdat de tijdschriften te duur waren voor de gewone Rus, die andere zorgen aan zijn hoofd had.

Op 6 mei doodde een doorgedraaide Rus (Pavel Gorgoelov) de Franse president Paul Doumer. Een schok ging door de Russische gemeenschap en door het land, het werkte de russofobie (‘ces sales Russes’) in de hand, die ook al door de recessie en de werkloosheid aangewakkerd werd. Russen waren nu bang voor deportatie, maar de leegloop van Frankrijk door de émigrés zou er pas komen na de bezetting van het land door de nazi’s. Met het verstrijken van de jaren en het vervliegen van de hoop op een reconquista van Rusland ging een golf van wanhoop en depressie door de emigrantengemeenschap. Er was sprake van zelfmoorden. In 1937 werd de Vereniging van Vrienden van de Sovjetunie opgericht. De Sovjets bedreven propaganda en probeerden nostalgische Russen terug te lokken naar het vaderland. Het bekendste voorbeeld van repatriant is de schrijver Aleksandr Koeprin, die in 1937 terugkeerde, maar die eigenlijk al doodziek was en wilde sterven op zijn geboortegrond. Het lot van Marina Tsvetajeva is tragisch. In 1939 keerde ze terug, maar werd volledig geïsoleerd door haar vakgenoten – in 1941 pleegde ze zelfmoord in het stadje Jelaboega, terwijl ze nu erkend wordt als een van de grootste dichteressen van de 20e eeuw.

Met de bezetting door de nazi’s kwam er zo goed als een einde aan de eerste emigratie. Aan het einde van de oorlog waren er nog slechts 55.000 Russen over in Frankrijk (302) – van de 100 à 175.000 in het interbellum (261).

De teneur van dit schitterende en rijk gedocumenteerde boek wordt het best weergegeven in het gedicht van Anna Achmatova van 1922 : ‘Ik hoor niet tot degenen die hun land hebben opgegeven / Om het door de vijanden te laten verscheuren / Ik luister niet naar hun primitieve lof / Ik schenk hun mijn liederen niet. / Maar eeuwig meelijwekkend is voor mij de banneling / Als een gevangene, een zieke. / Duister is je weg, zwerver / Het brood in den vreemde smaakt naar alsem.’

Oleg Klimov. Calamity Islands.

Oleg Klimov. Calamity Islands. Sakhalin and the Kurils – terra incognita of a brutal Russian Empire. Amsterdam, Liberty.Su, 2022, 160 p. ISBN 978-5-6047801-0-7

Oleg Klimov is geen onbekende in onze contreien. Hij is een Russische fotograaf (° 1964) die al jaren voor Nederlandse, Duitse en Amerikaanse kranten werkt. Sinds 1988 (de aardbeving in Armenië) documenteert hij in foto’s de belangrijkste gebeurtenissen in de Sovjetunie, zowel voor Russische als voor buitenlandse kranten. Tussen 1991 en 2012 was hij de vaste fotocorrespondent van NRC Handelsblad. In 2004 publiceerde hij bij uitgeverij Mets & Schilt het fotoboek Erfenis van een wereldrijk : ondergang van de Sovjet-Unie, opkomst van Rusland. De teksten voor dit boek zijn van de hand van Hubert Smeets, een bekende Nederlandse historicus en Ruslandkenner die uitstekende bijdragen schrijft voor de website «Raam op Rusland». Bij de in kunstboeken gespecialiseerde uitgeverij Schilt Publishing & Gallery publiceerde Klimov ook The Kuril Islands’ ghost town, January 2016, dat gedeeltelijk terug te vinden is in dit boek.

In het boek over ‘de ellendige eilanden’ Sachalin en de Koerillen stelt de fotograaf de pertinente vraag (‘de eeuwenoude Russische vraag’) ‘hoe komt het toch dat met zo’n goddelijk landschap het leven uiteindelijk toch zo miserabel is?’ (1). Het boek bevat enkele door anderen dan de fotograaf geschreven bijdragen, zo van René Attema, Fries historicus, over de eerste Europeaan op Sachalin – natuurlijk een Nederlander (Marten Gerritsz Fries) (21-25). De Engelse historicus Donald Rayfield vertelt hoe de Russische schrijver Anton Tsjechov ertoe kwam het eiland Sachalin te bezoeken (29-32). In 1890 besliste de overigens weinig avontuurlijke Tsjechov het gevangeneneiland Sachalin te bezoeken. Hij legde tienduizend steekkaarten aan over dwangarbeiders en ballingen. Het resultaat was de indrukwekkende documenta ire studie Ostrov Sachalin (vertaald als ‘De reis naar Sachalin’, 1895), een objectief, historisch document dat de Russische samenleving verbijsterde en tot hervormingen in het strafsysteem heeft geleid, kleine weliswaar. Wat Rayfield niet vermeldt, is dat tachtig jaar later Aleksandr Solzjenitsyn dit boek zal gebruiken in zijn eveneens monumentale studie Archipelag Goelag (‘De Goelag Archipel’), het epos over de Stalinistische kampen van de Goelag. In een afsluitend stuk (‘Downsides of an Empire’) beschrijft Hubert Smeets hoe het postcommunistische Rusland er niet in slaagt afstand te doen van zijn imperiale verleden en zich op de toekomst te richten, met als triest resultaat de invasie van zijn vroegere ‘eerste kolonie’ Oekraïne.

