Recensies

Antoon Vrins. De afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945.

Antoon Vrins. De afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945. [Deurne] 2024, Ertsberg, 333 p.

Toen de Duitse bezetter zich op het einde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog uit Antwerpen terugtrok, rekende het volk af met degenen die met de bezetter samengewerkt hadden, de collaborateurs. Die afrekening ging meestal gepaard met veel geweld: de huizen van de collaborateurs – echte of vermeende – werden in brand gestoken, de gevels werden besmeurd, er werden hakenkruisen op geschilderd, de inboedel werd de straat op gegooid en vernietigd, in brand gestoken of gestolen, collaborateurs werden naar interneringskampen gebracht door de zgn. Witte Brigade, ze werden vernederd, geslagen, uitgejouwd, de collaborerende vrouwen werden kaalgeschoren. Dit alles onder luid geroep en gejuich van de omstanders. 

In het naoorlogse discours over WO II wordt deze episode – in Antwerpen was dat 4 en 5 september 1944 en de meidagen 1945 – voorgesteld als een in se betekenisloze uiting van blinde agressie, uitgaande van ‘monsters’ (9). De auteur weigert deze visie te volgen en probeert het ‘als een verschijnsel van betekenis’ (14) te erkennen. Hij concentreert heel zijn boek op de vraag wat de geweldplegers heeft bewogen (15). Zo stelt hij dat ‘fysieke agressie via een proces van betekenisgeving getransformeerd wordt tot ‘geweld’, tot sociaal betekenisvolle praktijken’ (18), terwijl ‘wie het geweld bij de bevrijdingen a priori als ‘wild’ of ‘blind’ beschouwt, het als een volstrekt geïsoleerd fenomeen uit zijn historische context licht en daarmee dus uitgesproken ahistorisch te werk gaat’ (19). Het beeld van het ongebreidelde straatgeweld zou in Vlaanderen hardnekkiger zijn dan in de rest van Europa en dat is volgens de auteur te wijten aan de ‘succesvolle instrumentalisering ervan door Vlaams-nationalistische oud-collaborateurs’ (20). Door te focussen op het straatgeweld bij de bevrijding zouden ze hun eigen ‘hand- en spandiensten aan het nationaalsocialistische bezettingsregime’ willen verdonkeremanen’ (20). Om dan heel die afrekening met de ‘zwarten’ te kunnen discrediteren, gebruikten ze doelbewust ‘een amalgaam tussen het recht van de straat en de bestraffing door de staat’. De staat zou mede verantwoordelijk zijn, ‘al was het maar door een gebrek aan optreden’ (20). Wat ook sterk speelde in die strategie was dat ex-collaborateurs stelden gehandeld te hebben niet uit nationaalsocialistische overtuiging, ‘maar uit liefde voor een alternatief vaderland, namelijk Vlaanderen. Ze deden zich voor als nationalistische idealisten die naderhand slachtoffers waren van een zogenaamd anti-Vlaamse repressie van de haatdragende Belgische staat’ (21). De staat zou ‘een soort pogrom’ georganiseerd hebben. De auteur verwerpt de stelling dat het geweld toe te schrijven was politieke machinaties om de macht te grijpen (door de communisten), waardoor de daders ‘willoos grauw’ waren dat ‘op afroep gemobiliseerd kon worden’ (dit is in een notedop de visie van historicus Lode Wils). De auteur is het ook niet eens met de benadering van Koen Aerts, eveneens specialist in deze materie, die de justitie van de staat contrasteert met de volkse wraak, want dit zou de suggestie kunnen wekken dat de volksafrekening weinig met gerechtigheid te maken heeft (22).

Het boek van Vrins gaat over de bestraffing van de collaborateurs op straat. Wat was de boodschap? Wat wilde men ermee bereiken? Wie werd geviseerd en waarom? Door welke opvattingen van rechtvaardigheid lieten de straatridders zich leiden? Wat was de voorgeschiedenis? Tegen welk gedrag van de collaborateurs kwamen ze in opstand? De auteur vindt dat ‘wie de betekenis van de acties tegen collaborateurs wil achterhalen, ze ernstig moet nemen als een volwaardige, volkse vorm van justitie’. Hij wil de these weerleggen dat het hier niet zomaar ‘een uitbarsting van blinde agressie in de marge van statelijke bestraffing was, maar een alternatieve vorm van justitie’ (23). Hij wil ‘de logica van het geweld’ doorgronden (28). 

De kerngedachte van Vrins is dat de collaborateurs normovertreders zijn, die allerlei (al dan niet expliciete) verwachtingspatronen (fatsoen, medeleven, vaderlandsliefde) aan hun laars lapten en daardoor de woede en de haat opriepen van de mensen, de buurtbewoners die onder hun gedrag te lijden hadden. Laten we alles eens op een rijtje zetten: 

  • voedselschaarste, manklopende ravitaillering, ‘georganiseerde verarming’ (114), hongertochten, diefstal en fraude om te overleven (collectieve overvallen op broodkarren), de ongelijkheid, de oneerlijke verdeling van voedsel, de collabo’s die profiteerden van de situatie 
  • sommige collabo’s verrijkten zich op de rug van de gemeenschap; de woekerprijzen voor brood en vlees; de bezetter zou broodnodig voedsel exporteren naar Duitsland 
  • verplichte tewerkstelling in Duitsland (najaar 1942) werd ervaren als brutale machtspolitiek 
  • dreiging met verklikking aan de bezetter door collabo’s (wegens anti-Duitse gezindheid, luisteren naar Radio-Londen, anti-Duitse pamfletten, anglofilie) en de straffeloosheid van dit infame gedrag 
  • verzet tegen de bezetter (sluikpers, clandestien vakbondswerk, onderduiken en hulp aan onderduikers, opzetten van inlichtingendiensten, burgerlijke ongehoorzaamheid, sabotage, hulp aan de geallieerden, uitschakeling van collabo’s) 
  • bedreigingen aan het adres van en sociaal isolement van de collaborateurs, bezoedeling van hun woningen, aankondigingen dat gerechtigheid zou geschieden (‘het uur der vergelding’), sociale smetvrees (wie vriendschappelijk omging met notoire collaborateurs was ook verdacht). 

