Recensies

Laura Starink. Post uit Rusland 1972-2020

Laura Starink. Post uit Rusland 1972-2020. Amsterdam-Antwerpen, Augustus-Atlas Contact, 2020, 368 p. ISBN 978 90 450 3938 1.

Hoe schrijf je in godsnaam over het Rusland van vandaag? Je verzuipt in het land en in de informatie erover, je hebt geen houvast meer door de desinformatie van de Russische overheid. Een hachelijke onderneming. De Nederlandse journaliste Laura Starink slaagt daar wonderwel in. Je kunt haar benijden om haar vlotte pen en de persoonlijke benadering van de problemen en de mensen waar ze mee te maken krijgt. Voorbeeldige journalistiek. Leesbaar, genietbaar en toegankelijk, ook voor wie het land niet (zo) goed kent. Geen enkele bewering wordt zomaar uit de losse pols geschud.

Laura Starink is een Nederlandse slaviste (° 1954) die met kennis van zaken spreekt en alle fenomenen die ze tegenkomt, bespreekt vanuit haar kennis van de taal, cultuur en geschiedenis van Rusland. Boeiend is dat ze vijftig jaar ‘Ruslandvaren’ bespreekt en haar ervaringen in Leningrad als jonge studente slavistiek vergelijkt met die van de jaren 2000 en de laatste jaren. Haar laatste item dateert van januari 2020: de poging van huidig president Poetin om zijn invloed op het beleid nadat hij president af zal zijn veilig te stellen.

Met één bewering van de auteur ben ik het niet eens: dat iedereen – in Oost en West ‘ervan overtuigd was dat de Sovjet-Unie het eeuwige leven had’ (140). Ik voel me een lotgenoot en tijdgenoot van Laura Starink – ik heb zelf in de vroege jaren zeventig slavistiek gestudeerd (KUL en Bonn) en heb me altijd geïnteresseerd voor het politieke aspect van Rusland, maar ik was er in de vroege jaren tachtig wel van overtuigd dat het Sovjetregime ooit zou instorten. Wanneer, dat durfde ik niet te voorspellen, maar dat het zou gebeuren, stond voor mij vast. Natuurlijk werd ik daarom scheef bekeken door collega’s die me maar een communistenvreter vonden. Toen ik in november 1978 in Leningrad – uit nieuwsgierigheid – over de Nevski Prospekt meeliep in de optocht voor de herdenking van de Oktoberrevolutie (1917) hoorde ik jonge mensen schamper fluisteren ‘De Russische Revolutie is zestig jaar oud, tijd dat ze met pensioen gaat!’ Ook de vaak gehoorde verwijten aan het adres van westerse sovjetologen of kremlinwatchers dat ze de instorting van het communistische regime niet hadden zien aankomen, vind ik misplaatst. Ook nu weet niemand waar de éénpartijdemocratie of de ‘informatie-autocratie’ (307) van Poetin op zal uitlopen. Laura Starink bezondigt zich niet aan profetieën, maar schetst een gevarieerd beeld van het Rusland de dag van vandaag, zonder flauwekul (‘als de Russische ziel’, 181), zonder goed te praten of paternalistisch te doen. Het is een warm document over het land waar ze haar hele leven mee bezig is geweest en het brengt verhelderende inzichten. ‘Rusland is voor mij het drama van de geschiedenis, de uitgestrektheid van de toendra en tajga, het contrast tussen de warmte in vriendschappen en het Siberische koudefront van de harde overheid, exuberantie naast slaafse onderworpenheid, de poëzie van de Russische taal tegenover het Orwelliaanse jargon van de machthebbers en nog veel meer. Saai is het nooit.’ (18)

Het boek begint en eindigt in een dorpje ver weg van de hoofdstad. Het heet Glazok (= oogje, maar ook spionnetje, kijkgaatje) en biedt ongewild een verhelderende inkijk in de rest van Rusland, in het bijzonder de hoofdstad, die niet representatief is voor het hele land. Vanuit het plattelandsdorpje met zijn krakkemikkige infrastructuur, versleten cultuurhuis, maar wel met enkele enthousiaste leraren die de grootstad achter zich hebben gelaten om de leeglopende dorpen wat onderwijs en cultuur bij te brengen. Het is een geslaagde invalshoek van de auteur die hiermee ook bewijst het land te kennen en niet bang te zijn om zich buiten de kantoren van de grote buitenlandse kranten en de diplomatenrecepties te wagen.