In zijn voorwoord constateert Oleg Klimov dat Australië uitgegroeid is tot een geïndustrialiseerd land, terwijl het toch ook als bannelingenoord begonnen is, waarom zijn Sachalin en de Koerillen daar niet in geslaagd? Tsjechov zag al in dat ‘gevangenis de tegenspeler is van kolonie en dat de belangen van beide niet te verzoenen zijn’ (17). De oorspronkelijke bewoners zijn uitgeroeid of geassimileerd, hun cultuur en taal is verloren gegaan, het vroegere dwangarbeiderseiland is nu een eiland waar transcontinentale corporaties werken en de gevangenen zijn vervangen door gastarbeiders die jagen op vis, gas en olie. De nieuw veroverde territoria waren gebaseerd op geweld en vijandigheid (18). De kolonisten werden door de tsaristische autoriteiten niet eens beloond voor hun hard werk, ze mochten het eiland zelfs niet verlaten (49). De enige beloning was de unieke natuur van de eilanden, zo verschillend van centraal Rusland, maar de ‘liefde voor de natuur was een beloning die niet van de staat kwam, maar van God’ (49).

Mooi is de verzameling foto’s van de jaren 1890-1895 toen Sachalin een dwangarbeidersoord was. Ze werden genomen door een fotograaf die Tsjechov vergezelde, maar in het boek van de auteur zijn ze niet opgenomen.

Minder mooi is het eiland Kasatka Bay op eiland Iturup, een militaire stad van de jaren 1980, die in 1994 verwoest werd door een aardbeving. Sindsdien is het een spookstad. Dat wordt verteld in tekst, maar meer nog in indrukwekkende foto’s. Verder is er nog een stukje over de visvangst op een van de Koerilleneilanden (Sjikotan). Dit alles is het gevolg van de inpalming van de eilanden rond Sachalin in de nasleep van WO II, toen de Japanse bewoners gerepatrieerd moesten worden naar Japan en Sovjetburgers hun plaats innamen. Er is nog altijd onenigheid van wie de eilanden nu eindelijk zijn. Misschien kan Rusland voor dit hoopje ellende nog eens een oorlog beginnen? Krankjorum is ook de bevinding dat de Russen kernboten in de Stille Oceaan hebben, maar dat de mensen op de eilanden niet eens over een telefoon beschikken.

Begin 19e eeuw droomden jonge idealisten van een vrije republiek op het eiland Sachalin – de Tsjoka Republiek, waar gelijkheid en rechtvaardigheid zou heersen. Het mocht niet waar zijn, de republiek is er niet gekomen, de Amerikaanse droom heeft geen tegenhanger gekregen in een Sachalindroom.

Dit is een kleine greep uit dit prachtige boek, dat hier en daar weemoedig maakt. De foto’s van Oleg Klimov, godzijdank allemaal zwart-wit, zijn van een innemende schoonheid, waaruit behalve tristesse, moedeloosheid en brutaliteit, ook schoonheid van de natuur spreekt.

Arkadi Babtschenko. Im Rausch. Russlands Krieg.

Arkadi Babtschenko. Im Rausch. Russlands Krieg. Berlin, Rowohlt, 2022, 319 p.

Arkadi Babtsjenko is een Rus die in de twee Tsjetsjeense oorlogen gevochten heeft en voor de Novaja Gazeta werkte als oorlogscorrespondent (zie daarover . De kleur van oorlog : een soldaat in Tsjetsjenië, 2008). Sinds 2017 leeft hij in ballingschap – in Oekraïne, een land waar hij voor gekozen heeft. Dat zijn voorouders van (de) Oekraïne komen, zal er wel iets mee te maken hebben. Maar het belangrijkste argument voor dit exil is wel de afkeer van wat de Russen in hun land doen, hoe ze Tsjetsjenië hebben aangepakt, hoe ze Oekraïne behandelen. Gepassioneerd kiest hij partij voor Oekraïne en de Oekraïners. Daarom wordt hij nu door Rusland uitgespuugd : ‘Heute bin ich für meine Heimat ein Jude, ein ukrainischer Faschist, fünfte Kolonne und Nationalverräter' (9) en dat terwijl ‘het Russische moederland er schijt aan heeft of je Jood bent of niet, zolang je maar voor het Russische moederland bereid bent te creperen’ (8).

