Recensies

Voltaire. Vol’ter. Istorija rossijskoj imperii pri Petre Velikom.

Voltaire. Vol’ter. Istorija rossijskoj imperii pri Petre Velikom. Sint-Petersburg, Nestor-Istorija, 2022, 376 p. ISBN 978-5-4469-2082-2. (Voltaire. Histoire de la Russie sous Pierre le Grand)

De Franse denker Voltaire had een speciale voorliefde voor Rusland. Dat kwam door de figuur van Peter I (de Grote) die in zijn ogen belangrijke dingen had gedaan die voor een Verlichter van fundamenteel belang waren : breken met het verleden en met de macht van de kerk, invoeren van hervormingen op westerse leest, tolerantie inzake godsdienst. In de figuur van Peter de Grote zag hij al de eigenschappen belichaamd die hij voor een verlichte vorst nodig achtte.

Hij heeft in drie werken over Peter geschreven : Histoire de Charles XII, Anecdotes sur le czar Pierre le Grand en uiteindelijk in zijn opus magnum Histoire de l’empire de Russie sous Pierre le Grand (1760-1763).

Poesjkin was erg te spreken over Voltaire : hij zou ‘de fakkel van de filosofie in de duistere archieven van de geschiedenis’ hebben gebracht, voor een kind van de Verlichting beslist een positieve evaluatie. Voor zijn geschiedenis van Peter de Grote kreeg Voltaire de opdracht (bestelling) van het Russische hof in 1757, in 1759 verscheen het eerste deel, in 1763 het tweede. Het werk riep meteen een levendige polemiek onder de tijdgenoten op en het werd het wellicht bekendste werk van de Franse Ruslandstudie in de 18e eeuw. Ook de 19e-eeuwse Peterkenner Oestrjalov was vernietigend. Maar desalniettemin heeft dit ‘klassieke werk van de verlichte geschiedschrijving van de XVIIIe eeuw’ (5) de aandacht van Russische historici en westerse Ruslandkenners gaande gehouden, getuige deze indrukwekkende uitgave. Ze bevat de volledige vertaling van Voltaires hoofdwerk met uitvoerig commentaar. Voor de noodzakelijke toelichting bij Voltaires werk konden de Russische uitgevers terugvallen op de zeer uitvoerige studie van de Fransman Michel Mervaud in de Oeuvres Complètes de Voltaire (1999, vol. 46-47). We kunnen er niet omheen kijken dat in Voltaires werk heel wat fouten te vinden zijn, waarop ook al door tijdgenoten gewezen werd en die door de Russische correspondenten van de Franse ‘philosophe’ rechtgezet werden. Een deel van die bezwaren heeft Voltaire verwerkt in nieuwe uitgaven, maar sommige heeft hij verworpen en soms nogal arrogant van de hand gewezen. In totaal kreeg hij 500 aanmerkingen, van de door de Russen aangestipte feitelijke fouten verbeterde hij er 27, 63 liet hij onaangeroerd, in deel II bracht hij 68 correcties aan van de 179 opmerkingen. Interessant is dat de animositeit of zelfs vijandigheid van de Russische geleerden jegens Voltaires voornemen al begon nog voor de Fransman zich aan het schrijven had gezet. Een bekend fenomeen dus – alleen een Rus kan de geschiedenis van Rusland schrijven. Dat heeft natuurlijk de welwillendheid van Russische historici niet in de hand gewerkt. De publicatie van Sergej Mezin en Michail Kovaljov, die deze geschiedenis van uitvoerig commentaar en een indrukwekkende inleiding voorzien hebben, is een poging om Voltaire voor de hedendaagse lezer te rehabiliteren : hij heeft stommiteiten begaan in zijn boek over Peter, maar het heeft ook een grote verdienste als filosofisch geïnspireerde historiografie, waarbij niet altijd (of alleen) de feiten van belang zijn, maar ook de interpretatie ervan, de selectie, in de mate dat de geselecteerde onderwerpen passen in het filosofische concept van de verlichte geschiedschrijver.

Voltaire had het duidelijk voor Peter en vond hem een groter man dan de Zweedse koning Karel XII, zijn tegenspeler. Hij stelt dat hij zijn fouten niet ‘zal verhelen, maar ik zal ophemelen niet alleen wat hij aan groots en moois heeft gedaan, maar ook dat wat hij wilde doen’ (8). Dus een bewuste idealisering van het beeld van de tsaar-hervormer. Groot vindt hij Peter omdat hij de naam ‘de Grote’ verdiend heeft niet dankzij zijn overwinningen (zoals Karel XII), maar door zijn hervormingen ten gunste van Rusland. Voor hem was Peter de ‘belichaming van de vooruitgang’, ‘de held van de wereldgeschiedenis die de mensheid uit de tijd van de barbarij haalde’ (11). Peter was de verlichte vorst-hervormer die tegenover zijn eigen onwetend volk stond (32-33). Het zal niet verwonderen dat de opdrachtgevers – de keizerin Elisabet (de dochter van Peter I) en haar gunsteling Ivan Sjoevalov – te spreken waren over Voltaires aanpak. Sjoevalov liet hem weten : ‘Uw pen is een leger waard.’ (22) Voltaire verdedigde zich door te stellen dat het idee om het boek te schrijven hem ‘niet ingegeven was vanuit Rusland, maar gegroeid was vanuit zijn eigen geschiedfilosofische zoektocht en literaire interesse’ (22). De uitgever noemt het conflict ‘de tegenstelling tussen de filosoof en de geleerde’ (29) en Voltaire was duidelijk geen kamergeleerde (31), in al zijn geschriften legde hij meer de nadruk op de literaire kant van zijn werk dan op informatie over zijn bronnen.