De Sovjetunie, waar Laura Starink haar kennismaking met het land begonnen is – in de jaren zeventig – komt uitvoerig aan bod. Het beeld is niet erg rooskleurig. ‘Het was een maatschappij met twee gezichten: warm, vriendelijk, humoristisch en gul in de beslotenheid van keuken en vriendenkring; kil, gesloten, formeel en huichelachtig in de buitenwereld. Mensen waren van nature op hun hoede’ (14-15). Veel gespreksgenoten van Starink leggen er wel de nadruk op dat ze heimwee hebben naar de ‘geborgenheid van het communisme, toen was er werk en saamhorigheid’ (28), wat niet betekent dat vroeger alles beter was (31), een bewering die maar door weinigen gedeeld wordt. Hier en daar worden tentoonstellingen georganiseerd of cabaretavonden ingelegd waar met nostalgie wordt teruggekeken op de ‘jarenvijftigknusheid’ (109) of de rust van de jaren zestig en zeventig (de zgn. ‘stagnatie’). De staatstelevisie speelt aardig in op deze trend en toont aan de lopende band de klassieke films van de naoorlogse periode.

Iemand vertelt wat voor haar communisme betekende: ‘het was innerlijk patriottisme’ (54). In de Brezjnevjaren had Starink veel contact met Russen en stond er versteld van dat haar vrienden ‘stijfstonden van de literaire citaten’ en haar bekeken als een ‘oppervlakkige culturele consument uit het Westen’ (103). Vaak kreeg ze het verwijt te horen dat westerlingen Rusland niet begrijpen (184), maar sommigen verklaren dat dan ook door de irrationele politiek, de onvoorspelbaarheid ‘die mensen altijd op hun hoede doet zijn’ (131). Ook de gespletenheid was een vast onderdeel van het alledaagse leven: ‘Er was een binnentaal, voor vrienden, en een buitentaal, voor het openbare leven’ (142). In haar studenten- en journalistentijd heeft ze veel contact gehad met dissidenten en wat weleens ‘de binnenlandse emigratie’ (114) wordt genoemd: kritisch denkende intellectuelen die het land niet verlieten, maar zich vreemd voelden in de totalitaire samenleving en zich terugtrokken in het cocon van ‘hun brein en hun kleine vriendenkring’ (174).

Dit alles maakte er het begrip voor of het inlevingsvermorgen in dit gesloten land niet gemakkelijker op. Ook nu is de verhouding met het Westen gespannen en wordt op de staatstelevisie een uitgesproken antiwesters discours gevoerd. We heten niet meer Europa, maar ‘Gayropa’ (129), de hervormingsgezinden worden uitgescholden voor ‘liberasty’ (liberale pederasten) (137). Daar staat tegenover dat de antiwesterse hysterie en de kortzichtige ideologie de creatieve mensen het land uit jaagt (218), recht in de armen van dat gehate Westen (met zijn homohuwelijken en emigrantenstromen).

Jef Last. Het eerste schip op de Newa.

Jef Last. Het eerste schip op de Newa. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1945, 278 p.

In 1945 publiceerde de bekende Nederlandse schrijver Jef Last de roman Het eerste schip op de Newa.[1] Het boek vertelt de geschiedenis van de eenvoudige Friese jongen Auke Wybes, ‘een stille, flink uit de kluiten gewassen, misschien iets te teerhartige jongen. En niet zo’n klein beetje verliefd’ (18). Verliefd is hij op Romkje Kommerts, de dochter van de burgemeester van het Friese stadje Hindeloopen. Een onmogelijke liefde dus, temeer daar de twee kinderen een verschillend geloof aanhangen. Zij is gereformeerd, hij doopsgezind. Als de opvliegende Auke zich bovendien onmogelijk maakt door een uit de hand gelopen vechtpartij, moet hij het stadje verlaten en trekt hij naar Amsterdam waar hij in de leer gaat bij de matrozen en scheepsbouwers van de Oost-Indische Compagnie.