Zijn boek Im Rausch. Russlands Krieg is een oorlogsdagboek, maar het is meer – er zit nogal wat journalistiek in, brieven aan familie, reacties op berichten die hij post in de sociale media. Dat maakt zijn boek levendig en afwisselend. Het valt uiteen in twee delen : deel I heet ‘Het virus van de oorlog’ en behandelt de periode voor de invasie van februari 2022, deel II gaat over de invasie en beslaat het grootste deel van het boek.

Babtsjenko is duidelijk in zijn analyse van de invasie : ‘Der Krieg ist ein Virus. Eine umfassende pandemische Erkrankung. Kein Politiker, keine wirtschaftliche Situation, kein Hitler allein ist in der Lage, die Menschen nach Osten in Bewegung zu setzen, wenn die Zahl der Virusträger in der Gesellschaft nicht groß genug ist.’ (13, idem p. 20), terwijl ‘Later, enkele jaren erna, deze mensen zoals gewoonlijk zullen beweren dat ze slechts bevelen hebben uitgevoerd, dat ze niet doorhadden waar ze mee bezig waren, en sowieso was hij het allemaal, niet ik.’ (14) Die mythe doorprikt hij het hele boek door. Het was voor hem een ontdekking dat ‘binnen enkele jaren een heel volk zich laat veranderen in een massa idioten’ en weinig flaterend citeert hij de propagandachef van de nazi’s : ‘Wie hat Joseph Goebbels noch gesagt – gebt mir die Massenmedien, und ich verwandele jede Nation in eine Herde Schweine ?’ (17) Pas later, wanneer de epidemie voorbij zal zijn, zullen degenen die de totale vernietiging van het land (Rusland) overleefd hebben, zeggen : ‘Mijn God, wat was dat toch ? Waarvoor hebben we dat allemaal gedaan ? Hoe konden we tot zoiets worden ?’ (21)

Ik heb me vooral geconcentreerd op het tweede deel van het boek (p. 125-314), één scherpe aanklacht tegen de oorlog – de oorlog tout court en die van Rusland tegen Oekraïne in het bijzonder. De hoofdverantwoordelijke wordt meermaals direct aangesproken, meestal niet al te vleiend. Al op 24 februari, de dag van de invasie, richt zich Babtsjenko tot Poetin : ‘Das war eher ein beschissener Blitzkrieg. Anders gesagt, er ist misslungen. Wladi, du bist ein Pisser. Du verkackst alles. Sogar beim Angriff.’ (127) Het spannende in dit boek is dat je alles op de voet kunt volgen, de persberichten liggen nog zo vers in het geheugen dat ze direct herkenbaar zijn. Poetin is door zijn adviseurs een ‘totaal andere, parallelle wereld voorgeschoteld’, zodat hij echt geloofde dat de Russische troepen in Charkiv op bloemen onthaald zouden worden : ‘So blöd können die doch gar nicht sein. Oder doch ?’ (136) Maar de auteur overstijgt het militaire van de veldslag dag na dag, hij ziet in de toekomst : ‘Eine Nation ist im Werden. Ein Land entsteht. Und wird endgültig zu Granit.’ (140) En nog eens tot Poetin : ‘Du hast alles, buchstäblich alles verkackt.’ (141) De mythe over de macht en de onoverwinnelijkheid van het Russische leger heeft een ferme deuk gekregen (142) en niet alleen het Poetin-regime zal vallen, maar heel Rusland zal tot verval komen (144).

Jegens de Russische soldaten, hij is er zelf een geweest, voelt hij geen haat : ‘Ich empfinde keinen Hass auf sie. Auf die Rekruten – denn sie sind betrogene, stimmlose, minderjährige, sklavengeborene Arschköppe, es hat keinen Sinn, sie zu hassen.’ (145) Rusland moét verliezen, anders zullen ze het nooit begrijpen : ‘Het moet hun pijn doen. Opdat ze het eens en voor altijd snappen. Zoals Duitsland. Voor minstens honderd jaar.’ (148) Poetin verwijt hij dat hij Oekraïne niet kent, niet begrijpt : ‘Wladi. Du hast keinen Schimmer [flauw benul], wo du da reingeraten bist.’ (150) En dat leger van hem zou niets voorstellen – ‘ein Scheißhaufen, ein zusammengewürfelter Haufen von unausgebildeten Jungs mit Maschinengewehren’ (159). Al die inzichten hebben hem doen vluchten en Rusland vaarwel doen zeggen : ‘Ich bin kein Russe mehr. Mein Gott, welch eine Freude !’ (161)