Mezin en Kovaljov onderstrepen dat er in Voltaires behandeling van Peter nogal wat overdrijving zit en, wat zij noemen, ‘verlicht antihistorisme’ (40). ‘Het onbegrensde geloof van de Verlichters in de vooruitgang bracht een nieuw soort religie voort, die nood had aan eigen heiligen (Peter de Grote) en aan wonderen (het scheppen van een nieuw Rusland)’ ; ze stellen ook dat ‘de prijs van de vooruitgang ten koste van honderdduizenden mensen voor Voltaire niet buitengewoon leek’ (40). In zijn boek over de Franse ‘philosophes’ van de XVIIIe eeuw en Rusland stelt Albert Lortholary dat Voltaires boek over Peter niet zozeer een historische studie is, als wel het uitwerken van een mythe (40). Voor de Franse historicus was Rusland een proefveld waarop een gigantisch historisch experiment werd uitgeprobeerd – ‘door de wil en het verstand van één man werd een nieuwe geciviliseerde natie’ tot stand gebracht (39). Voor hem is Peter de schepper, de demiurg (50). Om dat aspect dik in de verf te zetten, moest Voltaire de aandacht van de lezer afleiden van de menselijke zwakheden van zijn held (54), die worden niet verzwegen, maar krijgen niet de grootste aandacht. Het kleine wordt geminimaliseerd ten gunste van het grote…(53) Een goed voorbeeld daarvan is de tragedie met zijn zoon Aleksej, de troonopvolger die geen belangstelling had voor het werk, de plannen en de ambities van zijn vader, en daardoor in conflict raakte met de autocratische tsaar (67). Voltaire besefte heel goed over wie hij schreef, toen hij in 1760 aan iemand bekende : ‘Indien de tsaar nog zou leven, zou ik honderd mijl ver weglopen om niet in de buurt van deze centaur te zijn, voor de helft mens en voor de helft paard, die zoveel mensen te gronde heeft gericht voor zijn plezier, terwijl hij tegelijkertijd de anderen beschaving bijbracht’ (53). De kwintessens van Voltaires Peter-beeld schetst hijzelf : ‘Europa heeft erkend dat hij van roem hield, maar ze voor het goede doel heeft ingezet, dat zijn tekorten nooit zijn grote trekken minimaliseren, dat hij als mens zijn keerzijden heeft, maar dat hij als monarch altijd groot was. Dat hij in alles de natuur overwonnen heeft – in zijn onderdanen, in zichzelf, te land en ter zee, maar dat hij ze overwonnen heeft om ze te verbeteren. De kunsten die hij met eigen handen overbracht naar de landen die toen aanzienlijk wild waren, brachten vruchten voort, getuigen van zijn genie en hebben zijn nagedachtenis vereeuwigd.’ (55) Met dit alles was Peter voor de Franse Verlichter toch niet het ideaal van de verlichte monarch, omdat hij een despoot was, en een ‘verlicht despoot’ was niet acceptabel voor een filosoof (55).

Behalve de volledige vertaling van Voltaires werk bevat deze uitgave ook een uitvoerige inleiding (1-92), waarin Mezin en Kovaljov gedetailleerd ingaan op alle mogelijke aspecten die met dit invloedrijke werk te maken hebben : de jarenlange occupatie van de Verlichter met de intrigerende figuur van Peter, de polemiek met Russische wetenschappers (Lomonosov, Miller), de bronnen voor zijn werk, Russische archiefstukken die voor hem vertaald werden, Voltaire over het pre-petrinische Rusland, oorlog en diplomatie van Peters in Voltaires ogen, de tragedie met zijn zoon Aleksej, de reacties van tijdgenoten, historici over dit boek en tenslotte ‘de lange weg naar de Russische lezer’, de eerste volledige vertaling, eveneens van de hand van Sergej Mezin. Mezin is een dixhuitièmist in hart en nieren, met interessante studies over Peter I in Frankrijk (2022) en Diderot en de Russische beschaving (2018), die hier op een indrukwekkende manier blijk geeft van zijn vertrouwdheid met het onderwerp, dat hij leesbaar brengt.

De auteurs hebben het wel nagelaten parallellen te trekken met het heden. Zo verwijzen ze naar de eerste gedetailleerde studie over Voltaires boek van de hand van de Russische emigrant Jevgeni Sjmoerlo, gepubliceerd in Praag in 1929 en dat in een miserabele oplage, terwijl dit boek ook maar op 300 ex. is gedrukt ! Niet gebruikt is ook het citaat van Voltaire dat er ‘ongetwijfeld geen monarch te vinden zou zijn die het leven van Karel XII leest en niet genezen zou raken van de waanzinnige manie om te veroveren.’ (6), een prachtige uitspraak die aantoont dat ofwel Voltaire geen gelijk heeft ofwel Poetin het boek niet gelezen heeft. Van actuele betekenis is ook de conclusie van Voltaire over het leven van de Zweedse koning : ‘Zijn leven moet dienen als lering voor de heersers dat vreedzaam bestuur gelukkiger en groter is dan dergelijke roem.’ (10) Aan de huidige heerser in Rusland, die volgens de minister van Buitenlandse Zaken Lavrov maar drie adviseurs heeft – Peter de Grote, Ivan de Verschrikkelijke en Catherina de Grote – is deze wijsheid niet besteed. De auteurs stellen dat Voltaire zich in zijn Geschiedenis van Ruslandonder Peter de Grote tot doel stelde Peter I in al zijn grootheid te laten zien, zonder te focussen op zijn tekorten en fouten (53). Hetzelfde kan gezegd worden van heel wat 20e-eeuwse fellow travellers die op alle mogelijke manier proberen de verdiensten van Stalin in de verf te zetten. Heeft de mensheid dan toch niets geleerd ?

Rob Hartmans. De tsaar in Zaandam. De reizen van Peter de Grote naar Nederland.

Rob Hartmans. De tsaar in Zaandam. De reizen van Peter de Grote naar Nederland. Utrecht, Omniboek, 2022, 176 p.

In dit mooi geïllustreerd boek schetst de auteur het verblijf van de Russische tsaar Peter I (de Grote) (1672-1725) in de Republiek : de eerste keer tijdens het zgn. Grote Gezantschap (1697-1698), de tweede keer in 1716-1717. Tijdens zijn eerste bezoek kwam Peter om militaire steun vragen in zijn strijd tegen de Turken, die de Zwarte Zee beheersten, zodat de Russen geen uitweg naar de Middellandse Zee hadden, tijdens zijn tweede reis kwam hij nog eens om de steun van de Republiek vragen in zijn strijd tegen de Zweden, die hij weliswaar verslagen had – in de slag bij Poltava (1709), maar die weigerden de vrede te sluiten. Peter moet toch beseft hebben dat de Republiek hem niet kon helpen, gebonden als ze waren door een verdrag met Zweden. Daarom ging Peter, op aanraden van de Pruisische koning Friedrich Wilhelm I, dan maar bij Frankrijk aankloppen. Met succes. Dat verklaart ook waarom Peter na zijn bezoek aan Nederland doorreisde naar Frankrijk en aldus in de Oostenrijkse Nederlanden terechtkwam.

Voor Nederland is de figuur van Peter de Grote een beetje iconisch. Het is in de Republiek dat hij de inspiratie heeft opgedaan om zijn land te moderniseren, hij heeft in Zaandam gewerkt op de scheepswerven, een met nogal wat verhalen gekleurde geschiedenis – de monarch van een groot land die met eigen handen op een Zaanse werf een schip leert bouwen (je ziet het Lodewijk XIV niet meteen doen). Na één week Zaandam is hij naar Amsterdam getrokken, waar hij door zijn vriend Nicolaes Witsen, burgemeester van de stad en Ruslandkenner, ondergebracht werd op de scheepswerven van de VOC. Nederland kan dus niet zonder reden trots zijn op de rol die het heeft gespeeld in het tot stand komen van het moderne, verwesterde, petrinische Rusland. Dat de Russische tsaar bovendien ook nog Nederlands sprak, heeft die trots nog meer gevoed. Over het Nederlands van de tsaar zijn de meningen verdeeld, ik denk dat hij zich uit de slag kon trekken in het Nederlands (of misschien wel Nederduits), want in Nederland en België had hij geen tolk nodig. En toen hij de Franse grens overstak, zorgde de Franse regering voor een verbindingsofficier die het Nederlands machtig was en aldus met Peter zonder tolk kon communiceren.