In de grote handelsmetropool hoort hij verbazingwekkende verhalen over de tsaar van Rusland. Er doen wilde verhalen de ronde over ‘de czaar aller Russen’ die ‘in een ordinaire herberg te Archangel aan één tafel’ had gezeten met Hollandse matrozen en die vodka zoop ‘uit de hals van één en dezelfde fles die rondging’ (38). Een Zaandamse schipper beweert:

Ik heb de czaar heel goed gezien, want hij stapte bijna vlak voor me uit zijn boeier, en later moest hij telkens bij ons langs, als hij uit het achterhuisje, dat hij van Gerrit Kist, de smid, gehuurd had, naar de werf wou. Het is een machtig grote kerel, die wel een hoofd boven zijn maats uitsteekt, al zijn dat ook geen kleintjes, en met een gezicht dat prettig genoeg zou zijn, als het niet telkens door een soort stuiptrekking van drift ontsierd werd. De mensen gaven hem daar trouwens aanleiding genoeg toe, want waar hij zich maar even vertoonde, verdrongen ze zich, dat er geen doorkomen meer aan was en het was een gewoel en geschreeuw van kleine kinderen, die onder de voet gelopen werden. Dat is ook de reden, dat hij maar een week in Zaandam is gebleven. Het was ergerlijk zoveel belangstelling voor een sterfelijk mens te zien (…) door God als heerser over miljoenen gesteld die zijn driften op zulke ogenblikken zo weinig wist te beheersen.’ (39-40).

Iemand die hem gezien heeft, oordeelt: ‘In zijn manieren ruw als een poldergast, een zuiplap zonder mate, een bruut die zich tussen de bekkesnijders op onze kermissen op zijn gemak zou voelen – en toch gaat er iets van hem uit waardoor men hem onmogelijk een zekere sympathie kan onthouden.’ (41-42) en ‘Hoewel een vorst, maakt hij niet het geringste onderscheid tussen edelen of mensen van geringe afkomst, tussen rijken of armen, ja, hij trekt het gezelschap van de laatsten voor, omdat hij zich met hen, zonder plichtplegingen, menselijker kan onderhouden. Bekwaamheid, ijver en deugd schat hij hoger dan het schoonste blazoen of de dikste buidel, en men zegt dat hij in zijn land voormalige lijfeigenen tot de hoogste posten en tot zijn voornaamste vrienden heeft verheven.’ (42)

Anton Kruft. Rusland, Oekraïne en de Krim.

Anton Kruft. Rusland, Oekraïne en de Krim. Historische wortels van een conflict. Soesterberg, Aspekt, 2016, 217 p. ISBN 978-94-6153-731-7.

In Nederland is de anti-Russische stemming groot. De gebeurtenissen in Oekraïne – het bloedbad op de Majdan, de oorlog in Oost-Oekraïne en de annexatie van de Krim in 2014 – hebben de relaties definitief (?) verzuurd. Vooralsnog lijkt er geen compromis mogelijk, de vredesonderhandelingen met Macron, Merkel en Poetin leveren niets op, volgens velen is de situatie uitzichtloos en wordt Oekraïne en of de Krim een ‘bevroren conflict’, een strategie waarin Rusland sterk is: een probleem niet oplossen, op de lange baan schuiven, tot men het beu wordt en moe gepraat tot toegevingen bereid is. Een andere, meer cynische verklaring voor deze strategie is dat Rusland het probleem niet wíl oplossen, daardoor een conflict levendig houdt en voortdurend kan terugvallen op de angst voor externe ‘vijanden’.

De Nederlandse historicus en econoom Anton Kruft heeft een poging ondernomen om ‘de historische wortels’ van dit conflict in kaart te brengen. Dat is zeker geen gemakkelijke taak, vooral omdat de beeldvorming van de twee (drie) betrokken landen over de betwiste gebieden niet met elkaar te verzoenen valt.

Lien Verpoest (red.). Rusland, onveranderlijk anders?