Als strateeg vind hij Poetin ook waardeloos : eerst heeft hij (sinds 2014) acht jaar lang Bandera-mannen gekweekt (Oekraïense nationalisten) en nu trekt hij het land binnen om ze te bevrijden, van zichzelf : ‘Was für verdammtes Genie, dieser Kerl !’ (178) Van echt oorlogvoeren hebben ze geen verstand – ‘het land overspoelen met lijken, hun eigen en die van de anderen, dat kunnen ze. Eigenlijk het enige wat ze kunnen.’ (183) Voor Babtsjenko is het zonneklaar dat Rusland gaat verliezen (184) : ‘Am Sieg der Ukraine zweifle ich keine Sekunde. Es wird die Mühle sein, die auch Mordor zermahlt.’ (191, Mordor – het Land van het Kwaad uit The Lord of the Rings). En Mordor zal vernietigd worden – ‘Dat is het begin van het einde van Rusland’ (284).

Het gedrag van de Russen heeft ervoor gezorgd dat de Oekraïners nu achter de oorlog staan – ‘We willen de oplossing van dit probleem niet langer aan onze kinderen overlaten. We willen het nu zelf oplossen.’ (200) De horror die de Russen jarenlang Oekraïne heeft aangedaan, moet nu maar eens over de Russen uitgestrooid worden, ‘anders gaat het niet. Anders snappen jullie het niet.’ (201) De Russen zullen in de toekomst ook niet meer moeten komen aanzetten met hun verhaal over de verschrikkelijke blokkade van Leningrad tijdens de Tweede Wereldoorlog, dat zal geen mens nog interesseren (211) na de gruwel van Oekraïne. ‘Rusland is een lepreus land geworden’ (ein aussätziges Land) (214)

Hij boort ook de illusie de grond in dat er na de oorlog een wedergeboorte van Rusland zal komen (243).

Het boek van Babtsjenko is fascinerend, geëngageerd, gepassioneerd, met kennis van zaken geschreven, wellicht ook met veel wishful thinking, maar het is vooral boeiend omdat het niet door een Oekraïner is geschreven, van wie je optimisme mag verwachten, maar door een Rus, die zelf in het Russische leger gediend heeft en nu volledig achter de Oekraïners staat. Dit boek verdient het om ook in het Nederlands vertaald te worden.

Orlando Figes. Het verhaal van Rusland. Mythe en macht van Vladimir de Grote tot Vladimir Poetin.

Orlando Figes. Het verhaal van Rusland. Mythe en macht van Vladimir de Grote tot Vladimir Poetin. Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2022, 335 p. Originele titel: ‘The Story of Russia’.

Orlando Figes is al enkele jaren aanwezig op onze boekenmarkt als ruslandkundige. Hij heeft bestsellers geschreven – een over de culturele geschiedenis van Rusland (Natasja’s dans), een over de Krimoorlog (de grote tragedie van Rusland in de 19e eeuw), een over Sovjetmensen die niet durven te spreken over het verleden onder Stalin (De fluisteraars). Ook zijn geschiedenis van de Russische Revolutie (De tragedie van een volk. De Russische revolutie 1891-1924), het duizend bladzijden tellend verhaal dat hij laat beginnen lang voor de revolutie uitbrak, is een bijzonder lezenswaardig en fascinerend overzicht van een kwarteeuw turbulente Russische geschiedenis.

Naar zijn nieuw boek werd dan ook met spanning uitgekeken. De lezer zal niet ontgoocheld worden: de kerngedachte van zijn betoog is dat de macht van de huidige Russische president gebaseerd is op mythes, grote mythes over de geschiedenis van zijn land die hij handig uitbuit.

Het boek begint en eindigt met Oekraïne, niet ten onrechte, want dit is het grootste en blijkbaar onoplosbare probleem dat de laatste jaren de politiek van Rusland beheerst en ook het Westen in zijn band houdt. Figes vat de bedoeling van zijn boek samen als volgt: ‘Rusland is een land dat bijeen wordt gehouden door ideeën die wortelen in een ver verleden, historische denkbeelden die voortdurend worden herzien en herschreven om te voldoen aan de wensen van het heden en de verlangens voor de toekomst.’ (16) Het is Figes’ ambitie om met dit boek aan te tonen hoe de Russen tot hun verhaal zijn gekomen en ‘hoe ze het in de loop van de tijd steeds opnieuw hebben vormgegeven’ (16). In dit opzet is hij met verve geslaagd.