Toen het einde van de oorlog in zicht was, wilden de ‘bevrijders’ van de straat de sporen van de oude orde verwijderen en vernietigen - het gehate hakenkruis, de portretten en bustes van Hitler, gebouwen die door de bezetter gebruikt werden, magazijnen waar voedsel opgeslagen werd. De diefstal van Duitse waren werd doorgaans als legitiem beschouwd, maar soms was er ook verzet tegen. Het waren de symbolen van de bezetter die ritueel vernietigd moesten worden. Duitse gebouwen werden aangevallen, de ruiten sneuvelden, soms werden ze in brand gestoken. De betrapte collaborateur werd door de straten meegevoerd, tentoon gesteld, hij moest de handen boven het hoofd houden, soms op de knieën gaan zitten en de Belgische vlag kussen. ‘Moffenhoeren’ werden kaalgeschoren en voor ieders ogen vernederd. Daarom spreekt de auteur liever over ‘zuivering’ dan over ‘repressie’ (= strafrechtelijke formule) om de informele bestraffing van de ‘zwarteriken’ aan te duiden (165). Het vuur speelde hier een belangrijke, rituele rol: het zuiverde het huis, de buurt, de stad van onreine krachten, het afscheren van het hoofdhaar van collaborerende vrouwen had ‘een uitgesproken seksuele lading’: ‘de bezoedeling die voortsproot uit (lijfelijke) contacten met de Duitsers werd symbolisch ongedaan gemaakt’ (169). Enigmatisch is de uitspraak: ‘Collaborerende mannen werden nimmer aangesproken op mogelijke seksuele contacten met leden van de Duitse bezettingsmacht. Bij vrouwen bestond daarentegen de neiging om de collaboratie in seksuele termen te definiëren.’ (170). Bedoelt de auteur dat er geen gevallen bekend zijn van homoseksuele relaties tussen collabo’s en Duitse bezetters? 

Uitvoerig komt in dit boek de beroemde episode in de Dierentuin van Antwerpen ter sprake in de septemberdagen 1944. Collaborateurs werden naar de Zoo gebracht en daar opgesloten in een leeuwenkooi, waar ze door de juichende menigte uitgelachen, vernederd en verwenst werden (6-10, 170-173). Het is een van de meest tot de verbeelding sprekende taferelen van de bevrijding, die door goedpraters van de collaboratie aangehaald wordt om de primitieve, irrationele, blinde woede van het ‘gepeupel’ te demonstreren. Dit extreme geweld had soms zelfmoorden tot gevolg (‘zij verkozen de fysieke boven de sociale dood’) (179). Er is zelfs sprake van een ‘collectieve zelfmoord’ (180), alhoewel het ‘collectief’ slechts uit twee mensen leek te bestaan.

De bevrijders hadden geen vertrouwen in ‘opportunistische positiewisselingen’ (181), het kazak draaien van collaborateurs die de vergelding zagen aankomen en gauw van kamp wisselden in de hoop zich te kunnen witwassen (182, hier zeker juiste beeldspraak). Om aan de volkswoede te ontsnappen, hingen ze de Belgische driekleur aan hun huis, liepen ze rond met Belgische vlaggen, sloten ze zich aan bij de ‘witten’, maar de tolerantie tegenover deze ontsnappingspogingen was nihil.

De bevolking die onder de bezetting te lijden had gehad, was massaal bereid tot aangiften en stemden in met de massale internering van Duitsgezinden. Volgens de auteur kwam die internering er door de druk van onderop (189). Achteraf gezien, heeft deze internering positieve gevolgen gehad: ‘De internering heeft de potentieel levensbedreigende, gewelddadige eigenrichting tegenover collaborateurs zeker ingeperkt’ (191). Er zijn ook heel wat gevallen bekend van ‘zwarten’ die voor hun veiligheid of leven vreesden en zich vrijwillig gingen aangeven bij de autoriteiten om te ontsnappen aan de volkswoede. Een bekend voorbeeld is Filip De Pillecyn, wiens huis in september 1944 gemolesteerd werd en die zichzelf ging aangeven. Het is me niet duidelijk waarom diens getuigenis in Face au mur (1979) in dit boek niet vermeld/gebruikt wordt.

Veel is ook te doen geweest over de vraag of de volkswoede spontaan was of georkestreerd? Was er een ‘overkoepelend plan’ (‘groot masterplan’, 197-198) of was het allemaal spontaan? De auteur heeft overtuigend aangetoond dat de volkssancties een hele voorgeschiedenis hadden (197). Ze waren gericht tegen ‘mensen die zich door hun aanhoudende en manifeste overschrijding van de gedeelde normen, waarden en gedragspatronen buiten de gemeenschap hadden gezet’, zodat ze voor niemand onverwacht kwamen (198). De indruk dat het wel georganiseerd was, wordt ook gewekt door het begrip ‘Witte Brigade’, maar dit betekende niet dat ‘een eenvormige organisatie de bevrijding uit de clandestiniteit’ leidde (200). Eigenlijk was het begrip Witte Brigade (1941 opgericht) een ‘pars pro toto voor alle verzetsorganisaties’ (201). Dat nogal wat collaborateurs zich bij die brigade hebben aangesloten om aan de repressie te ontsnappen, heeft bijgedragen aan het discours over de ‘septemberweerstanders’ die te elfder ure hun zak hadden gedraaid. Niet iedereen in de brigade was het eens met de lynchpartijen (eigenrichting), de plunderingen of het kaalscheren.

