2x Charles de Ligne

Charles-Joseph de Ligne. Memoires. Antwerpen, Davidsfonds / Standaard Uitgeverij, 2021, 284 p. Vertaald door Marijke Arijs. ISBN 978 90 02 26923 3. Idem. Brieven aan de markiezin de Coigny. Bleiswijk, uitgeverij Vleugels, 2021, 61 p. Vertaald door Marijke Arijs. ISBN 978 94 93186 39 2.

België heeft niet veel grootheden in de 18e eeuw waarmee we zouden kunnen uitpakken. En de twee grandes die we dan wel hebben, zijn zo goed als vergeten. De eerste is de Luikse componist André Ernest Modeste Grétry, die in 1741 in Luik geboren werd en in 1813 stierf. Dat is één jaar voor de tweede beroemde Belg - Charles-Joseph prince de Ligne (1735-1814). Grétry schreef de opera Pierre le Grand (1790), die tijdens de Franse Revolutie in Parijs (en ook in Brussel) werd opgevoerd en duidelijk monarchistische sympathieën tentoon spreidde – de Russische tsaar wordt hier opgevoerd als de liefhebbende monarch die het goed voorheeft met zijn volk, een voor die woelige tijd van koningsmoord belangrijke boodschap. In veel naslagwerken wordt Grétry gecatalogeerd als Frans componist, wellicht omdat hij zich al in 1767 in de Franse hoofdstad vestigde en daar zijn muzikale carrière begon. Hij slaagde erin de Franse Revolutie te overleven en werd zelfs door Napoleon benoemd tot ridder in het Légion d’Honneur. Die eer was de tweede beroemde Belg niet gegund : prins de Lignes kasteel werd geconfisqueerd door de Franse revolutionairen toen ze ons land bezetten, de prins (die generaal was in het Oostenrijkse leger) vluchtte resp. ‘emigreerde’ naar Oostenrijk, waar hij neerkeek op de parvenu Napoleon en weigerde met de man in contact te komen. Ook de Ligne had iets met Rusland te maken : in 1787 ging hij in op de uitnodiging van de Russische keizerin Catharina II om deel te nemen aan de cruise op de Dnjepr naar het nieuwe wingewest van Rusland, de Krim, die in 1783 op de Turken veroverd was.

De Ligne is een fascinerende figuur. In het begin van de 19e eeuw verscheen zijn verzameld werk in 34 delen (Mélanges militaires, littéraires et sentimentaires, 1795-1811), zijn memoires beslaan 1200 bladzijden, de vertaalster Marijke Arijs heeft er een selectie uit gemaakt en die nu uitgegeven in een schitterende vertaling, want het Frans van de Ligne is niet het allergemakkelijkst, gesofisticeerd, vol grappen, woordspelingen, calembours en dubbelde bodems. Het is een plezier om de memoires te lezen van onze landgenoot die natuurlijk in het Frans schreef (hij is geboren in Beloeil in Henegouwen), de taal van de ontwikkelde elite in de 18e eeuw (ook de Italiaan Casanova schreef in het Frans, zij het met nogal wat Italiaanse interferentie) en het onuitspreekbare Nederlands niet machtig was. Hij was beslist een kosmopoliet, maar geen talenknobbel. Hij heeft zijn hele leven voor de Oostenrijkers gewerkt en er de laatste kwarteeuw van zijn leven gewoond, maar fatsoenlijk Duits heeft hij nooit kunnen of leren spreken (‘mijn gebrekkige Duits’, 198, ‘dat verdomde Duits’, 213 – dit is duidelijk een document van voor de tijd van madame de Staël, die Duitsland en de Duitse cultuur ontdekte voor de Fransen). Zijn scheldkanonnades tegen de taal van Goethe (130) zijn interessant en venijnig, maar soms ook niet ter zake. Goethe moet hem gezien en gesproken hebben (215), want van hem is de beroemde uitspraak dat prins de Ligne de ‘vrolijkste man van zijn tijd’ was.