In de elf hoofdstukken van zijn boek schetst Figes de gehele geschiedenis van Rusland, van 862 tot februari 2022, de invasie in Oekraïne. Het eerste hoofdstuk – over het ontstaan van Rusland, of exacter van Roes (Kiev-Roes) – is essentieel, want daar draait het in de recente oorlog allemaal om. Zowel Rusland als Oekraïne stellen dat de eerste ‘Russische’ staat – Kiev-Roes – de bakermat is van het huidige Rusland of het huidige Oekraïne (42). Volgens Figes is dit een mythe, ‘een opvolgingsverhaal dat de imperialistische pretenties van de Moskouse tsaar moest ondersteunen’ (41). Trouwens zijn met heel de ontstaansgeschiedenis van Rusland (Roes) heel wat legendes en mythes verbonden. Door wie is het oude Rusland gesticht? Volgens sommigen door Noormannen (Vikingen), omdat de Russen altijd maar ruzie maakten en dan maar buitenlanders uitnodigden (26) om orde op zaken te komen stellen. Dit op de Nestorkroniek (Het verhaal van de voorbije jaren) (12e eeuw) gebaseerde stichtingsverhaal werd in de 18e eeuw door nationalistisch ingestelde Russen verontwaardigd van de hand gewezen. Ook rond de kerstening van Roes in 988 door vorst Vladimir zijn veel vragen te stellen. Men weet niet eens met zekerheid of het wel op de Krim was dat de Russische vorst zich liet dopen. In elk geval voelde Roes zich daardoor ‘de evenknie van het Byzantijnse rijk’ (34). Volgens Figes is de kern van de Nestorkroniek de mythe dat de vorst heilig is en dat hij sterft als een martelaar voor het ‘heilige Russische land’ (37), zoals de broers Boris en Gleb, de eerste Russische heiligen (11e eeuw). ‘Geen enkel ander land ter wereld heeft zoveel van zijn vorsten heilig verklaard’, of met andere woorden ‘Nergens is de macht met zoveel heiligheid omgeven’ (37).

Een tweede twistpunt onder Russen is de inval van de Mongolen. Ze hebben Rusland 250 jaar lang bezet en gedomineerd en de vraag is of hun aanwezigheid weldadig dan wel negatief is geweest voor Rusland. Door de invasie van de Mongolen (vanaf 1223) is het Kievse Rijk drastisch veranderd, zozeer dat ‘geen enkel modern land, Rusland, Oekräine noch Belarus, kan beweren er de voortzetting van te zijn’ (51). Voor de enen zuchtte Rusland onder het ‘Tataarse juk’ (leed, offers, vernedering, onderdrukking, isolatie van het Westen). Voor de 19e-eeuwse slavofielen had de Mongoolse heerschappij ook positieve gevolgen: het land werd erdoor van het Westen afgezonderd. En volgens nog anderen hadden ze helemaal geen impact op het verdere verloop van de geschiedenis. Maar in die periode valt wel een belangrijke gebeurtenis: in 1380 leverden de ‘Russen’ de eerste grote slag tegen de Mongolen (de veldslag van Koelikovo) en redde daardoor Europa van het Mongoolse gevaar (55). Ook later heeft Rusland het Westen gered: van Napoleon en van Hitler en voor beide offers heeft het van het Westen geen dankbaarheid ontvangen. Het offer dat Rusland gebracht zou hebben, wordt door Poetin breed uitgesmeerd. Dat Rusland lange tijd aangeleund heeft bij Azië, zou de toenadering van het huidige Rusland tot China vergemakkelijken, en de poging om een Euraziatische Unie op gang te brengen mede inspireren. Niet aan twijfel onderhevig is de vaststelling dat 250 jaar Mongoolse overheersing de autocratie in de hand heeft gewerkt: net zoals de Russische vorsten onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Mongoolse chans moesten betuigen, zo moesten ook hun onderdanen zich zonder te mopperen schikken naar wat hun vorsten van hen verlangden. En dat tien generaties lang, lang genoeg om de autocratie in de genen van de Russen te krijgen. Volgens Figes is er een rechtstreekse lijn van onderwerping aan de chans tot de onderdanigheid van de oligarchen aan Poetin (63).