Onder de bevolking bestonden uiteenlopende ‘tolerantiedrempels’ ten aanzien van diverse types collaboratie (213). Zo was er veel meer tolerantie jegens economische collaboratie van industriëlen (die aan het Duitse leger leverden), maar het waren wel de detailhandelaars die het mikpunt werden van het ressentiment van de bevolking (218). De rijkdom, de luxueuze levensstijl van sommige collabo’s staken de ogen uit van de bevolking die jaren te lijden had gehad onder voedselschaarste. Mikpunt bij uitstek waren de woekerhandelaars (229). Volgens de auteur werden de plunderingen van ‘zwarte’ inboedels niet ingegeven door economische motieven (237). Soms werden de geplunderde goederen (huisraad, meubelen, luxegoederen) overgedragen aan slachtoffers van de bezetting.

Velen zijn ervan overtuigd dat acties tegen de collaborateurs geïnspireerd waren door ‘puur persoonlijke wraaknemingen’, maar dit zou niet beantwoorden aan de historische realiteit (248). De slaagkansen van om persoonlijke redenen ‘een appeltje te schillen met een buurman of kennis’ waren gering, want de bevolking moest wel overtuigd zijn van diens schuld (250). Met de definitieve nederlaag van Duitsland in mei 1945 en de onthullingen over de wreedheden van het nazi-regime en de gruwel van de concentratiekampen kwam het opnieuw tot collectieve acties tegen Duitsgezinden. De minister van justitie zag zich nu verplicht om de verdachten te interneren en ze aldus te beschermen tegen geweldpleging van het volk. Volgens de auteur lag er ook nu geen ‘overkoepelend, communistisch complot’ aan ten grondslag, alhoewel de communisten de onvrede onder de bevolking ‘bewust politiek geïnstrumentaliseerd hebben’ (268). In vlugschriften werd opgeroepen tot een ‘grote kuis’, waarschijnlijk gelanceerd door het verzet ‘met een communistische strekking’ (272). Dat er geen nieuwe golf van geweld tegen de collaborateurs uitbrak, was te danken aan het doortastende optreden van de Antwerpse burgemeester Camille Huysmans die waarschuwde dat ‘de gewapende macht onmededogend zal optreden tegen de daders’ (273). Er kwam geen nieuwe zuiveringsgolf.

In het slothoofdstuk resumeert de auteur zijn bevindingen. Het gaat ‘geenszins om uitbarstingen van blinde agressie’ (277). Hij doet geen uitspraken over het gerechtvaardigde karakter van het ‘bevrijdingsgeweld’ (278), dat voor hem slechts het sluitstuk is van ‘een veel langer proces van uitsluiting en stigmatisering van welbepaalde groepen mensen wier optreden als een normovertreding werd gezien’ (279-280), ‘een volkse vorm van justitie’ (286). De autoriteiten beseften algauw dat er onder de bevolking ‘een enorme druk leefde om streng op te treden’ (287) en hebben dat dan ook officieel gedaan. Na zijn uitvoerige analyse, waarbij honderden archiefstukken geciteerd worden, stelt de auteur zelf de grote vraag: ‘Hoe is het mogelijk dat enkele jaren slechts na de massale participatie van de bevolking in de bestraffing van de collaboratie, de zwarte mythe over een bestiaal, anti-Vlaams pogrom [sic, pogrom is mannelijk] dominant kon worden in Antwerpen en Vlaanderen?’ (289).

Maar daar is waarschijnlijk een andere studie voor nodig. Schaamde men zich achteraf toch voor het gebruikte geweld? Waren de verklaringen, rechtvaardigingen van de daders wel altijd eerlijk? Werd vulgair plunderen niet goedgepraat door politieke of ideologische motieven (net zoals de collaborateurs hun gedrag probeerden goed te praten door hun inzet voor de Vlaamse zaak)? Allemaal vragen die niet meer op te lossen zijn.

Aleksandr Ivinski. Roesskaja literatoera XVIII veka i koeltoernyj proëkt Ekateriny II [De Russische literatuur van de XVIIIe eeuw en het culturele project van Catherina II]

Aleksandr Ivinski. Roesskaja literatoera XVIII veka i koeltoernyj proëkt Ekateriny II [De Russische literatuur van de XVIIIe eeuw en het culturele project van Catherina II]. Moskou, uitgeverij Vodolej, 2023, 399 p. ISBN ISBN 978–5–91763–587–3.

Aleksandr Ivinski is een jonge, productieve filoloog die Russische literatuur doceert aan de Moskouse Staatsuniversiteit en verbonden is aan het Instituut voor Wereldliteratuur van de Russische Academie der Wetenschappen. De laatste jaren heeft hij een grote activiteit aan de dag heeft gelegd, vooral dan op het gebied van de studie van de Verlichting en de Russische literatuur van de 18e eeuw. Zo publiceerde hij in 2012 een aparte studie over het tijdschrift Sobesednik ljoebitelej rossijskogo slova (Gespreksgenoot voor de liefhebbers van het Russische Woord) als uiting van Catherina II’s literatuurpolitiek, alsook over het door haar uitgegeven literaire tijdschrift Vsjakaja vsjatsjina (Koetjes en Kalfjes). Al de her en der gepubliceerde artikelen van de laatste tien jaar heeft hij nu samengebracht in één monografie met een intrigerende titel, waaruit moet blijken dat het ambitieuze project van de Russische keizerin erin bestond een eigentijdse, nationale literatuur uit de grond te stampen. In dit opzet is hij voortreffelijk geslaagd en daarvoor moet hij afrekenen met heel wat heilige huisjes van de Russische en vooral Sovjetse literatuurgeschiedenis.