Lien Verpoest (red.). Rusland, onveranderlijk anders? Russische identiteit in politiek, cultuur en geschiedenis. Leuven Universitaire Pers, 2019, 175 p. ISBN 978 94 6270 201 1

Eindelijk eens een boek over Rusland dat geen Poetin-boek is. Rusland is immers wel iets meer dan de figuur van deze ene man. Het is trouwens de vraag of hij de dag van vandaag nog wel nummer één is. Steeds meer stemmen (insiders) zeggen dat hij vecht tegen de bierkaai, dat hij staat te roepen (bv. tegen corruptie), maar dat niemand luistert, laat staan hem volgt, dat zijn bevelen niet opgevolgd worden. Een verademing dus – een boek dat niet over de eenzame man in het Kremlin gaat.

Lien Verpoest, hoofddocent geschiedenis aan de KU Leuven en slavist-politicoloog van opleiding, heeft zeven mensen samengebracht die zich buigen over de vraag of Rusland nu echt anders is dan het Westen en zelfs ‘onveranderlijk’ anders? De titel van haar boek herinnert me aan de door sovjetologen dikwijls gestelde vraag of het beleid van de Sovjetunie revolutie of traditie betekende. Wat overwoog in de binnen- en buitenlandse politiek van de Sovjetunie: het nieuwe, het experimentele, het sociale en politieke experiment, of de traditie, het terugvallen op attitudes uit de tsarentijd?

Verpoest begint met te stellen dat Rusland altijd ‘de andere’ geweest is, een duidelijk voorbeeld is het invloedrijke boek La Russie en 1839 van de Franse aristocraat de Custine. De Custine vertrok naar Rusland als monarchist en tegenstander van de Franse Revolutie om er argumenten voor zijn politiek credo te vinden, maar kwam terug als overtuigd voorstander van westerse democratie en parlementarisme. Een ander etiket dat op het land geplakt wordt, is dat het een volk van slaven is (vroeger werd weleens het flauwe grapje gebruikt ‘Slaven zijn slaven’, een grafische woordspeling die trouwens alleen in het Nederlands kan). The Slave Soul of Russia van Daniel Rancour-Laferrière (1995) verwoordt dat het hevigst: Russen willen gedomineerd worden, het zijn masochisten. En Larry Wolff zet in zijn boeiende boek Inventing Eastern Europe (1994) uiteen hoe het begrip Oost-Europa in de eeuw der verlichting ontstond als tegenwicht voor het concept West-Europa, waarbij het laatste natuurlijk beter, ontwikkelder en verfijnder was dan het Oosten. De geschiedenis van de 19e en 20e eeuw – Nicolaas I, neerslaan van de Poolse opstand, lijfeigenschap, censuur, Siberië, revolutie, burgeroorlog, terreur, dissidenten - heeft aan dit beeld niets veranderd, maar alleen versterkt.

Bovendien is Rusland sinds de hervormingen van Peter de Grote (eind 17e-begin 18e eeuw) altijd gezien als de leerling, de vlijtige, brave leerling die de voorbeelden, de recepten, de ‘richtlijnen’ van de westerse leermeester overneemt. Sinds Tsjaadajev in 1836 zijn Filosofische Brief publiceerde en stelde dat de enige weg voor Rusland om beschaafd te worden de aansluiting bij het Westen, meer bepaald het katholicisme is, is de tweespalt tussen slavofielen (voorstanders van een Russische way of life) en zapadniki (westerlingen) niet meer weg te denken uit het intellectuele discours van Russische intellectuelen en politici. Pas de laatste decennia begint men te denken aan een derde weg, los van de twee voorgaande, de osobyj poetj of Sonderweg.

Na de catastrofale jaren negentig – zeg maar de jaren van banditisme en leegplunderen van ’s lands rijkdom door enkele tientallen oligarchen – ontstond het besef dat Rusland niet meer hoeft te rekenen op het Westen, dat toch maar zijn eigen belangen nastreeft, en beter kan inzetten op eigen krachten, op een eigen weg, die niet langer gedicteerd zal worden door westerse ‘betweters’. Voor sommigen waren de Amerikaanse en westerse sancties na 2014 een zegen voor Rusland: eindelijk moest het land nu eens zijn eigen landbouw gaan ontwikkelen (voor een keer kreeg Zjoeganov van de Communistische Partij van de Russische Federatie gelijk).