Een derde mijlpaal is de periode van Ivan IV (bij ons bekend als de Verschrikkelijke). Na de ondergang van Constantinopel (1453) begon Moskovië, de opvolger van Kiev-Roes, zich geleidelijk aan te zien als het Derde Rome en de tsaar als de belichaming van God op aarde, bijgevolg was het ketterij om je tegen hem te verzetten (67). Rusland werd onder zijn bewind een theocratisch keizerrijk, de tsaar werd heilig geacht omdat hij zijn macht aan God ontleende (72). De autocratie in Rusland was sterk, de samenleving zwak en ‘deze scheve verhouding, tussen een dwingende staat en een zwakke samenleving, heeft de loop van de Russische geschiedenis bepaald.’ (75) Tot in de 20e eeuw hebben Ivans wreedheden verdedigers gevonden, een rare trek in de Russische mentaliteit die excuses zoekt voor extreem geweld en onderdrukking.

Eind 16e-midden 17e eeuw kende ook de enorme expansie van Rusland: in 1552 viel het islamitische Kazan, in 1556 Astrachan (volgstaten van de in de late 15e eeuw uit elkaar gevallen Gouden Horde), de ontdekking en onderwerping van Siberië begon, tegen het midden van de 17e eeuw had Rusland er duizenden strekkende kilometers grondgebied bij gewonnen, de Russen zaten aan de Stille Oceaan. Het begin van het Russische imperium en wellicht het begin van Ruslands miserie.

1612 is een belangrijk moment in Ruslands geschiedenis: na jaren van burgeroorlog en buitenlandse interventie slaagde een volksmilitie erin de Poolse bezetter te verdrijven. De dag dat de Polen uit Moskou verdreven werden – 4 november – werd na de val van het communisme uitgeroepen tot de Dag van Nationale Eenheid, alweer een symbolische invulling van een historische gebeurtenis met actuele gebruikswaarde.

Na de Troebelen, veroorzaakt door de dood van Ivan de Verschrikkelijke, kwam een nieuwe dynastie aan het bewind – de Romanovs. Ze zouden 300 jaar over Rusland regeren (1613-1917). Ze waren volgens Figes ‘niet bijster intelligent’ (92) en zouden Rusland in 1917 tot een enorme catastrofe leiden. Onder het bewind van de eerste Romanov was er een kans om een constitutionele monarchie in te voeren (93), maar daar zijn de bojaren niet in geslaagd. Rusland bleef autocratisch en de mythe van “vadertje tsaar”, ‘de rechtvaardige en beschermende vader van zijn volk’ (95), bleef hardnekkig voortbestaan. Het nieuwe wetboek van 1649 formaliseerde de lijfeigenschap, die tweehonderd jaar lang zou blijven bestaan en verantwoordelijk was voor de catastrofe van 1917, ten gevolge van de diepe haat van de Russische boeren jegens de grondbezitters. Het fenomeen van verklikken van andere burgers is niet uitgevonden door de communisten in de 20e eeuw, maar bestond al in de 17e eeuw (97). Figes doorprikt ook de mythe van de vreedzame verovering van Siberië door de Russen, ‘die de inheemse stammen beschaving brachten door assimilatie in de Russische cultuur en samenleving’ (102), zoals schoolkinderen in Rusland dat gewoonlijk voorgeschoteld krijgen: ‘De Russen begingen afschuwelijke wandaden: het platbranden van hele dorpen, executies, massaverkrachtingen en vrouwenslavernij’ (102), het klinkt allemaal zo actueel.

De gebeurtenissen in de 17e eeuw verklaren ook het drama dat zich nu in Oekraïne afspeelt: ten gevolge van de burgeroorlog midden 17e eeuw werd Oekraïne opgesplitst in twee delen: het oosten kwam bij Rusland, het westen bij Polen. Daardoor groeiden de landsdelen uit elkaar, qua politiek, taal, godsdienst en cultuur.

Hoofdstuk 5 behandelt de verwestersing van Rusland onder Peter en Catharina de Grote, de culturele revolutie die toen plaatsvond, maar de reis van de jonge tsaar Peter naar Nederland (het Grote Gezantschap), waar hij zijn inspiratie opdeed voor de modernisering van het land, wordt nauwelijks belicht (112), een onbegrijpelijk hiaat in de overigens goed gedocumenteerde geschiedenis van de Britse historicus. Een constante die in heel de geschiedenis van het land terug te vinden is, treffen we aan onder Peter I: ‘met kwantiteit compenseren wat aan kwaliteit ontbrak’, m.a.w. ongegeneerd veel mensenlevens offeren om zijn militair geavanceerdere tegenstander te overwinnen (113). Terwijl alles wat vóór Peter de Grote gebeurde, geworteld was in het nationale verleden, stampt Peter een nieuwe keizerlijke hoofdstad uit de grond ‘zonder wortels in de Russische grond’ (116). Zijn hervormingen kregen dan ook veel kritiek van de slavofielen in de 19e eeuw, die stelden dat zijn hervormingen de (eigen-) aard van Rusland veranderd hadden en de mensen iets vreemds, een Fremdkörper opgedwongen hadden. Ook dit is een beschuldiging die in de 20e-21e eeuw vaak te horen zal zijn: het Westen heeft Rusland het marxisme opgedrongen, de mensenrechten, de democratie en, de laatste jaren, de holebi-cultuur. Allemaal dingen die de ‘traditionele Russische waarden’ zouden ondermijnen. Het is onbegrijpelijk waarom de beroemde Filosofische Brief van Pjotr Tsjaadajev (1837) hier ontbreekt, een toch uiterst actueel document en liefdesverklaring aan het Westen.