De steeds weer herhaalde visie van zo goed als alle Sovjetse literatuurhistorici komt erop neer dat er onder Catherina twee kampen bestonden : aan de ene kant de autoriteiten, de keizerin zelf, aan de andere kant de haar vijandig of kritisch gezinde oppositie. De strijd tussen beide kampen zou in deze visie uitgevochten zijn op de bladzijden van de talrijke satirische tijdschriften die in de jaren 1760-1770 als paddenstoelen uit de grond schoten. In deze visie werd het kamp van de autoriteiten vertegenwoordigd door de tijdschriften Vsjakaja vsjatsjina en Sobesednik, waarin voorzichtige kritiek op bestaande toestanden werd geuit, weliswaar in voor de regering gunstige zin – kritiek op algemeen-menselijke tekorten, obscurantisme, onwetendheid, domheid, achterlijkheid, maar nooit kritiek ad hominem (na litso). Het oppositionele kamp vond dan een spreekbuis in tijdschriften als Troeten (De Hommel), Zjivopisets (De Schilder) e.v.a. Daarin zou het wereldbeeld van de keizerin en haar trawanten dan op de korrel zijn genomen. De oppositie zou een strijd tegen het ‘vervloekte tsarisme’ gevoerd hebben op de bladzijden van de literaire tijdschriften (125). De enige Sovjetse literatuurhistoricus die Ivinski nog de moeite vindt om te citeren – Goekovski – heeft het idee van een ‘adellijke fronde’ tegen de keizerin uitgevonden en daardoor het concept van twee vijandige kampen (369).

Het blijft natuurlijk een paradox dat het uitgerekend een zogezegd autocratische heerseres zelf was die haar ‘onderdanen’ ertoe heeft opgeroepen om literatuur te bedrijven, mee te werken aan de voorlichting van het volk en aan de ‘Verlichting’ van de natie en daarbij kritiek en satire niet te sparen. Door sommige historici is dit te verklaren door het pseudoliberalisme van de keizerin (gecanoniseerd door de eerste Russische marxist Plechanov) (371), die op papier allerlei liberale ideeën omhelsde, maar in de praktijk optrad tegen wie te ver ging in zijn kritiek op bestaande toestanden. In elk geval is dit een uitzonderlijk iets in de Russische geschiedenis : we kennen geen andere Russische tsaar of commissaris die zijn volk opriep om te schrijven en misstanden te lijf te gaan.

Het doel van Ivinski’s boek is deze vastgeroeste visie op de literatuur van de 18e eeuw onderuit te halen. Catherina begreep dat cultuur een belangrijk instrument is in het tot stand brengen van de politiek van het imperium (5). Opdat de aristocratie en de bureaucratie de macht zouden steunen, moest een nieuwe elite gecreëerd worden. Ze gaf het voorbeeld door zelf literaire tijdschriften op te richten en alle mogelijke literaire genres te beoefenen en dit in de taal van het land (Russisch) en niet, zoals Frederik II, in het Frans (omdat hij de landstaal “barbaars” vond). Ze baseerde zich daarbij op westerse voorbeelden en probeerde via haar tijdschriften Koetjes en Kalfjes en Gespreksgenoot haar landgenoten de cultuur van het savoir vivre en het beeld van de honnête homme bij te brengen (38). Ivinski wil niet op de verschillen tussen de verschillende fracties wijzen, iets waarop Sovjetse historici zich blind gestaard hebben, maar op de overeenkomsten binnen één paradigma (6). Haar grootste verdienste ziet hij dan in het tot stand brengen van ‘een literaire ruimte die een ingewikkelde keten is van niet-formele relaties tussen de hoogste macht en de elite en waar de dichters (schrijvers) de rol van bemiddelaars kregen toegewezen die het politieke en culturele project van de keizerin steunden en samen met haar werkten aan een nieuwe cultuurtaal die nodig was om dat project te kunnen realiseren’ (6).

Het interpretatiemodel ‘satirische journalistiek’, dat decennialang gehanteerd werd om de literaire situatie onder Catherina te beschrijven, wijst Ivinski van de hand. Het is niet adequaat en is niet bij machte allerlei fenomenen te verklaren. De zogenaamde oppositie kwam vaak neer op niet meer dan kleine meningsverschillen, uiteindelijk was het de goede smaak die overwon (9). De meest geciteerde naam in de zgn. oppositie is die van Nikolaj Novikov, die zich in zijn tijdschriften afgezet zou hebben tegen Catherina en haar literaire geestesgenoten, terwijl hierbij uitgegaan wordt van het conflict tussen de keizerin en de Verlichter in 1792, dat alles te maken had met zijn geflirt met de vrijmetselarij, die Catherina, niet helemaal zonder reden, voor gevaarlijk hield (114). Volgens Ivinski vocht De Hommel van Novikov samen met Koetjes en Kalfjes van de keizerin tegen de onwetendheid (116). Van een conflict tussen beiden kan nauwelijks sprake zijn (119).

Zo goed als alle belangrijke literaire figuren van de 18e eeuw passeren de revue en Ivinski analyseert geduldig hun zgn. polemieken met de ‘officiële’ pers – Soemarokov, Trediakovski, Fonvizin (al de motieven in zijn toneelstuk De Landjonker zijn terug te vinden in Catherina’s tijdschrift Koetjes en Kalfjes), Derzjavin (zijn ode op Catherina – Felitsa – past helemaal in haar beeld van de ideale heerser), Dasjkova, Karamzin (zijn concept van de geschiedenis komt overeen met dat van Catherina). In alle gevallen slaagt de auteur erin, aan de hand van tientallen citaten, duidelijk te maken dat al deze schrijvers (samen) werkten aan het grote beschavingsproject van Catherina II.