De Nederlandse vertaling van de Lignes memoires bevat een voorwoord (9-31) dat voorbeeldig genoemd mag worden : pittig geschreven, verzorgd, bijzonder goed geïnformeerd, het biedt een veelzijdig portret van onze beroemdste Belg. Ik doe een poging om zijn ‘verdiensten’ op een rijtje te zetten :

  • hij was kosmopoliet, voelde zich overal thuis
  • een onovertroffen levenskunstenaar (de vrolijkheid druipt van elke bladzijde). In het ‘Woord vooraf bij mijn nagelaten geschriften’ schrijft hij dat hij er flink op los heeft geleefd en daarmee een slecht voorbeeld heeft gegeven (35).
  • een onverbeterlijke charmeur en niet alleen (vrouwen-) verleider
  • de taal van zijn memoires barst van de woordspelingen en oneliners (‘Er zitten alleen goede huisvaders en goede echtgenoten op de troon, maar geen goede koningen.’ (111) of ‘een man uit de derde stand die me op een fraaie volzin wilde trakteren, zei me dat “iedereen in de streek bezwaard was van blijdschap over mijn komst”. Ik antwoordde hem dat ik geplaagd werd door de oprechtste dankbaarheid.’ (123) Van enige levenservaring getuigt de oneliner ‘In de oorlog, de politiek en de liefde geldt dat als je de kans voorbij laat gaan, je geen tweede meer krijgt.’ (134) Op het brutale af is zijn advies aan Jean-Jacques Rousseau, die van alle kanten onder vuur lag, om naar België te komen (naar zijn kasteel in Beloeil) – ‘Kom naar een land waar de mensen niet kunnen lezen.’ (137)
  • behalve zijn talloze seksuele overwinningen met vrouwen had hij ook enkele homoseksuele ervaringen (17)
  • hij verkeerde aan alle Europese hoven en werd overal graag gezien : in Versailles, Berlijn, Warschau of Sint-Petersburg
  • hij was door en door een man van het ancien régime, dat hij diende, vertegenwoordigde en rechtvaardigde. Toen de Revolutie een eind maakte aan het feest van de aristocratie van voor 1789, voelde hij ‘een onuitroeibaar heimwee naar de zorgeloze dagen van weleer’ (25) : ‘Het leven dat ik leidde op mijn dierbare Beloeil was van diep geluk vervuld’ (55) en ‘Ik heb nooit een gelukkiger tijd meegemaakt dan die in Beloeil… Elke dag was het feest in Beloeil’ (205-206). Zijn huis in Wenen werd platgelopen door Franse émigrés (27). Met de intrede van de ‘usurpator’ en ‘parvenu’ Napoleon was de prins ‘een overlevende uit een ander tijdperk’ (27) geworden. Hij stierf toen het Congres van Wenen (1814) aan de gang was, hij werd door alle grandes van die tijd naar zijn laatste rustplaats gebracht, eigenlijk droeg Wenen ‘het oude Europa’ ten grave (31).
  • hij was zijn leven lang een zoeker : naar het echtelijke geluk (dat hij niet kende – zijn vrouw was ‘onuitstaanbaar’), naar het geluk in de liefde (de ideale maîtresse vond hij nooit) en naar militaire roem (die hem niet echt gegund was) (29)

De memoires van prins de Ligne zijn chaotisch, niet chronologisch geordend, springen van de hak op de tak, van het ene tijdperk in het andere, van Henegouwen naar Berlijn of Sint-Petersburg, ze vertellen honderden geschiedenissen, voorvallen, roddels en uitspraken van anderen. Sommige verhalen zijn ronduit onbenullig (‘armzalige onthullingen en herinneringen aan stommiteiten zonder enige allure’, 153) ; de prins geeft graag op over de hoge positie die hij in de samenleving bekleedde, wat dikwijls flauwe verhalen oplevert. De minachting voor de lage adel druipt er vanaf, maar de auteur brengt wel begrip op voor eenvoudige mensen en de noden die ze hebben. Voor seksuele omgang met eenvoudige vrouwen (boerin, kokkin, kamermeisje) deinst hij natuurlijk niet terug, maar zijn amoureuze ambitie mikte hoog : hij was of wilde zijn de geliefde van vele gekroonde hoofden. Volgens sommige roddels zou hij ook een affaire hebben gehad met de Russische keizerin Catharina II.

De Ligne schrijft dat we dit boek naar believen kunnen open- en dichtslaan (39), wat charmant is, maar het berooft de lezer wel van een systematisch zicht op de man en zijn leven, wat dan weer goed gemaakt wordt door de schitterende inleiding van de vertaalster.