In het boek van Hartmans wordt heel de geschiedenis van Peter in Nederland uit de doeken gedaan, maar toch, helaas, te summier. De bestaande literatuur wordt gebruikt en geciteerd – het dagboek van Nomen, de studies van Jacobus Scheltema, Boris Raptschinsky, Kistemaker en schrijver dezes. Ook de literatuur over de Zaanstreek en de betekenis van Zaandam voor de industrie van het land wordt uitvoerig geciteerd. Waarom Peter koos voor Zaandam wordt duidelijk aan de hand van hoofdstuk twee (p. 39-62), waarin uitvoerig wordt ingegaan op de geschiedenis van deze regio.

Het valt wel te betreuren dat de Russische literatuur ontbreekt. De laatste vijftien jaar is heel wat onderzoek verricht door het Peter de Grote Instituut in Sint-Petersburg, dat elk jaar in juni een internationale conferentie over de Russische hervormer organiseert en de akten van die congressen ook publiceert. Naar aanleiding van het 350-jarig jubileum van Peter I in 2022 (1672-2022) heeft het Instituut de prachtige gids Peter de Grote in Nederland. In de voetsporen van tsaar Peter. Cultuurhistorische gids (Sint-Petersburg, Evropejskij dom / Propilei, 2022, 183 p.) gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Russisch. Daarin wordt elke plaats die Peter in Nederland bezocht heeft beschreven en alles samengebracht wat hij daar gezien heeft en wie hij ontmoet heeft. Helaas is dit boek door de vreselijke oorlog van februari 2022 niet gepresenteerd kunnen worden. Hopelijk is in 2025 deze waanzinnige oorlog achter de rug en kan het 300-jarig jubileum van Peter de Grotes dood (1725) herdacht en deze mooie gids gepresenteerd worden.

Charles Ducal. Koude oorlogsbuit. Totalitarisme – over Stalin, archieven en Hannah Arendt. Een politiek essay.

Charles Ducal. Koude oorlogsbuit. Totalitarisme – over Stalin, archieven en Hannah Arendt. Een politiek essay. Antwerpen, Vrijdag, 2023, 312 p.

Het boek van de Vlaamse dichter Charles Ducal gaat vooral over Stalin, de vergelijking tussen Stalin en Hitler en wat de nu populaire filosofe Hannah Arendt daarover denkt. Zijn visie op Arendt en haar interpretatie van het 20e-eeuwse fenomeen totalitarisme is kritisch en laat weinig heel van Arendts analyse. Hij vraagt zich af hoe het komt, hoe het kan dat Hannah Arendt als ‘een groot denker’ (‘een bijzonder originele denker’, 199) beschouwd wordt. En dat omdat ‘haar weergave van de historische werkelijkheid vaak flagrant onjuist, onkritisch, eenzijdig of selectief’ (281) is. Weinig vleiend dus voor een denker die de laatste jaren heel wat sympathisanten heeft gevonden.

De auteur stelt dat hij lang geaarzeld heeft om dit boek naar een uitgever te sturen (285), omdat hij het ‘totalitaire paradigma’ ondergraaft en dat wordt in de vrije wereld niet gepikt. Dat paradigma, sterk in de hand gewerkt door Arendt, stelt immers dat stalinisme = nazisme is (dat noemt Ducal appels met citroenen vergelijken, 149 e.v., een ‘dwaze vergelijking’, 154). Dat wil hij doorbreken, beseffend dat wie die paradigma doorbreekt, niet populair wordt en de media niet haalt. Een tweede stelling van Ducal is dat het algemeen aanvaarde beeld van de Stalintijd niet het resultaat is van ernstig wetenschappelijk onderzoek, maar een ideologische constructie (286), die gerust eens aan een kritisch onderzoek onderworpen mag worden. Hij benadrukt ook dat hij dit boek niet geschreven heeft om Stalin te verdedigen : ‘Stalin op zich interesseert mij niet, niet zijn leven, niet zijn karakter, niet zijn macht. Wat mij interesseert is hoe de maatschappij in de Sovjet-Unie zich heeft ontwikkeld op politiek, economisch en sociaal vlak. Hoe het systeem werkte of niet werkte, welke krachten van binnenuit én van buitenaf invloed uitoefenden, welke rationele (geen mythische) verklaringen kunnen gegeven worden voor conflicten, terreur en ingrijpende maatschappelijke veranderingen, welke machtsstructuren en machtsrelaties er bestonden. Ik geloof namelijk niet dat één man zo bepalend kan zijn voor de evolutie van een samenleving als het heersende Stalinbeeld ons wil doen geloven. In geen geval heb ik terreur, wantoestanden en vreselijke ervaringen willen minimaliseren of vergoelijken.’ (286-287, 84-85)

De belangstelling voor dit thema komt uit de studententijd van de auteur, die als 20-jarige krantjes verkocht met de vijf koppen erop (Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao) en als jonge marxist leerde dat je ‘alles altijd in zijn juiste kader moet zien’ (9). Verkeerd is ‘alleen door de ogen van de slachtoffers’ te kijken (10), een stelling die me wel doet huiveren. Het systeem heeft blijkbaar ook zijn rechten ?

De kern van Ducals boek is dat er in de Sovjetunie onder Stalin weliswaar verschrikkelijke dingen zijn gebeurd – gedwongen collectivisatie van de landbouw, krankzinnige industrialisering van het land, hongersnood (de befaamde Holodomor in de Oekraïne), zuiveringen, ongecontroleerde dictatuur en repressie, maar dat nogal wat van die op zich verwerpelijke fenomenen verklaard kunnen worden. Zo was er de interventie van westerse landen tijdens de Burgeroorlog (1918-1921), toen het Westen de zijde koos van de antibolsjevistische Witten ; er was het verzet van de koelakken (de zogezegd rijke boeren) tegen de collectivisering ; de sabotage van de socialistische opbouw in de eerste twee vijfjarenplannen ; de conflicten binnen de partij ; de dreiging van een trotskistische samenzwering tegen Stalin ; de dreiging van een oorlog in de tweede helft van de jaren dertig, allemaal factoren die veel aspecten van de dictatuur en repressie helpen verklaren. Het land, het systeem moest zich verdedigen tegen echte vijanden (‘de “vijanden” bestonden echt’, 68). Kortom, deze studie is een mooi voorbeeld van de zgn. revisionistische school, die heel de geschiedenis van het stalinisme en van de Sovjetunie wil herbekijken - in het licht van vooral na 1991 in Rusland vrijgekomen archieven.