De conclusie van Ivinski is niet mals : ‘De geschiedenis van de Russische literatuur van de XVIIIe eeuw is vele jaren gemythologiseerd en gemystificeerd : ze leefde met de waanbeelden van de (adellijke) oppositie en had het over de strijd tussen de autoriteiten en de ‘verlichters’, waarbij ze niet opmerkten dat de tweeden in het leven geroepen waren door de eersten.’ (381). Dit is een provocatieve uitspraak die, mogen we hopen, een nieuw licht zal werpen op de vaak verkeerd gelezen of voorgestelde literatuur van de Verlichting.

Michael Ignatieff. Russisch familiealbum

Michael Ignatieff. Russisch familiealbum. Amsterdam, Cossee, 2023, 319 p. Vert. door Niek en Theo Hendriks (oorspr. titel ‘The Russian Album’). Herziene vertaling en uitgave.

De familie Ignatjev is geen onbekende in Rusland en in Bulgarije al helemaal niet : de overgrootvader van de auteur is de grote held van Bulgarije met een standbeeld op het centrale plein in Varna. Het was graaf Nikolaj Ignatjev die in 1877 Bulgarije bevrijdde van het Turkse juk. Deze naam verklaart de russofilie van vele Bulgaren.

De auteur is de nazaat van dit roemrijke geslacht, ook zijn grootvader (Pavel) was een belangrijke en interessante figuur in het tsaristische Rusland : liberaal politicus, Russisch, maar woonachtig in de Oekraïne, waar zij de taal, cultuur en folklore respecteerden. Hoge posten in het ministerie van landbouw, later van onderwijs, voortdurend in conflict met conservatieve krachten (goed vertegenwoordigd in Rusland) en voorstander van moderne, liberale of vooruitstrevende ideeën, o.a. in de zemstvo’s (organen van plaatselijk zelfbestuur), gericht op de welvaart van het land en van de plaatselijke boerenbevolking. Zijn contacten met de tsaar tonen aan dat Nicolaas II een hopeloze loser was die niet wist hoe hij een land moest besturen en die de ene domme beslissing na de andere nam.

De auteur schetst aan de hand van het bewaard gebleven familiealbum en de verhalen van zijn ouders het leven van zijn familie in tsaristisch Rusland. Die behoorde tot de elite van het Russische Imperium en genoten dan ook een leven in rust, welstand en luxe, met chique huizen in de hoofdstad Sint-Petersburg en landgoederen in de provincie, in het geval van Ignatjevs grootvader in de Oekraïne, waarover hij en zijn grootvader met liefde en respect spraken (zijn grootmoeder evenwel deelde de sympathie van haar man voor de Oekraïne niet en kon niet zo goed aarden in die landelijke omgeving). Ook dat is interessant in 2023, wanneer Rusland in oorlog is met het buurland, waarover het beweert één te zijn met Rusland, maar er dan wel een oorlog voor moet voeren. In het nawoord vertelt de auteur zijn bezoek aan het landgoed van zijn grootvader in het nu onafhankelijke Oekraïne en dat levert mooie, hier en daar ontroerende bladzijden op. Over een verleden met een cultuur van samenleven dat nu hopeloos verdwenen is.

In 1917 kwam aan het heerlijke leventje van de familie een einde toen de bolsjewiki de macht grepen en het land in chaos, honger en terreur stortten. In 1919, na een oponthoud in (vlucht naar) de Kaukasus, moest de familie Rusland verlaten. Ze zouden er nooit weerkeren. Berooid kwamen ze uiteindelijk in Canada terecht, waar ze een nieuw leven moesten beginnen en met eigen handen, zonder personeel, hun brood moesten verdienen. De auteur schrijft dat hij ‘niet in wortels gelooft’ (289), maar dit belet hem toch niet te graven naar het verleden, niet eens naar zijn eigen biografie, maar naar die van zijn grootouders en overgrootouders. Het is een ontroerend document geworden, zonder al te veel goedkope romantiek, over een leven dat door meer emigranten liefdevol beschreven wordt, zo in Vladimir Nabokovs Speak memory.

De auteur zelf is niet in Rusland, maar in Canada geboren (1947) en kent Rusland dus alleen van horen zeggen, van de steeds weer opgerakelde verhalen van zijn grootouders. Zelf kende hij geen Russisch, ook dat is een typisch verhaal van de tweede generatie émigrés – soms kozen de ouders ervoor hun kinderen geen Russisch bij te brengen om ze zich beter te laten integreren in de cultuur van het land waar ze terechtgekomen waren : ‘Ik had een verleden van tsaristische avonturiers, overlevenden van revoluties, heroïsche ballingen. Maar hoe meer ik hen nodig had, des te sterker werd ook de aandrang om hen te loochenen, om mijn eigen vleugels uit te slaan.’ (33-34)

Terwijl de grootvader zich eerder over alle armoede en rampspoed heen zette, miste de grootmoeder ‘de overvloed van Rusland’, van haar landgoed : ‘Dat was wat ze nog het meest miste in het omheinde en afgebakende Engelse landschap : de uitbundige, dierlijke overvloed van haar geboortegrond, nu in de jaren twintig een geruïneerd, door honger en ziekte geplaagd land.’ (251)

In de familie van Russische Witte emigranten, hevig anti-communistisch en anti-bolsjewistisch, was er natuurlijk een zwart schaap. In de jaren dertig keerde Aleksej Ignatjev uit de emigratie terug naar Rusland, inmiddels de Sovjetunie, waar hij de rang van generaal kreeg en officieren van het Sovjetleger opleidde. In zijn memoires Vijftig jaar onder de wapenen liet hij zich meewarig uit over de grootvader van de auteur, die nu ‘zijn oude dag slijt in armoede en in zijn levensonderhoud voorziet door in het verre Canada zowaar zijn eigen moestuintje te bewerken’ (281).