Het zal niet verbazen dat de verbale geweldenaar die de Ligne was heel wat vijanden had : ‘er doen over mij talloze verhalen de ronde die nergens op slaan’, maar hij is ‘veel te lui om ze te ontkrachten’ (61). ‘Ik heb uitspraken gedaan waarvan beweerd wordt dat ze grappig zijn, terwijl ze niets om het lijf hebben, maar ik heb ook bon mots, snedigheden, guitigheden en grappen bedacht waar je je haast dood om lacht. Ik heb toch zulke ondeugende streken uitgehaald !’ (61)

De Ligne gooide met geld en gaf in een week het bedrag voor een heel jaar uit (62), de vertaalster merkt terecht op dat hij een gat in zijn hand had. Het mooiste feest dat hij ooit gegeven heeft, was op het kanaal Brussel-Antwerpen ter ere van een prinses op wie hij verliefd was : feestelijk verlichte boten, muziek, meer dan tienduizend mensen vergezelden de cruise op het kanaal (75-76). Dit sprookjesachtige feest (fête galante) zou zich in 1787 herhalen op de Krim. Een typische uitspraak van de Ligne : ‘Toen het volk het nog waard was dat men zich erom bekommerde, nam ik de moeite om me bij de mensen geliefd te maken, onder meer door bals te geven in mijn park. Er kwamen acht- à tienduizend gasten, al dan niet gemaskerd, zoals ze zelf wilden, en er waren vaten met orgeade en limonade, bergen appels en sinaasappels en stoeipartijen bij de vleet.’ (95)

Her grootste verdriet dat de prins overkwam, was de dood van zijn zoon Charles die in 1792 sneuvelde in de strijd tegen het Franse republikeinse leger. Hij schetst in zijn memoires een kort portret van zijn zoon dat evengoed op de vader zou kunnen slaan : ‘Hij zou een groot man zijn geworden en was zelfs toen hij stierf nog de gelukkigste persoon ter wereld. Alles vond hij amusant of interessant. Zijn leven stond in het teken van roem vergaren en plezier maken. Hij werd door de soldaten, het volk en de adel op handen gedragen en wist iedereen voor zich te winnen met zijn charmante, boeiende oorspronkelijkheid, die voortkwam uit onbevangenheid, impulsiviteit en een gemakkelijk karakter. Nooit heb ik iemand met meer roemzucht en militair talent gekend.’ (107)

De lezer krijgt allicht de indruk dat prins de Ligne een grote snoefhaan is en pronkt met zijn successen, maar daar zit hij verkeerd. Op p. 169-170 geeft hij ‘een overzicht van mijn kleine tegenslagen’, een leuk stukje memoires van een loser, maar die er zich niet voor schaamt : ‘Ik heb nergens spijt van. Ik beklaag me nergens over.’ (132)

Over de figuur die het politieke leven eind 18e-begin 19e eeuw domineerde, was de Belgische prins niet te spreken. Hij deed de profetische uitspraak dat Moskou voor Napoleon wel eens het einde van zijn ‘mooie en unieke carrière’ zou kunnen worden (228 ; uit deze uitspraak blijkt duidelijk dat de Ligne in de eerste plaats een militair was). Als we de memoires mogen geloven, zou de Oostenrijkse keizer Jozef II de prins gevraagd hebben met de opstandelingen in de Zuidelijke Nederlanden te gaan praten (152). Hij vernam het nieuws van de opstand in de Oostenrijkse Nederlanden toen hij in Rusland zat, op de Krim, in het gezelschap van Catharina II. Ook Jozef II, eveneens een van de gasten van de keizerin, nam de Ligne bij de hand en zei kwaad : ‘U bent geloof ik de eerste ridder van de orde die een Russische keizerin de hand kust in gezelschap van Tataren.’ Daarop antwoordde de Ligne ‘dat het voor ons allebei beter was dat ik me die dag als een edelman uit de Krim gedroeg, en niet als een Vlaamse.’ (64) Interessant, maar hoogst onwaarschijnlijk is de bewering van de ‘Vlaamse’ prins dat ‘de eerste woelingen van de omwenteling zich nooit zouden hebben voorgedaan als ik op mijn commandopost was gebleven’ (100) in plaats van naar Rusland te vertrekken.

Het enige punt van kritiek op deze voortreffelijk vertaalde memoires is dat ze te weinig noten bevatten. De prins strooit met namen en feiten die voor de doorsneelezer van nu niet meer vertrouwd zijn. Een mooi voorbeeld vindt de lezer op p. 44-45, waar hij volgende namen of begrippen aantreft : Arnauld, Pascal, Port-Royal, Renault de la Roche Valin, madame Guyon, Fénelon, jansenist, Bossuet, catechismus van Montpellier, Mésenguy, María de Ágreda en Marghareta-Maria Alacoque…, wellicht toch iets van het goede te veel.