Een van de daaruit voortvloeiende stellingen is dat de Grote Terreur (1937-38) niet het gevolg was van ‘een weloverwogen plan’, ‘maar veeleer het resultaat van een aantal in der haast genomen beslissingen, die een plotse en scherpe breuk betekenden met wat eraan voorafging’ (32). Veel zou niet vanuit het centrum (Moskou, het Kremlin, Stalin) opgelegd zijn, maar op lokaal niveau bedacht, ‘vaak in een ongezonde, alles behalve socialistische wedijver’ (37). Dus Stalin bedoelde het goed, hij wilde redelijke wettelijkheid, maar lokale bestuurders veegden er hun voeten aan en deden wat ze wilden (‘ijveriger dan de paus’, 53). Waarom zou Stalin valse bekentenissen nodig gehad hebben ? Op het 17e partijcongres was immers gebleken dat de partij en bloc achter hem stond (47). Zelfs Stalins beul Jezjov zou een andere agenda gediend hebben (54). Bedenkelijk is de bewering dat Stalin ‘geen bevel gaf om zo ruim mogelijk te arresteren en te executeren, maar limieten stelde aan het aantal te vervolgen personen’ (54). Hoe kun je nu op voorhand weten hoeveel mensen (dus echte vijanden) opgepakt moeten worden ? Lichtjes eufemistisch lijkt me ook de uitspraak ‘De ondervraging van de gearresteerden gebeurde op een flagrant onwettige manier.’ (57) Dat al de door de archieven geleverde stukken zouden aantonen dat ‘het beeld van de almachtige tiran’ (61) niet klopte, kan weinig overtuigen. Daar zijn te veel getuigenissen over, uiteraard niet in archieven, maar in memoires, dagboeken e.d. Stalin zou ook niet de ‘sluwe regisseur van de terreur’ (61) zijn, de ‘Grote Terreur was het tegendeel van een geplande, efficiënt uitgevoerde operatie’ (61). Stalin had geen greep op de situatie (70) – er hat es nicht gewusst ?

De vrees voor een zgn. ‘vijfde colonne’ (75 e.v.) lijkt me zwaar overtrokken en uitvergroot, de zgn. grote samenzwering / geheime oorlog tegen Sovjet-Rusland stelde in de praktijk weinig voor, maar het werd in de Sovjetpers wel dik uitgesmeerd (vooral einde jaren twintig).

Een eikel thema in de geschiedschrijving over Stalin en de Oekraïne is de hongersnood van de jaren dertig. De min of meer algemeen aanvaarde opvatting zou zijn dat Stalin de regio kunstmatig aan een hongersnood onderwierp om de weerbarstige Oekraïners (boeren) op de knie te krijgen. Volgens Ducal heeft archiefonderzoek aan het licht gebracht dat dit niet het geval is, dat er echt een misoogst was (zoals ook in de jaren twintig en na WO II, zoals ook vóór 1917) en dat Stalin wel degelijk probeerde de honger te milderen en voor noodhulp zorgde in de hongerjaren 1932 en 1933. De historici die het zwaar te verduren krijgen, zijn Anne Applebaum in haar boek Goelag. Een geschiedenis en Timothy Snyder in zijn bloedstollend boek Bloedlanden. Beide ‘historici’, gelauwerd, opgehemeld, in tientallen talen vertaald, zouden de geschiedenis flagrant verdraaien, zich alleen baseren op persoonlijke horrorverhalen en niet het grote verband zien. Vooral Applebaum wordt ervan beschuldigd de zaak van het Oekraïens nationalisme te dienen (114), te putten uit geschriften van uit de Sovjetunie gevluchte verzetsstrijders tegen het Stalinregime, die na WO II en de inpalming van West-Oekraïne tot in de jaren vijftig guerrilla voerden tegen de Sovjetbezetter.

Ook het niet-aanvalspact tussen Hitler-Duitsland en Stalin-Rusland (augustus 1939) wordt uitvoerig besproken. De visie in het totalitaire paradigma luidt dat twee bloeddorstige dictators de handen in elkaar sloegen om Polen en het Balticum onder elkaar te verdelen, maar houdt geen rekening met de internationale constellatie van de jaren dertig, de onwil van de westerse landen om de nazi’s tegen te houden (Sudetenland, Anschluss). Stalin moest het pact wel sluiten, al dan niet om tijd te winnen om zich tegen een te komen agressie van Hitler te bewapenen. ‘De Sovjet-Unie was niet uit op Lebensraum of kolonies om uit te buiten, het wilde bevriende, betrouwbare regimes aan zijn grenzen en controle over voor haar veiligheid strategische gebieden.’ (133, 163) Voor Ducal was het pact niet ‘het perfide opportunisme van een totalitaire agressor’, maar de ‘nuchtere militaire balans’ (142). En het ‘excessief en onmenselijk optreden van de NKVD’ in de door het Sovjetleger veroverde gebieden in Oost-Polen en de Baltische landen is te verklaren door de 'sterke pro-fascistische tendensen in deze staten’ (142).

Verder komt nog tal van onderwerpen aan bod die een rol hebben gespeeld in de beeldvorming over de Sovjetunie, zo bv. hele dorpen in de Oekraïne die de nazi’s begroetten als bevrijders, de massale verkrachtingen van Duitse vrouwen door het Rode Leger (een tot voor kort taboe thema in Duitsland).

In het laatste hoofdstuk behandelt de auteur de westerse ‘democratieën’ en alle misère die ze in de wereld hebben aangericht : kolonisering van Latijns-Amerika, de ontdekking van Amerika, uitmoorden van de Indianen, de Aboriginals, kampen in Zuid-Afrika, uitbuiting in Afrika, enz. enz., om tot de conclusie te komen dat de problemen waar we nu mee te kampen hebben – honger in sommige landen, klimaatrampen, overconsumptie, rijk-arm tegenstellingen – niet door het kapitalisme op te lossen zijn.

Alhoewel ik het met veel beweringen van de auteur niet eens ben, geef ik graag toe dat hij op sommige algemeen gerespecteerde werken van sovjetologen zware kritiek uitoefent. Dat is helemaal op zijn plaats. Er staan anderzijds wel heel wat beweringen in dit boek die duidelijk maken dat de auteur niet vertrouwd is met de Sovjetunie en haar cultuur. Ik licht er enkele uit :

  1. De openbare aanklager tijdens de Moskouse processen Andrej Vysjinski wordt ‘een liberale jurist’ (35) genoemd. De man die de veroordeelden uitschold voor het vuil van de straat.

  2. Voor hun satirische roman De twaalf stoelen kwamen Ilf en Petrov niet in een werkkamp terecht. Dat boek dateert uit 1928 en beantwoordt helemaal aan wat toen toelaatbaar was.