In het goed gedocumenteerde eerste hoofdstuk van Lien Verpoest kun je de verschillende stadia nalezen die tussen 1991 en 2019 doorlopen zijn, hoe het land van gehoorzame volgzaamheid is geëvolueerd naar opstandig afhaken, balorig protest tegen betutteling door het Westen. Tegenover de waarden die het Westen verdedigt in zijn contacten met Rusland, stelt Rusland zijn eigen waarden, waarbij m.i. nooit echt goed uiteengezet wordt wat die waarden eigenlijk zijn? Behoren lijfeigenschap, dictatuur, angst en verklikken tot die echt Russische waarden? Russische politici hameren op soevereiniteit, in naam daarvan zou het land recht hebben op zelfbeschikking en niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden (24) – meteen wordt al dat westerse gekanker over mensenrechten en kortwieken van democratie verworpen. Tegenover de bemoeienis van westerse landen stellen ze de ‘spirituele’ (doechovnye) waarden van de Russische wereld: het belang van traditie, natie en staat (26). In dit opzicht is Poetin en zijn gevolg eigenlijk niet origineel: de antiwesterse houding van het Kremlin is niet ontstaan of uitgevonden na 2014, toen Rusland begreep dat het Westen toch geen bakzeil zou halen en de annexatie van de Krim en de oorlog in Oost-Oekraïne toch nooit zou goedkeuren, maar is eigenlijk overgeërfd van rechtse nationalisten en communisten van tijdens het Sovjetregime (26). Verpoest stelt terecht dat het minderwaardigheidscomplex van Rusland in 1991 – wij hebben gefaald, wij zijn de verliezers, het kapitalisme doet het beter – omgeslagen in een superioriteitsgevoel (27). Ook dit is niet nieuw – eigenlijk is het een verwoording van Dostojevski’s messianistische visie dat Rusland de wereld iets te vertellen had, iets wat de wereld zou veranderen, verbeteren en bevrijden. De bekende Nederlandse slavist Karel van het Reve vroeg zich sarcastisch af wanneer dat bevrijdende woord van Rusland nu eindelijk gesproken zou worden. Het gevolg van dit alles is dat Rusland nog alleen ‘welwillende kritiek’ (28) aanvaardt en kritiek op Rusland beschouwt als een aanval op het land, als inmenging in binnenlandse aangelegenheden en als samenzwering.

De kernwoorden zijn nu traditie en patriottisme. De vraag is natuurlijk welke traditie dan in ere moet worden gehouden (verbanning naar Siberië, Goelag, volgzaamheid?) en wat een patriot is? In de 18e eeuw al publiceerde de maatschappijcriticus Aleksandr Radisjtsjev een Gesprek over wat een zoon des vaderlands is. Ik denk dat het nu niet meer publicabel zou zijn.

In de volgende hoofstukken worden verschillende facetten van dat anders-zijn van Rusland in de verf gezet. Pure verschrikking is het stuk van de Amsterdamse historicus Marc Jansen over de prijs die het Russische volk heeft moeten betalen om een niet-realiseerbare utopie te verwezenlijken – die van een klasseloze, rechtvaardige maatschappij. Tientallen miljoenen mensen zijn voor de bijl gegaan in een sociaal en politiek experiment dat uiteindelijk niet bleek te deugen en in 1991 ten grave is gedragen. Het stuk is niet zo horror als het ijzingwekkende boek De bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin van Timothy Snyder over de verschrikkingen die Oost-Europa tussen 1939 en 1949 heeft meegemaakt, maar het blijft slikken bij alles wat de Sovjets hun volk hebben aangedaan en waarvoor ze zich nooit verontschuldigd hebben (bv. tegenover de Oekraïeners of Balten). Ook hier moet ik terugdenken aan dat beroemde verhaal van Dostojevski over het kindertraantje: een van zijn romanpersonages zegt - indien het toekomstige geluk van de mensheid gebaseerd zou zijn op één enkel kindertraantje, dan hoef ik dat geluk van u niet. Eén kindertraantje versus tientallen miljoenen slachtoffers van gekraakte en moegetergde burgers.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de autoriteiten het niet meer hebben over de Stalinterreur, over het verraad van Lenin (die met Duits geld de revolutie predikte), over de godsdienstvervolging, de verwoesting van het cultureel erfgoed, maar over de Tweede Wereldoorlog, die ze de Grote Vaderlandse Oorlog noemen, het enige thema waarover alles Russen het eens zijn, het enige onderwerp waarover geen ruzie gemaakt wordt, al kan er heel wat gezegd worden (en wordt er angstvallig gezwegen) over de medeverantwoordelijkheid van Stalin voor het debacle van WO II. Maar dat alles wordt onder de tafel geveegd, ten gunste van het hoera-verhaal over de overwinning op het nazisme (de Russen gebruiken nog altijd de weinig correcte benaming ‘fascisme’ en weigeren halsstarrig het correcte begrip ‘nationaalsocialisme’ te gebruiken, natuurlijk omdat er het woord socialisme in zit en daardoor parallellen met het Sovjetssocialisme gelegd zouden kunnen worden).