Het is verdienstelijk van uitgeverij Cossee om de familieherinneringen van Ignatjev weer uit te geven, blijkbaar in een herziene vertaling en een beetje geactualiseerd door de auteur, maar er ligt één smet op de vertaling : de vertalers zijn er zich blijkbaar niet van bewust dat het Russisch een ander alfabet heeft, zodat Russische namen en realia in het Engels anders getranscribeerd worden als in het Nederlands. Het boek krioelt van de monsterlijke transcripties van Russische realia, zo Toeitsjeff i.p.v. Tjoettsjev, Choedofskoi-koor i.p.v. Tsjoedovskoj, Chaliapin i.p.v. Sjaljapin. De vertalers hebben het voortdurend over bolsjevisten, terwijl bij ons altijd gesproken wordt over bolsjewiki. Dat dit nog mogelijk is in een land waar zoveel uitmuntende kenners van het Russisch rondlopen, stemt tot nadenken.

Marleen de Vries. Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland.

Marleen de Vries. Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland. Amsterdam, Balans, 2023, 512 p.

De titel intrigeerde me – geen hoogdravende studie over de nobele XVIIIe eeuw, die Immanuel Kant de eeuw van de Verlichting (‘Zeitalter der Aufklärung’) noemde, maar wel een eeuw die niet verlicht was (we leven niet ’in einem aufgeklärten Zeitalter’, 443), een wel trieste conclusie van dit uitvoerige boek over een turbulente eeuw, die, ook al zijn we het doorgaans vergeten, onze moderne tijd heeft bepaald. Frederik de Grote wist het toen al : ‘bijgeloof, eigenbelang, wraak, verraad, ondankbaarheid zullen tot het einde der tijden zorgen voor bloedige, tragische taferelen, want we worden geleid door hartstocht en maar zelden door de rede.’ (20) Meer dan eens komt aan bod dat Nederland niet alleen in de ban van verlichte ideeën was (zij het ook maar een klein gedeelte van de bevolking), maar dat er ook een ‘sterke antiverlichte beweging’ bestond (80). In tegenstelling tot de katholiek gebleven zuidelijke Nederlanden, werd de Republiek verscheurd door religieuze twisten (tussen hervormden, orthodoxe voetianen, liberale coccejanen, arianen, remonstranten, doopsgezinden, socinianen, Waals gelovigen, lutheranen, anglicanen, katholieken, fijnen, deïsten, labadisten, quakers en atheïsten) (89).

In haar Woord vooraf stelt de auteur dat ze het vooral zal hebben over de mensen zelf, wat ze dachten en waarvan ze droomden. Haar opzet noemt ze impressionistisch en biografisch (11) en dat maakt de sterkte uit van dit voortreffelijke boek. Het niet zo eenvoudige begrip ‘verlicht’ omschrijft ze ook als het midden houdend tussen ‘beschaafd’, ‘vooruitstrevend’, ‘tolerant’, ‘mondig’, ‘bewust en ‘activistisch’ (11), dus toch wel veel parallellen met onze eeuw. En dat terwijl de 18e eeuw ‘een vergeten eeuw’ (13) is, alhoewel we het voortdurend over ‘de erfenis van de Verlichting’ hebben (15).

Het boek bulkt van de intrigerende en geslaagde vergelijkingen. De periodiek terugkerende overstromingen in het land vanaf november deden ‘het horrorscenario van hedendaagse klimaatactivisten in werking treden’ (14). Of zou een doorsnee mens van nu het in de 18e eeuw overleefd hebben, ‘gewend als we zijn aan ons comfortabele leven met een minimum aan angst, onzekerheid en pijn’ (19)? Of ‘achttiende-eeuwers hadden korte lontjes en waren minstens zo driftig, direct en grofgebekt als de hedendaagse Nederlanders die zich anoniem uitleven op de sociale media – botheid is een constante in de Nederlandse cultuur’ (20). Deze ‘ziekte’ zou ook door de strijd tussen organisten en patriotten in de hand zijn gewerkt. Predikanten riepen op tot meer fatsoen (396).

Verrassend is de constatering dat het woord ‘toekomst’ niet bestond vóór de 18e eeuw, pas rond 1780 zou het opgedoken zijn en dat in een eeuw waarvan je verwacht dat ze aan de toekomst werkte, dit geldt ook voor het woord ‘cultuur’.

Het aantal thema’s dat in dit boek aan bod komt, is duizelingwekkend. Het is geen droge opsomming van ideeën of gebeurtenissen, maar een samenhangende geschiedenis van wel en wee van meer dan honderd jaar vaderlandse geschiedenis. Spinoza en de radicale Verlichting komt aan bod, het verdriet van Nederland (niet-protestanten kwamen niet in aanmerking voor bestuursfuncties, Joden kregen synagogen, maar katholieken verscholen zich in catacomben), maar het land kon wel lezen, zij het dan ook meestal alleen de Bijbel. Toeristen waren enthousiast over Nederland (de molens, de polders, de kanalen, de trekschuiten en de grachten, de vrouwen – niet omdat ze mooi waren, maar geweldig konden poetsen). Uitvoerig in dit boek komt ‘Neêrlands Israël’ naar voren als een van de ‘gevaarlijkste plekken van Europa’ (53), waar geschriften die elders (vooral in het katholieke Frankrijk) verboden waren vrij uitgegeven konden worden. Maar absolute vrijheid van meningsuiting was een illusie in de Republiek (136), of je moest in het Latijn schrijven, dan konden maar enkele procenten van de bevolking het lezen. De relatief grote vrijheid verklaart waarom pornografie zo goed als ontbrak in Nederland, terwijl ze in Frankrijk haar gouden tijdperk beleefde (280). Tegen het einde van de eeuw werd gepleit voor wetten tegen het misbruik van de drukpers, helemaal iets anders dan ‘losbandigheid van de drukpers’ (397).