  3. Stalin publiceerde in maart 1930 het beroemde artikel De roes van het succes, waarmee hij de excessen van de collectivisering een halt toeriep. Wat een weldadige liberaal. Maar toen was de collectivisering wel al achter de rug !

  4. Dat de discriminatie van bepaalde klassen na de collectivisering achterhaald zou zijn (39, zie ook p. 55), klopt niet. Pas in 1940 schafte Stalin de klasseverantwoordelijkheid af en konden kinderen van veroordeelde klassen (kapitalisten, vrije beroepen, geestelijken) weer toegang krijgen tot hoger onderwijs.

  5. Chroesjtsjov zou veel archiefdocumenten vernietigd hebben (64), maar met geen woord wordt gerept over de vernietiging van documenten die zijn persoonlijke verantwoordelijkheid voor de terreur in de Oekraïne konden blootleggen.

  6. Dat de Sovjets niet de bedoeling gehad zouden hebben de hele wereld te veroveren (161) kan gemakkelijk weerlegd worden : direct na het slagen van de Oktoberrevolutie werd de utopie van de Wereldbrand gelanceerd, de revolutie die zich over heel de aardbol zou verspreiden. De eerste stap in die richting was de oorlog met Polen in 1919-21.

  7. Dat de necrologieën bij Stalins dood in 1953 nogal positief waren, hoeft toch niet te verwonderen. Fadejev, de voorzitter van de Schrijversbond, noemde Stalin ‘de grootste humanist aller tijden’. En het is toch niet omdat de Sovjets het fascisme overwonnen hadden, dat ze zelf fatsoenlijk waren.

  8. De massale verkrachting van Duitse vrouwen (175 e.v.) wordt zo goed als weggelachen, met een uitspraak van Stalin : is het zo erg dat na al de verschrikkingen die de nazi’s de Sovjetmensen aangedaan hebben, dat ze zich dan wat ‘amuseren met een vrouw’ ? (177)

  9. Dat de oorlogsreporter Ilja Ehrenburg gekapitteld werd in de Sovjetpers (april 1945) omdat hij te erg afgaf op de Duitsers (‘je dag is niet goed als je geen Duitser hebt neergeknald’), is alleen te verklaren door het gevaarlijke van die consequente anti-Duitse tirades : de Sovjets beseften (terecht) dat de haatcampagne van Ehrenburg bij de Duitsers het omgekeerde effect zou hebben – ze zouden beseffen dat ze zelf zwaar te boeten zouden krijgen na de Sovjetoverwinning en daarom bereid waren tot de laatste snik te vechten.

  10. Gerard Walschap zou na de lectuur van Solzjenitsyns eersteling Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj gesteld hebben dat de Goelagkampen niet op dezelfde lijn met de nazikampen te stellen waren. Walschap vergat of besefte toen blijkbaar niet dat de weergave van Solzjenitsyn allesbehalve volledig was, eigenlijk braaf, opdat het publiceerbaar zou zijn. Een openlijk aan de kaak stellen van de barbarij in de kampen onder Stalin zou onmogelijk de censuur gehaald hebben.

Het boek van Ducal levert veel stof tot nadenken en stelt sommige clichés in vraag. Dat is een grote verdienste. Maar je ontkomt niet aan de indruk dat hij toch een apologie van het stalinisme wil brengen, ook al veroordeelt hij er dan de brutaliteit en onmenselijkheid van. Je kunt nu eenmaal niet de misdaden van een regime resp. minimaliseren door te wijzen op de misdaden van een ander regime.

Andrej Koerkov. Dagboek Majdan.

Andrej Koerkov. Dagboek Majdan. Rotterdam, Woord in Blik, 2022, 223 p. Vert. door Ico Davids en Arie van der Ent. ISBN 978-94-91389-33-7.

Koerkov werd geboren in Leningrad in 1961, maar groeide op in Kiëv en schreef in het Russisch. Zijn werk is in vele talen vertaald, in het Nederlands zijn dat Picknick op het ijs, De laatste liefde van de president en heel recent Grijze bijen, die in de Donbass speelt. Sinds het begin van de oorlog tegen Oekraïne reist hij de halve wereld af om begrip te vragen voor de Oekraïense zaak in de oorlog tegen Rusland.

Dit is ook een beetje de bedoeling van dit dagboek. Het beslaat de periode november 2013-april 2014, de dramatische maanden in de geschiedenis van het land, dat op het punt stond een associatieverdrag met de Europese Unie te tekenen en in het voorjaar van 2014 het schiereiland de Krim ingepikt zag zien door Rusland, dat meende daar historisch recht op te hebben. Zoals bekend, heeft de annexatie van de Krim weinig reacties in het Westen losgeweekt (behalve economische sancties), waardoor het Kremlin dacht de handen vrij te hebben om ook de rest van Oekraïne te bezetten. Maar zover reikt het dagboek van Koerkov niet, het behandelt de cruciale maanden in de betrekkingen tussen de twee landen.

Het boek is des te waardevoller omdat het niet de mening geeft van een Oekraïner, van wie je kunt verwachten dat hij anti-Russisch is en wellicht extreme standpunten zal verdedigen, maar omdat het geschreven is door een Rus, in het Russisch, die begrip heeft voor de Oekraïense politiek en verwachtingen. Alhoewel het dagboek dag voor dag de gebeurtenissen in Oekraïne op de voet volgt, daarom is het ook een dagboek, en daarbij tamelijk gedetailleerd vertelt, verveelt het toch geen ogenblik. Koerkov vertelt boeiend, zonder hysterie, met heel wat kwinkslagen. Hij stelt ergens dat het een wel ‘erg persoonlijk en dus subjectief’ boek (81) is, maar daar voel je weinig van. Hij vermengt gewoon zijn privéleven met wat in het land gebeurt : ‘Ik heb de kinderen naar school gebracht en ben bij de revolutie gaan buurten’ (90). Hij benadrukt dat hij geen politieke figuur is en zich nooit uitgesproken heeft voor een of andere politieke partij, maar ‘Ik ben gewoon een burger van mijn land’ (140).

Het dagboek levert een weinig flatterend beeld van wat zich in Oekraïne allemaal heeft afgespeeld. De hele tijd worden leden van de oppositie geïntimideerd, in elkaar geslagen, ontvoerd, gemarteld, vermoord, al dan niet door de Berkoet (19, 200). Hij stelt een fundamentele vraag die waarschijnlijk ingegeven is door Poetins bewering dat heel het protest van de Majdan door de Amerikanen is opgezet : ‘Waarom kunnen politici het zich toch zo moeilijk voorstellen dat mensen uit zichzelf de straat op kunnen gaan als hun iets aan de regering niet bevalt ?’ (22) Verbijsterend is dat begin 2014 bij het ministerie van justitie zo maar eventjes 184 politieke partijen geregistreerd waren (67). Knotsgek was de anti-EU reclame toen ‘door heel het land affiches en billboards laten zien dat alle Oekraïners na ondertekening van het Associatieverdrag met de EU homo’s en lesbiennes worden’ (24-25). De spreekbuis van de regering liet weten dat Oekraïne afziet van toenadering tot de EU, omdat het land niet klaar zou zijn voor het homohuwelijk… (47) De onderdrukking was zo groot dat ‘veel mensen zeggen dat ze gisteren in Oekraïne in slaap vielen en vanochtend in Wit-Rusland wakker zijn geworden’ (29).