In zijn boeiend stuk over de wereld van de muziek in de Sovjetunie maakt Francis Maes, hoogleraar musicologie aan de universiteit van Gent, duidelijk dat de grote componisten – met name Sjostakovitsj – niet alleen jaknikkers waren die slaafs de bevelen van hogerhand uitvoerden, maar vrije, creatieve, onafhankelijke geesten die zich veel konden veroorloven en binnen het kader van het ‘socialistisch realisme’ belangrijke werken konden maken. Het verschil met de precaire situatie van de literatuur in de Sovjettijd springt hier wel in het oog. Sjostakovitsj was m.a.w. ‘zowel slachtoffer als begunstigde van het systeem’ (49). Boeiend is ook dat Maes benadrukt dat muzikanten een hele cultuur van regels-omzeilen gebruikten. ‘Musici waren opmerkelijk beter af dan schrijvers of toneelregisseurs’ (61). Misschien heeft ook een rol gespeeld dat Stalin veel las, maar zich in de muziek opvallend afzijdig hield (62). De conclusie van Maes is duidelijk: de muziek van Sjostakovitsj ‘heeft de Sovjetgeschiedenis op superieure wijze overstegen’ (70).

Aleksandr Poesjkin. Paardje-Bochelaartje / Конёк-Горбунок

Aleksandr Poesjkin. Paardje-Bochelaartje / Конёк-Горбунок. Amsterdam, Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, 2019, 206 p. Vert. en toegelicht door Robbert-Jan Henkes. ISBN 978 90 6143 460 3 (Slavische Cahiers 35)

Elk kind in Rusland kent het sprookje Het gebochelde Paardje van Pjotr Jersjov, dat in Rusland - door toedoen van Poesjkin – verscheen in 1834. Het is een schat van een sprookje en bevat veel motieven en zegswijzen die we ook uit andere sprookjes kennen, o.a. de vader (koning of boer) die drie zonen heeft, waarvan er twee denken dat ze knap en handig zijn en vinden dat de derde, de jongste, een mislukkeling is. Het leuke van het sprookje is dat uitgerekend deze ‘domme Ivan’ (Ivan-doerak), die door zijn broers niet ernstig wordt genomen, dingen gedaan krijgt waarvan de veel slimmere broers alleen maar kunnen dromen. En er komt nog een trek bij die Russen zo sympathiek vinden: hij doet alles verkeerd, zit in zijn neus te peuteren, hij is een echte prutser die alles verknoeit, maar die precies dankzij zijn onwetendheid en onhandigheid erin slaagt te bereiken wat hij wil, zonder er moeite voor te hoeven doen. Er is altijd wel een wonderbaarlijk iemand (meestal een dier, bv. een snoek) die hem uit de nood helpt en wonderen weet te verrichten. Dit alles is de Rus naar het hart gegrepen: zelf niet te veel doen - een suikertante, een tovenaar zal het wel voor jou opknappen.

Zo’n verhaal krijgen we ook in het “gebochelde paardje”. Door zich goed en vriendelijk op te stellen jegens dieren, kan Ivan-doerak alles gedaan krijgen wat door mensenhand niet te verwezenlijken valt. Hij overwint alle hindernissen en trouwt uiteindelijk met de mooie prinses die eigenlijk voor de tsaar bestemd was.

Pages