Het tweede boek van onze beroemde Belg (wat een geplande toevalligheid van omstandigheden !) bevat de brieven van prins de Ligne aan markiezin de Coigny, een in haar tijd beroemde vrouw, die de Franse koningin Marie-Antoinette ‘de koningin van Parijs’ noemde, met afgunst wellicht, want zichzelf vond ze niet meer dan de ‘koningin van Versailles’. Kortom, een Meinungsmacher of zoals het tegenwoordig heet een influencer. Prins de Ligne was niet van gisteren : hij wist dat zijn brieven aan een invloedrijke vrouw als de markiezin niet voor haar alleen bestemd waren, maar in haar salon voorgelezen zouden worden en bekend zouden raken in heel Parijs. En dat was wellicht waar het de Ligne om te doen was : zijn mening geven over het land en de keizerin bij wie hij te gast was – in het Rusland van Catharina de Grote, in haar wingewest de Krim. De gunsteling van Catharina, Grigori Potjomkin (bij ons bekend als Potemkin), had de Krim afgepakt van de Turken (die daar de baas gespeeld hadden tussen 1475 en 1783) en nu nodigde hij zijn heerseres uit op een ‘blijde inkomst’ in de nieuw veroverde gebieden. De reis had een dubbel doel : de binnenlandse criticasters ervan overtuigen dat het allemaal de moeite en het geld waard was, de westerse Ruslandwatchers laten zien hoe welvarend en machtig Rusland was, hoe goed Catharina en haar gunsteling het deden in het ooit mohammedaanse gebied, en wellicht ook dat Rusland in staat was om (binnenkort) oorlog te voeren tegen Turkije, dat natuurlijk niet verguld was met de annexatie van de Krim. De westerse mogendheden al evenmin – Rusland kun nu in 48 uur Istanboel bereiken ! Vooral de pro-Turkse Fransen waren op hun hoede. De gezanten van Frankrijk, Engeland en Oostenrijk gingen graag in op haar uitnodiging, nu konden ze zich met eigen ogen vergewissen van wat Potemkin er allemaal van terecht had gebracht. Ook de Oostenrijkse keizer Jozef II was van de partij, hij wilde Rusland wel steunen in een mogelijke oorlog tegen de Turken, maar hij was toch ook gealarmeerd door de geweldige machtsontplooiing van Catharina. De westerse pers volgde geïnteresseerd en met argusogen de cruise op de voet. Niet dat er toen al echte correspondenten waren, maar in verscheidene westerse kranten (zo bv. in de Amsterdamsche Courant) kon je toch regelmatig berichten lezen over de majesteitelijke stoet over de Dnjepr. Deze triomftocht van de Russische keizerin heeft de reputatie van Rusland geen goed gedaan : in de westerse pers werd geroddeld dat Catharina aan de oever van de Dnjepr geen echte dorpen, huizen en winkels te zien kreeg, maar papieren theaterdecoraties die haar vriend Potjomkin had laten optrekken om zijn bazin zand in de ogen te strooien. Dit fenomeen kreeg al gauw de naam ‘Potemkinse dorpen’ en staat voor de poging om een rooskleurig beeld te scheppen van wat er eigenlijk niet zo goed voorstaat. Het is een van de hardnekkigste clichés over Rusland geworden, een (voor-) oordeel dat tot de val van het communisme onze beeldvorming over Rusland gedomineerd heeft. Je zou kunnen stellen dat Poetin de mythe gelogenstraft heeft door in een recordtempo de brug tussen de door hem in 2014 geannexeerde Krim en het Russische vasteland (over de Straat van Kertsj) te bouwen. Dat er bedrog in het spel zou kunnen zijn en dat afgunstige hovelingen en westerse diplomaten roddelden, daarvan was de ooggetuige prins de Ligne zich goed bewust en hij komt er dikwijls op terug in zijn brieven aan de Parijse markiezin. Of hij de brieven echt verstuurd heeft, weten we niet, het is niet uitgesloten dat hij ze later geschreven heeft, toen de Franse Revolutie al uitgebroken was en de reputatie van Catharina II door de Franse radicale pers de grond werd in geboord. Misschien zag hij zich toen genoodzaakt om de door hem bewonderde heerseres in een gunstig daglicht te stellen. En daar is hij zeker in geslaagd.