Een groot deel van het dagboek wordt in beslag genomen door berichten over de zittende president Janoekovitsj, die in feite verantwoordelijk is voor alles wat zich sinds 2014 heeft afgespeeld. De man is een ‘boef’, een ‘klootzak’ (119) en hij en zijn clan moeten weg (34-35). Een man ‘die niet zonder fouten kan schrijven, die geen zak weet, en die kennelijk nooit ergens op school heeft gezeten’ (79). De televisiezenders berichtten met geen woord over de protesten (40), maar een reisbureau uit Krasnodar legde wel een toeristische tour in naar Majdan en verdiende daar veel geld aan (44). Zoals we nu begrijpen, heeft de orthodoxe kerk van Rusland zich uitgesproken tegen Majdan (45). De propagandisten van Janoekovitsj worden de Hitlerjugend genoemd (46). Op 17 december 2013 meldt Koerkov dat Janoekovitsj met Poetin is gaan praten en liet weten dat het gas voor Oekraïne 30 % goedkoper wordt : ‘Dat is dus de prijs voor het afzien van een Europese toekomst.’ (50) De man heeft alles laten ontsporen : ‘Nog nooit had dit land een president zó idioot, dat hij een van de meest tolerante volkeren wist te laten radicaliseren !’ (117) Koerkov is duidelijk : al in 2014 wilde Poetin oorlog in Oekraïne (120). Heel het land is in de greep van de paranoia (130).

Koerkov is bang voor de toekomst van de Russische literatuur : schrijvers ondersteunen hun president en ‘leggen kinderen uit dat het Russische fascisme goed is en dat alle andere soorten fascisme heel slecht zijn’. Als ze nu ook nog beginnen de ‘heldendaden’ van het Russische leger in Oekraïne te verheerlijken, zal ‘niemand helaas meer spreken van de grote Russische cultuur’ (143). Zelfs in de buitenlandse literatuur wordt ingegrepen. Zo werd in het Moskouse kindertheater de uitvoering van Cipollino (van Gianni Rodari) aangepast : de revolutie van de groenten tegen prins Citroen is uit het sprookje geschrapt. In de Poetinse versie bieden de ontevreden groenten prins Citroen een petitie aan waarin ze hervormingen vragen… (209).

Wie de sigaar is van de russificatie van de Krim, zijn de Krim-Tataren. Op de Krim hebben Russische patriotten een monument voor de Krim-Tataren vernield, voor de slachtoffers van de deportaties die onder Stalin plaatsvonden (77) als wraak op de collaboratie van enkele Tataren met de Duitsers. Het gevolg is dat de Krim-Tataren pro-Oekraïens zijn (126). Hier en daar hoor je de oproep aan de Krim-Tataren dat ze moeten maken dat ze wegkomen van de Russische Krim (157) en in een speciale les voor Russische scholen over ‘de terugkeer van de Krim in de Russische Federatie’ wordt met geen woord gerept over hun deportatie door Stalin (184). Volgens Koerkov betekent de annexatie van de Krim een ‘Back in the USSR !’, de herinnering aan de Sovjetunie is er nog springlevend, veel mensen stemmen er op de communistische partij (167).

Een eikel thema dat ook herhaaldelijk ter sprake komt, is dat van het zgn. ‘fascisme' van de Oekraïense ‘neonazi’s’. De inwoners van de Donbass kijken naar de Russische televisie, ze spreken Russisch en zien alle inwoners van West-Oekraïne als nationalisten en fascisten (88), maar in feit is het de geest van verzet tegen de communistische dictatuur die er nog sterk leeft. ‘En nu is het de geest van verzet tegen welke dictatuur dan ook. Het is interessant dat deze geest van West-Oekraïne zich de afgelopen twintig jaar verspreid heeft naar de hoofdstad Kyïv en naar andere centraal gelegen regio’s van het land.’ (89) Zelfs Oekraïners delen soms die mening. Zo verklaarde Loekjanenko, een Russische fantasy-schrijver van Oekraïense afkomst, in Moskou dat hij als teken van protest tegen het ‘Oekraïense fascisme’ verbiedt dat zijn boeken in het Oekraïens worden vertaald (128). Daarop heeft Koerkov de poetinist van antwoord gediend : ‘Ze zeggen dat u een fantasyschrijver bent. Vreemd dat uw fantasie niet toereikend is om de onwil van het Oekraïense volk te begrijpen in een systeem te leven van totale corruptie en met een ongeletterde regering die een leeggeroofd land nalaat, met geen cent in de schatkist.’ (129) Koerkov is verontwaardigd omdat hij een ‘fascist’ wordt genoemd, ‘omdat ik me uitspreek tegen de bezetting van Oekraïne door Poetins leger, omdat ik me uitsprak en uitspreek tegen de totale corruptie die de voortvluchtige Janoekovytsj en zijn clan organiseerde, omdat ik wil dat het recht zegeviert in het land waar ik woon.’ (139-140).

De conclusie van maanden paranoia en burgeroorlog kan alleen maar luiden : ‘Iedereen is de verwachte oorlog zat, de dreiging van Rusland, de angst voor de toekomst. We willen zo snel mogelijk deze bladzijde in de Oekraïense geschiedenis omslaan en doorgaan naar het happy end !’ (222). En dat schreef Koerkov in april 2014, acht jaar voor de echte, grote oorlog nog moest beginnen.

In de Nederlandse vertaling valt op dat overal de Oekraïense varianten van plaatsnamen gegeven worden : Kyïv i.p.v. Kiev, Charkiv i.p.v. Charkov, terwijl in het Russische origineel steeds de Russische varianten worden gebruikt.

Nikolaï Karamzine. Lettres d’un voyageur russe.

Nikolaï Karamzine. Lettres d’un voyageur russe. Introduction, traduction, notes et commentaires de Rodolphe Baudin. Paris, Institut d’études slaves / Editions L’Inventaire, 2022, 783 p. ISBN 978-2-35597-056-6.