Waar de protestantse Republiek niet tolerant voor was, waren de katholieken. Toneel vonden ze maar ‘paapse poppenkast’ (105). De Republiek was de grootste drukkerij ter wereld waar verboden boeken gedrukt kunnen worden, maar het Vaticaan plaatste ze op de katholieke Index van verboden boeken, ‘doorgaans een garantie voor hoge verkoopcijfers’ (93). De cryptokatholiek Joost van den Vondel zag zijn stukken ofwel niet opgevoerd ofwel in gecensureerde vorm (105). Deze eeuw toonde de macht van de media, de predikanten moesten het met de tijd afleggen tegen de vrijpostigheid van de satirische tijdschriften. Homoseksualiteit werd gezien als een katholieke, Italiaanse zonde (183). In 1778 bezocht de Italiaan Carlo Antonio Pilati Nederland, zijn conclusie over de godsdienst was verpletterend : hoe meer het geloof zich distantieert van het katholieke geloof, hoe meer geluk het produceert (318).

Boeiend is ook het verhaal over het Nederlands dat stilaan de status van cultuurtaal kreeg en het Latijn verdrong, het Nederlands werd de voertaal van een nieuwe culturele elite. De media werden belangrijk en getalenteerde schrijvers brachten leven in de doorgaans saaie kranten als de Amsterdamse Courant, de Oprechte Haarlemsche Courant of de Europische Mercurius. Vooral Jan van Gysen bracht persoonlijke en grappige stukjes, die ook nu nog het lezen waard zijn. De tijdschriften werden moraliserend en satirisch en luidden het begin van cultuurkritiek in : de maatschappij werd nu met humor en spot te lijf gegaan. De beroemdste journalist van Nederland, Jacob Campo Weyerman, had een ‘vileine’ pen en inspireerde mede de titel van dit boek. De auteur merkt terecht op : ‘Ooit was er een wereld zonder tijdschriften, zoals er een wereld zonder auto’s was.’ (159)

De onderwerpen die in dit boek behandeld worden, zijn legio. Het is een fascinerende caleidoscoop van een samenleving in beweging, alles komt aan bod, zowel de Nederlandse boef Cartouche als de beurskrach van 1720, de slavenhandel die de rijke panden in Amsterdam bekostigden, de pruik als symbool van de Verlichting, maar die toch in diskrediet kwam bij vooruitstrevende Verlichters, die zich wilden distantiëren van de bravere geleerden of schrijvers. We leren hier ook dat gevangenen bezoeken gezien werd als een populair uitstapje en de luchtballon als het symbool van de Verlichting.

Het boek staat niet alleen vol van wetenswaardigheden, maar ook van leuke formuleringen. Toen een selfmade geneesheer in Groningen promoveerde in het Nederlands in plaats van het gebruikelijke Latijn, werd hij door collega’s niet ernstig genomen; een Haagse arts merkte op dat Groningen zelfs een ezel nog een academische graad zou geven. Over Belle van Zuylen zegt ze : ‘Was de hyperslimme, vrijdenkende en autonome Van Zuylen in onze eeuw geboren, dan had ze het tot minister of hoogleraar kunnen schoppen’ (274). Voor wie het nog niet genoeg overtuigend is : Belle & C° leefden ‘in een sexy en onbeschaamde eeuw met veel vrijheid’ (278).

Veel aandacht wordt besteed aan de strijd tussen de orangisten en de voorstanders van een republiek. Niet alleen was Nederland als (groot-) macht uitgeteld in de tweede helft van de 18e eeuw, maar ook had het orangisme geen politieke theorie (349). De patriotten daarentegen wel, volgens de gezaghebbende historicus Jonathan Israel ‘de eerste moderne, ideologisch onderbouwde, democratische, revolutionaire beweging’ (369). Het mag verwondering wekken dat de Republiek na het avontuur van de patriotten en de Bataafse Republiek in de 19e eeuw weer overstapte naar een monarchie.

In hoofdstuk 20 maakt de auteur de balans van de eeuw op : ‘Hoeveel Verlichting kan een land aan?’ Immanuel Kant was niet erg enthousiast, na de revolutie stak meteen de gedachte op dat de Verlichting mislukt was. Had het grote denken vrijheid of geluk gebracht? Was er eensgezindheid? De mensen bleven egoïstisch en de Hollanders kooplieden, wars van grote, verheven ideeën. Politiek pessimisme voerde de boventoon. Maar toch had het 18e-eeuwse experiment met democratie iets opgeleverd : mensenrechten, grondwet, scheiding kerk-staat, erkenning van alle godsdiensten, vrijheid van mening, allemaal begrippen en realiteiten die niet meer van de politieke agenda zouden verdwijnen. Maar consensus bleek niet haalbaar, daarvoor had de eeuw te veel vrijheid en scheuringen opgeleverd.

Dit boek is een magistrale studie over het begin van Nederlands moderniteit. Verzorgde en rijke taal, pittig geformuleerd, grote en kleine gebeurtenissen in één perspectief samengebracht, vele onbekende of vergeten figuren van onder het stof gehaald. Het smaakt naar meer. In dit geweldige boek heb ik maar één foutje gevonden. De auteur schrijft dat de Russische tsaar Peter I (de Grote) het Anatomisch Kabinet van Frederik Ruysch opkocht en het liet verschepen naar zijn nieuwe hoofdstad Petrograd (55). Maar de stad van Peter heette Petersburg, overigens op zijn Nederlands ‘Pieterburg’.

Katerina Gordejeva. Neem mijn verdriet weg. Stemmen uit de oorlog.

Katerina Gordejeva. Neem mijn verdriet weg. Stemmen uit de oorlog. Amsterdam, Murrow, 2023, 350 p. Vertaald door Jan Lodewijk Eshuis. Oorspr. titel Унеси ты моё горе.