De brieven zijn een schoolvoorbeeld van het epistolaire genre en kunnen zonder probleem opgenomen worden in een bloemlezing van galante brieven, een in de 18e eeuw druk beoefend genre. Voor ons zijn de brieven van belang omdat ze over de Krim gaan en een getuigenis brengen van een bevoorrechte getuige. Prins de Ligne noemt het nieuwe wingewest van Catharina II ‘dit betoverende land’ (17, 30, 33), ‘het mooiste land van de wereld’ (18), van op zijn landgoed Parthenizza (dat de keizerin hem had geschonken, nu het kuuroord Partenit in het oosten van de Krim) schrijft hij een brief aan de markiezin waarin hij het heeft over ‘de mooiste en merkwaardigste plek ter wereld’ (25). Ook de lofuitingen aan het adres van de keizerin liegen er niet om : ‘Ik raak in de ban van de argeloze, innemende eenvoud van Catharina de Grote [ergens noemt de vleier haar Catherine le Grand !]. Haar genie heeft me naar deze betoverende plek gebracht.’ (30) en ‘Het is een onbeschrijfelijk genoegen om tot haar gevolg te behoren.’ (41).

In zijn achtste brief aan markiezin de Coigny gaat de Ligne uitvoerig in op de beschuldigingen aan het adres van Potjomkin dat hij de keizerin zou hebben willen bedriegen door haar een leugenachtig beeld voor te schotelen van welvaart, industrie en ijver van de plaatselijke bevolking. ‘Ik weet dat reizigers, hovelingen en positieve berichten over Rusland [le bien qu’on dit de cet empire] doorgaans niet worden geloofd. Zelfs Russen die het jammer vonden dat ze niet van de partij waren, beweren dat we misleid zijn en dat we anderen misleiden. Ze hebben nu al het belachelijke verzinsel verspreid dat er langs onze route over een afstand van honderden mijlen kartonnen dorpen werden opgetrokken, dat de schepen en kanonnen geschilderd waren, dat de cavalerie geen paarden had enzovoort.’ (45) De prins is zich goed bewust van het illusoire van heel de onderneming en dat er veel pogingen werden ondernomen om de reis van de keizerin comfortabel te maken : ‘Ik weet heel goed waar de illusie [escamotage] begint. De keizerin kan bijvoorbeeld niet gewoon zoals iedereen over straat lopen en denkt dus waarschijnlijk dat een paar steden waarvoor ze heeft betaald helemaal afgebouwd zijn, terwijl het vaak nog steden zonder straten, straten zonder huizen en huizen zonder dak, deuren of ramen zijn.’ (46) Hij gaat ook in op de kritiek die Catharina had geschreven op het toen ophefmakende boek van abbé Chappe d’Auteroche Voyage en Sibérie (1768), waarin de Fransman een nogal negatief beeld schetst van Rusland. Daarbij zag de verontwaardigde monarche over het hoofd dat de kritiek van Chappe eigenlijk sloeg op het bewind van haar voorgangster Elisabeth. Ze vond het beledigend voor haarzelf en haar land dat Chappe alleen wildernis had gezien in Rusland (47) Dat het volk gedwongen werd zijn keizerin enthousiast binnen te halen, wuift de Ligne van de hand : ‘de mensen die onderweg stonden te juichen, deden dat beslist van harte en met vrolijk lachende gezichten’ (47). Hij benadrukt dat ‘alles wat ik u schrijf waar is’ (47) en besluit : ‘Mevrouw, in het Noorden [= Rusland] liegen ze over het Westen zoals ze in het Westen liegen over het Noorden. U moet de draagstoeldragers van Versailles evenmin geloven als de izvoztsjiks van Tsarskoje Selo’ (= de koetsiers van de zomerresidentie van Catharina) (48). Daarmee is bijna vooruitgelopen op het Koude Oorlog discours van de 20e eeuw.

Met deze twee vertalingen – in schitterend Nederlands, dat niet hoeft onder te doen voor het originele Frans – is een grote Belg van de 18e eeuw weer iets meer toegankelijk gemaakt voor onze landgenoten en vele Nederlanders die geen Frans meer willen of kunnen lezen. Alle lof voor de vertaalster, die ons heeft laten genieten van ‘het laatste ongestoorde feest van het ancien régime’, zoals de de Ligne-biograaf Raymond Trousson de reis naar de Krim karakteriseerde. Lof ook voor de nuchtere blik van de Ligne die de roddel doorhad : kwade tongen beweerden dat de schepen van Potemkin zo in elkaar zouden vallen, dat er prutswerk geleverd was, dat alles fake was, kortom een Potemkins dorp. De uitdrukking is opgegaan in alle westerse talen en de mythe is lang blijven bestaan, maar Rusland heeft één jaar later wel de Turken verslagen – met kaduke schepen?