De volgende hoofdstukken (6-10) behandelen de 19e en 20e eeuw, de overwinning op Napoleon (nog een nationale mythe : ‘de Vaderlandse Oorlog’, het ‘Heilige Rusland als redder van de mensheid’, 140), de autoritaire regeerstijl van Nicolaas I, die dacht dat hij alles moest reguleren in zijn land, de invoering van de staatsideologie ‘orthodoxie, autocratie en nationalisme’, de afschaffing van de lijfeigenschap (halfslachtig en dus mislukt), de invoering van het marxisme, de Revolutie, de terreur onder Lenin en Stalin, tot en met de hervormingen van Gorbatsjov, die het land uit zijn lethargie wilde halen, maar ongewild de ondergang van het communistische imperium in de hand werkte. Na de afschaffing van de lijfeigenschap (in 1861) begrepen de boeren dat ondanks de toegenomen vrijheid ‘geweld de grondslag vormde van de staatsmacht en dat geweld ook het enige middel was om die omver te werpen’ (169). Alle mogelijkheden om het volk enige inspraak te geven werden in de 19e eeuw gerateerd, de catastrofe van 1917 was onvermijdelijk. Zoals de laatste tsaar Nicolaas II ‘geen enkele aanleiding zag om zijn bewind aan te passen aan de eisen van de moderne wereld’ (176), zo vindt ook de huidige Russische president het niet nodig mee te gaan met moderne opvattingen. Zijn nieuwe staatsideologie is niet meer of niet minder dan een moderne versie van Nicolaas I’s beruchte formule ‘orthodoxie, autocratie, patriottisme’. Gebrek aan patriottisme (wat dat ook moge betekenen) is onder de huidige president zelfs strafbaar. Nicolaas Stokmans (de bijnaam van Nicolaas I) had nog wat kunnen leren van deze redder des vaderlands.

Ook WO I speelde een rol in de mythevorming van Rusland: in Rusland bestond sinds het midden van de 19e eeuw een panslavische strekking – alle Slavische volkeren moeten verenigd worden onder de heerschappij van Rusland (het enige Slavische land dat toen zelfstandig was). Het was deze panslavische mythe (want de meeste Slavische landen zaten daar echt niet op te wachten) die Rusland in de noodlottige Eerste Wereldoorlog stortte, het begin van alle miserie van het land (en de rest van Europa) in de 20e eeuw. Men besefte toen dat ‘als Rusland Oekraïne zou kwijtraken, het niet langer een grote mogendheid zou zijn’ (184), een redenering die ons bekend en actueel in de oren klinkt. De grootste mythe die het land in de 20e eeuw heeft opgeleverd, is die van de Grote Vaderlandse Oorlog (WO II), waarin onredelijk veel slachtoffers gevallen zijn en waarvoor de Sovjetunie voor een deel de medeverantwoordelijkheid draagt, allemaal gevoelige thema’s waarover nu niet meer gepraat mag worden, na de korte openheid (glasnost) over ’s lands verleden in de late jaren tachtig en negentig. Onder het bewind van Poetin worden de verdiensten van Stalin in de verf gezet – de industrialisering van het land en de overwinning op het nazisme, maar over de terreur van de dictator wordt nauwelijks (nog) gesproken. Het is niet verboden erover te spreken en Poetin geeft zelf wel toe dat er terreur was, maar de betekenis en de omvang ervan wordt geminimaliseerd.

Ook het laatste hoofdstuk is boeiend en relevant voor alles wat nu in Rusland en Oekraïne gebeurt :

  1. De gebeurtenissen van 1991 waren geen revolutie, er was geen massaal protest, de communistische partij deed gewoon afstand van de macht.

  2. De oude elite had het ook in het post-sovjettijdperk voor het zeggen. Er waren geen lustratiewetten (doorlichting) zoals bv. in Polen, die moesten beletten dat mensen van de repressieorganen weer openbare functies konden krijgen.

  3. Poetin had als spion in de DDR gewerkt, was getuige van de volksopstand tegen het regime van Honecker, was daardoor getraumatiseerd en trok er de les uit dat ‘ongebreidelde democratie wel moest uitlopen op chaos en verzwakking van de staat’ (276).