De jonge Russische literator Nikolaj Karamzin (1766-1826) vertrok in 1789 op reis naar het Westen: hij bezocht Pruisen en Saksen, was langere tijd in Zwitserland, ging naar Parijs en maakte vanuit Frankrijk een overstapje naar Londen. Karamzins belangrijkste bijdrage aan de Russische literatuur is zijn Pis’ma russkogo poetesjestvennika (Brieven van een Russische reiziger), die hij in verschillende uitgaven op de markt bracht (1791-1792,1793 en 1797-1801). Als we ze met elkaar vergelijken, zien we dat de auteur zijn Brieven aanpaste aan zijn steeds veranderende opvattingen over sociale en politieke aangelegenheden. In zijn brieven gaf hij voor het eerst in de Russische literatuur betrouwbare en veelzijdige informatie over West-Europa en de westerse beschaving en dat in een consequent sentimentele stijl. Het succes was te danken aan de handige vervlechting van feitenmateriaal en persoonlijke gevoelens. Aan de ene kant een massa gegevens over het leven en de cultuur in West-Europa (wegen, herbergen, musea, historische gebouwen, theaters, cafés en literaire salons, geleerdenkringen, nieuwe literaire werken, sociale en politieke toestanden), aan de andere kant de persoonlijke ervaringen en emoties van de jonge reiziger.

Deze tweedeling hoeft niet per se te betekenen dat Karamzin een hybride reisverhaal brengt: het brengt niet alleen een encyclopedie van het toenmalige Westen, maar ook van de toenmalige sentimentalistische beweging. Hij brengt uitspraken van filosofen en literatoren die het sentimentalisme vertegenwoordigen, citaten uit en samenvattingen van literaire werken, talrijke lyrische uitweidingen en ingeschoven novellen. Karamzins reiziger (niet te verwarren met Karamzin zelf) treedt aanvankelijk op als de personificatie van de mythe van het Gouden Tijdperk, de held die gelooft in de vooruitgang en de Verlichtingsfilosofie, maar geleidelijk aan kritisch wordt onder invloed van de confrontatie met verval (ruïnes) en tragische situaties (de Franse Revolutie).

Uitvoerig beschrijft Karamzin de sociaal-economische en politieke toestand van de bezochte landen. Hij benijdt de Zwitsers omdat ze in een prachtige natuur leven, beschermd worden door weldoende wetten en in eenvoud van zeden één god dienen: ‘vrede en stilte heersen in het gelukkige Helvetië’. Enthousiast schrijft hij over Engeland: ‘Hier is alles anders: andere huizen, andere straten, andere mensen, ander voedsel, in één woord, het lijkt me dat ik naar een ander werelddeel ben gekomen’. In Engeland dringt zich als vanzelf de vergelijking met Parijs op. Karamzin is aangenaam getroffen door de grotere eenvoud en het algemeen welzijn van Londen. De Engelsen zijn een ‘verstandig en rijk volk’ en daarom ‘moeten zij wel van hun vaderland houden’.

Veel aandacht besteedt Karamzin aan de zeden en het nationaal karakter. De Duitsers zijn zwartgallig, de Zwitsers ernstig en gewichtig, de Fransen lichtzinnig, de Parijzenaars praatziek. De Engelsen zijn flegmatisch en koel, gaan gebukt onder spleen en hebben ‘meer verstand dan hart’. Bij het verlaten van Engeland wordt het positieve portret afgezwakt: ‘Het is heel aangenaam om Engeland te zien; de gewoonten van het volk, de resultaten van de Verlichting en van de kunsten zijn opmerkenswaardig en houden uw geest bezig. Maar hier wonen voor het genot van het samenleven is bloemen zoeken op een zandvlakte; daarover zijn alle buitenlanders het eens met wie ik in Londen heb kunnen kennismaken en daarover heb kunnen spreken. Ik zou nog een keer met plezier naar Engeland komen, maar ik verlaat het zonder spijt’.

Centraal in Karamzins brieven staat de beschrijving van Frankrijk waar de Russische reiziger getuige was van de revolutie (hij vertrok in mei 1789 en was terug in Moskou in de herfst van 1790). Het is belangrijk erop te wijzen dat de eerste editie van de brieven eindigde met de aankomst van de reiziger in Parijs. In de tweede uitgave werden enkele fragmenten over Parijs en Londen opgenomen; pas in de uitgave van 1797-1801 zijn de brieven over Frankrijk voltallig. In deze periode hadden in Frankrijk echter zulke ingrijpende veranderingen plaatsgevonden dat de mening van Karamzin over het land van de ‘philosophes’ wel fundamenteel veranderd moest zijn.

Nog voor zijn aankomst in Frankrijk was Karamzin al politiek en emotioneel voorbereid op wat hem hier te wachten stond door de verhalen van gevluchte aristocraten in de salons van Zwitserland (‘het razende volk’). Groot was de verwachting bij het binnenrijden van Parijs: ‘Daar is ze, dacht ik, daar is de stad die gedurende vele eeuwen het voorbeeld voor heel Europa was, de bron van smaak en mode, de stad waarvan de naam met eerbied uitgesproken wordt door geleerden en ongeletterden, filosofen en modegekken, kunstenaars en onwetenden, in Europa en Azië, in Amerika en Afrika, de stad wier naam ik bijna samen met mijn naam hoorde uitspreken; waarover ik zoveel gedroomd en gedacht had!... daar is ze!... Ik zie haar en ik zal erin vertoeven!... Ach, mijn vrienden, deze minuut was een van de aangenaamste van mijn reis! Geen enkele stad ben ik genaderd met zulke levendige gevoelens, met zulke nieuwsgierigheid, met zulk ongeduld!’ Overal merkt de reiziger dat Frankrijk in de greep van de revolutie is. In Lyon zoekt hij tevergeefs naar het graf van Amandus en Amanda (Laurence Sternes Tristram Shandy) en verzucht: ‘De Fransen tegenwoordig denken aan hun revolutie en niet aan de monumenten van liefde en tederheid!’ Wellicht zet Karamzin zich hier af tegen de wereld die hij bezoekt: zijn sentimentele ‘Bildungsreise’ lijkt door de Franse Revolutie op de helling gezet. Het volk is ‘de verschrikkelijkste despoot’ in ‘het tijdperk van de zogenaamde Franse vrijheid’. De bezoeker betrekt het vervalsmotief direct op de gebeurtenissen in Frankrijk: hij vreest dat met de revolutie een eind is gekomen aan een groot tijdperk, aan een grote cultuur die ten gevolge van die omwenteling zal verdwijnen (en in feite al verdwenen is). Op die grond veroordeelt Karamzin de revolutie, die hij een tragedie noemt. Hij vraagt zich af of de Fransen de Griekse en Romeinse geschiedenis wel kennen, want die leert immers: ‘Het volk is een scherp zwaard waarmee het gevaarlijk is te spelen en de revolutie is een open graf voor de deugd en voor de misdaad zelf’. Hij geeft ook lucht aan zijn antirevolutionair credo: ‘Elke burgerlijke maatschappij, in de loop van eeuwen tot stand gekomen, is een heiligdom voor goede burgers, en zelfs in de meest onvolmaakte moet men zich verwonderen over de prachtige harmonie, de goede inrichting, de orde,’ en: ‘Alle gewelddadige omwentelingen echter zijn noodlottig en elke opstandeling bereidt zich een schavot’.