De auteur is een Russische journaliste die in 2014 Rusland verliet uit protest tegen de annexatie van de Krim. Ze woont nu in Letland, zoals veel gevluchte intellectuelen, en heeft een druk bezocht YouTube-kanaal. Sinds het begin van de oorlog heeft ze talloze interviews afgenomen van vluchtelingen overal in Europa en een schat aan ervaringen en indrukken samengebracht van mensen die vaak het niet met elkaar eens zijn, maar wel allemaal treuren om de ellende die de oorlog heeft aangericht. De Russische titel van het boek – ‘Neem mijn leed met je mee’ – is een citaat uit een lied van de Russische dichter Neledinski-Meletski (1796), dat in het laatste verhaal geciteerd wordt (344).

Het boek is een pretentieloze doorsnede van het leed dat de Russen de Oekraïners hebben aangedaan. Menigeen verwenst de Russen ten eeuwigen dage : ‘… opeens bedenk ik : als er een hel bestaat, dan is die bestemd voor degenen die deze oorlog hebben ontketend’ (18-19). ‘Ik wil dat die soldaten vervloekt zijn. Voor altijd, door iedereen…’ (80) Aan bod komen veel mensen uit steden die ons door de nieuwsberichten vertrouwd zijn geworden : Charkov, Marioepol, Cherson. Marioepol was voor de oorlog een mooie stad (26), nu is er niets van over, volledig in puin. En Donetsk was ‘de een-na-de-mooiste industriestad ter wereld. Na Chicago.’ (92)

Voor iemand lijkt haar leven op de hel : ‘Alleen komen mensen normaal gesproken door hun slechte daden in de hel, maar wij zijn er zomaar in terechtgekomen.’ (46) Moeten we dan vluchten ? De meningen zijn verdeeld, sommigen beschouwen de vertrekkers als lafaards, sommigen beseffen dat niemand op hen zit te wachten in Europa (41). De oorlog, ook als men die overleefd heeft, heeft alles overhoop gegooid : ‘Je lijkt gered, en je kinderen ook. Je bent de bommen ontvlucht. Maar jij bent jezelf niet meer. Je bent geen mens meer, maar een vluchteling. Ik bedoel, dit is vanaf nu je nieuwe identiteit.’ (58) ‘Mijn piepkleine stukje aarde, dat me is afgenomen door Russische soldaten, dat is dan ook mijn Vaderland, ze hebben me daar met wortel en al losgetrokken en nu ben ik hier. En ik kan hier niet aarden, ik wil hier niet aarden.’ (60)

De oorlog heeft de verstandhouding tussen Oekraïners en Russen om zeep geholpen, voor velen voor altijd : ‘Ik weet wel dat veel Oekraïners het nu moeilijk vinden om met Russen te praten en al helemaal om in het Russisch te praten, en daar hebben ze alle recht toe.’ (61) Het veel gehoorde argument van Oekraïners : ‘Ik ben met de Russische taal opgegroeid en opgevoed, we spraken altijd Russisch, maar nu haat ik die taal, het is de taal van de oorlog. En breek me de nek niet open over die Poesjkin van jullie. Misschien zullen we later, over honderden jaren, weer aan jullie Poesjkin denken. Maar voorlopig houden we ons bezig met het begraven van onze kinderen, onze steden en ons leven.’ (160) De Oekraïners begrijpen niet wat de Russen bezielt : ‘… waarom doen jullie ons dit aan ? Ik weet niet wat ik ervan moet denken, ik begrijp niet wat jullie van ons moeten, ik begrijp niet hoe we met jullie om moeten gaan.’ (197) Ook Russen keren zich af van hun landgenoten, hun taal en cultuur : ‘Nu leer ik Oekraïens. Als de oorlog voorbij is, zal ik alleen nog maar Oekraïens praten. Dat is mijn eerbetoon aan het land dat zich niet overgaf en zich niet liet kapotmaken toen jullie het zo achterbaks en laaghartig aanvielen.’ (271)

Meestal blijft de vraag naar het waarom onbeantwoord. ‘Toen ik hoorde dat Russische soldaten ons kwamen bevrijden, was ik, weet je, ongelooflijk verrast. Van wie kwamen ze ons bevrijden ? Toevallig waren we al vrij ! We leefden, hadden lief en spraken in de taal waar we in spraken. Ik had mijn hele leven al Russisch gesproken, nou en ?’ (74) ‘Wie heeft u zo opgevoed, wie heeft het u zo geleerd, waarom doet onze pijn u geen pijn, waarom zijn wij geen mensen ? Waarom zijn jullie al acht jaar bij ons aan het moorden en geloven jullie ons niet ?’ (104) ‘En het belangrijkste was : waar was dat allemaal voor nodig ? Wie hebben ze gered, wie hebben ze blij gemaakt ?’ (146) ‘Op welke manier hebben we ons dit op de hals gehaald ? Charkiv is altijd een Russischtalige stad geweest, maar ik weet dat Charkiv Oekraïne is.’ (196) ‘Jullie kwamen, verwoestten mijn leven, bevrijdden ons van mijn huis, van mijn man en van mijn geluk. Bedankt, bevrijders. Wees allemaal vervloekt.’ (244) Iemand zegt tegen de interviewende Gordejeva : ‘Als u correspondent bent, vraag ze dan waar ze in godsnaam mee bezig zijn, en of het überhaupt wel… mensen zijn.’ (336) Of ‘Waarmee zijn ze gedrogeerd, wat is er in hen kapotgemaakt dat ze gewone mensen zo haten ? Ik weet niet wat voor mensen dat zijn en waarom ze zo zijn.’ (101) ‘Lijken, smerigheid, vernieling en haat – dat is wat hun “Russische wereld” ons bracht.’ (139)

Het boek van Gordejeva is een adembenemend getuigenis over onzinnig, onverdiend, onmenselijk leed dat een “broedervolk” de Oekraïners heeft aangedaan. De beste straf voor de aanstoker van dit alles lijkt me de volgende: elke avond op de Russische televisie in primetime een hoofdstuk voorlezen uit dit boek.

Pages