  4. Door de ineenstorting van het communisme en het in diskrediet raken van de communistische ideologie kwamen Russen in een vacuüm terecht. Poetin zou die leegte opvullen door zijn visie op de geschiedenis, ‘dirigistisch en conservatief’: Rusland was sterk als het volk zich verenigd wist achter een sterke staat of leider en zwak als ze verdeeld waren en de Russische waarden die hen verenigden en kenmerkten uit het oog verloren (278).

  5. Poetin voerde een ‘machtsverticaal’ in die hij ‘geleide of geregisseerde democratie’ noemde (280), natuurlijk een contradictio in terminis.

  6. De trots op het Sovjetverleden werd weer ingevoerd, na de kritiek van de jaren negentig, die het land wilde opzadelen met schuldgevoelens. Daarom werden anti-patriottische elementen (een term die van Stalin komt) niet meer getolereerd. Critici van het neo-autoritaire regime werden als ‘buitenlands agent’ gebrandmerkt, ook al een term die onder Stalin gebruikt werd om buitenlandse spionnen mee aan te duiden. Ook de orthodoxe kerk schaarde zich achter de campagne om korte metten te maken met het ‘historisch masochisme’, ‘de gevoelens van schuld en minderwaardigheid die wortelden in het verleden van het land’ (284).

  7. De ondergang van de staat zou het werk zijn van liberalen, westerse marionetten (als Gorbatsjov en Jeltsin). Onder leiding van Poetin werd Groot-Rusland weer opgebouwd (285). Het verhaal sloeg aan – de Russen voelden zichzelf weer goed.

  8. De homo sovieticus was met de ondergang van de Sovjetunie niet uitgestorven, ‘hij was in een nieuwe gedaante opgestaan’ (286).

  9. De rechtvaardiging van de invasie in Oekraïne op 24 februari 2022 vond Poetin in de volgende gebeurtenissen:

  1. De NAVO die Kosovo steunde tegen de Serven in 1999, zonder steun van de VN. Dus weer die panslavische mythe: Slavische volkeren moeten elkaar steunen, blijkbaar ook als er een misdadiger (Milosević) aan de macht is.

  2. De uitbreiding van de NAVO richting Oosten, in tegenspraak met de (mondelinge) beloften van de Amerikanen aan Gorbatsjov dat niet te doen. Dat de vroegere Sovjetrepublieken daar zelf om vroegen en dat de buurlanden (Polen, Baltische landen) zich bedreigd voelden door Rusland, daar wordt niet over gepraat.

  3. In 2012 lanceerde Poetin het concept Roesski Mir (de Russische wereld, in concreto de ex-Sovjetrepublieken waar na de val van de USSR zo’n 25 miljoen etnische Russen woonden). Rusland zou het opnemen voor de rechten van de onderdrukte Russen in de buurlanden (het zgn. ‘nabije buitenland’).

  4. De evolutie in Oekraïne zelf dat koos voor een westerse koers, bij de Europese Unie wilde komen en aansluiting zocht bij de NAVO.

Figes stelt terecht dat de Russische wreedheden in de oorlog tegen Oekraïne niet zozeer voortkomen ‘uit het genocidale streven de Oekraïners groepsmatig uit te roeien, als wel uit de boosaardige drang hen te straffen, om hen met hun bloed te laten betalen voor hun onafhankelijkheid en vrijheden, voor hun vaste voornemen om bij Europa te willen horen – kortom, voor hun wil om als Oekraïne door het leven te gaan en niet als onderdanen van de “Russische wereld”’ (302). De auteur is resoluut en bondig in zijn slotoordeel: ‘Het is een onnodige oorlog, die het resultaat is van mythevorming en Poetins verwrongen kijk op de geschiedenis van zijn land.’ (307) en hij wijst er terloops op dat het ook anders had kunnen lopen, maar die momenten in de Russische geschiedenis zijn vergeten.

Figes schrijft in het laatste hoofdstuk dat ‘al te vaak de hedendaagse Russische politiek geanalyseerd wordt zonder voldoende kennis van de Russische geschiedenis’ (272). Dit kan van zijn boek niet gezegd worden. Het is een kritisch, goed afgewogen oordeel over de dominanten in de Russische politiek en cultuur, briljant geformuleerd en geschreven met grote kennis van zaken, voor al wie een poging wil doen de in onze ogen aberrante politiek van Poetin te begrijpen. Alhoewel de 19e-eeuwse dichter Fjodor Tjoettsjev al schreef dat ‘Rusland met het verstand niet te begrijpen valt’.

Pages