Bij het verlaten van Parijs maakt de auteur als het ware de balans op. Hij heeft gezien dat de Fransman uiterst gevoelig kan zijn, hartstochtelijk verliefd op de waarheid, roem en grote daden, maar ook dat zijn vuur, passie en haat verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben. Daarvan getuigt volgens hem de revolutie. Karamzin verlaat ontgoocheld Frankrijk, een land dat de gevoeligheid geruild heeft voor de revolutie.

Sinds de terugkeer van Karamzin naar Rusland in 1790 en de uitgave van zijn Brieven is heel wat te doen geweest over de houding die de auteur aannam tegenover de gebeurtenissen in Frankrijk. Van 1789, de inname van de Bastille, tot 1812, de inval van Napoleon in Rusland, was de Franse Revolutie de belangrijkste gebeurtenis in West-Europa die in Rusland op de voet gevolgd en hartstochtelijk bediscussieerd werd. Karamzin was een van de weinige Russen die het geluk hadden gehad getuige te zijn van deze revolutie (in haar beginstadium, lente-zomer 1790). Volgens sommigen was Karamzin een liberaal die sympathie voelde voor wat in Frankrijk plaatsvond, volgens anderen was hij van in het begin een uitgesproken vijand van gewelddadige pogingen om de maatschappij te veranderen. Hoe het ook zij, Karamzin heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een voorstander van de autocratie die hij in zijn Geschiedenis van de Russische staat zo eloquent heeft bezongen.

Brieven van een Russische reiziger is zonder enige twijfel de interessantste tekst van de Russische XVIIIe eeuw. Omdat een groot deel van de brieven over Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Engeland betrekking heeft op Frankrijk, zal het niet verbazen dat uitgekeken werd naar een volledige en betrouwbare vertaling van deze voor de Russische literatuur belangrijke prozatekst.

De auteur van deze pas verschenen, uitvoerig toegelichte vertaling is als slavist gespecialiseerd in de Eeuw van de Verlichting en bedrijvig op de propagering van minder bekende literaire werken in Frankrijk. Zo is hij de auteur van een monografie over Karamzin (2011) en van een gedetailleerde studie over het verblijf van Karamzin in Straatsburg (Nikolaï Karamzine à Strasbourg, un écrivain-voyageur russe dans l’Alsace révolutionnaire, 2011).

In zijn uitvoerige inleiding beschrijft de auteur-vertaler het begin van Karamzins literaire carrière, die erop uit liep dat Karamzin ‘le chef de file des sentimentalistes russes’ (18) werd. Vervolgens heeft hij het over de traditie van reizen naar Europa, doorgaans door de elite als Grand Tour ondernomen naar Italië, maar ook naar Frankrijk en meer bepaald Parijs als het ‘Mecque des Russes au XVIIIe siècle’ (19). Met de tijd kwam daar Zwitserland bij, als ‘lieu du pittoresque, de l’innocence pastorale’ (20). Karamzin ondernam evenwel geen studiereis (Bildungsreise), hij wilde eigenlijk ter plaatse ‘deze Europese cultuur ontdekken waarvan hij al een degelijke boekenkennis had’ (20). De reis heeft van de jonge Karamzin een volwassen man gemaakt (‘entrée dans l’âge d’homme’, 22). Baudin zet ook uitvoerig uiteen dat de brieven niet geschreven zijn tijdens de reis zelf en daarna verzameld en uitgegeven, maar dat ze pas na de reis zijn ontstaan, wellicht steunend op notities tijdens de reis genomen (24). Hij benadrukt ook dat de Brieven in de eerste plaats een literair werk zijn, terwijl sommige onderzoekers er eerder een documentair werk in zien (24). Hij maakt ook strikt onderscheid tussen de verteller en de auteur (25). In een derde hoofdstukje heeft de vertaler het over de historische en culturele betekenis van de Brieven (27-32). Het was Karamzins bedoeling zijn lezer een uitvoerig verslag te brengen over de landen die hij in Europa doorkruist had, waarbij elk land iets specifieks krijgt : Duitsland is het land van schrijvers en geleerden, Zwitserland van de arcadische eenvoud, Frankrijk het land van de cultuur en de beschaving, Engeland van de commercie en de politiek. Wat Duitsland betreft, heeft hij voor Rusland de rol vervuld die Madame de Staël in Frankrijk met betrekking tot Duitsland heeft gespeeld – zijn landgenoten bekend maken met het waardevolle dat Duitsland te bieden heeft. Opmerkelijk is de openheid van de Russische reiziger voor de westerse cultuur, alle culturen interesseren hem, alle culturen zijn waardig. Dit laat hem toe ook de waardigheid van de Russische cultuur te poneren en te verdedigen (32).

In het laatste hoofdstukje gaat Baudin uitvoerig in op de receptie (in Rusland) en het Nachleben van deze ‘bijbel van het Russisch sentimentalisme’ (33). Karamzin oogstte niet alleen lof in eigen land, hij kreeg ook veel navolging, talloze epigonen probeerden zijn sentimentalistische taal en stijl te imiteren, maar ook parodieën. Karamzins reisverhaal liet dus niemand onverschillig. In het stukje over de vertalingen van de Brieven in het Frans stelt de auteur dat nog tijdens zijn leven de brieven vertaald werden in het Duits en Engels, maar vergeet dat ze ook in het Nederlands uitkwamen (weliswaar vertaald uit het Duits; in 2019 verscheen van mijn hand de eveneens volledige vertaling met uitvoerig commentaar bij uitgeverij Benerus, Antwerpen). Er verschenen Franse vertalingen in 1815, 1867 en 1885. De eerste twee waren onvolledig. De vertaling van 2022 maakt gedeeltelijk gebruik van de vertaling van 1885, maar zet lexicale, syntactische afwijkingen recht en maakt gebruik van een iets archaïscher, 18e-eeuws taalgebruik.

Dat Karamzin een nieuwe, volledige vertaling verdient, is evident. Het is niet alleen de belangrijkste tekst van de XVIIIe eeuw, maar het is ook de eerste liefdesverklaring van een Rus aan het Westen. In een tijd van hevige Russische xenofobie en haat jegens het Westen is dit een meer dan welkom document.

Dit indrukwekkende werkstuk bevat 937 noten, die de Brieven voor een hedendaagse lezer begrijpbaar en toegankelijk maken. Hierbij kon de auteur terugvallen op bestaande literatuur over Karamzin, maar hij heeft ook nog talrijke, niet door anderen gevonden personages kunnen identificeren. Voorbeeldig werk in een mooie uitgave.

Pages