Buitenlandse specialisten in het Rusland ten tijde van Peter de Grote

Inostrannye specialisty v Rossii v ėpochu Petra Velikogo. Biografičeskij slovar’ vychodchev iz Francii, Vallonii, frankojazyčnych Švejcarii i Savoji. 1682-1727. [Buitenlandse specialisten in Rusland ten tijde van Peter de Grote. Biografisch lexicon van inwoners van Frankrijk, Wallonië, Franstalig Zwitserland en Savoye]. Moskou, uitgeverij Lomonosov’, 2019, red. V.S. Ržeuckij en D.Ju. Guzevič, 799 p. ISBN 978-5-91678-466-4.

Dit naslagwerk over ‘Buitenlandse specialisten in Rusland tijdens het bewind van Peter de Grote’ werd uitgebracht in samenwerking met het Duits Historisch Instituut in Moskou, het Lichatsjov Fonds en het Peter de Grote Instituut in Sint-Petersburg. Het is een indrukwekkende encyclopedie van Franstaligen die mede het Rusland van Peter hebben helpen (uit-) bouwen. De auteurs van dit omvangrijke naslagwerk zijn niet aan hun proefstuk toe. Vladislav Rjeoutski is de auteur van European Francophonie: The Social, Political and Cultural History of an International Prestige Language (Oxford 2014) en Dmitri Gouzévitch is een van de eminente kenners van het Petrinische tijdperk, o.a. als auteur van de eveneens indrukwekkende bibliografie over het Grote Gezantschap van Peter (Pervoe evropejskoe putešestvie carja Petra. Analitičeskaja bibliografija za tri stoletija 1697-2006) en vast medewerker aan het Peter de Grote Instituut in Sint-Petersburg, dat elk jaar een internationale conferentie rond Peter de Grote organiseert.

Dit boek is een noodzakelijke aanvulling op vele andere die vooral Duitse en Nederlanse arbeidskrachten in Rusland behandelen. Bekend zijn de studies van Amburger (Die Anwerbung ausländischer Fachkräfte für die Wirtschaft Russlands vom 15. bis ins 19. Jahrhundert, Wiesbaden 1968) of de door het NRC van Groningen uitgegeven lexicon van Boris Makarov. Gollandcy v Rossii v pervoj polovine XVIII veka [Nederlanders in Rusland in de eerste helft van de XVIIIe eeuw] (Sint-Petersburg 2009). Alleen al in het eerste kwart van de 18e eeuw werkten er tussen de drie en vijfduizend buitenlanders in Rusland, waaronder heel wat Nederlanders. Alleen al uit deze twee werken moge blijken dat de bouw van een nieuw, volgens de uitdrukking (1721) van de Duitse diplomaat Weber “verändertes Rußland” onmogelijk zou zijn geweest zonder buitenlandse specialisten aan te trekken. In volle Koude Oorlog is dit standpunt met veel verve uitgewerkt in het boek van Werner Keller. Ost minus West = Null. Der Aufbau Rußlands durch den Westen (1960), dat op het gebied van de Ruslandkunde een bestseller is geworden.

In populaire literatuur over Peter I vind je vaak de mening terug dat alles veranderd is onder deze tsaar. Keller ontkent dit en schrijft: ‘Was Peter I., genannt der Große, aufstieß, war längst kein «Fenster» gen Westen mehr, es war ein riesiges Tor; das Fenster zum Hereinholen europäischer Fortschritte und Errungenschaften war längst von seinen Vorgängern aufgerissen worden’. Dit wordt bevestigd door Russische studies die de laatste twintig jaar in Rusland verschenen zijn; ik denk vooral aan de studies van Viktor Zacharov. Zapadnoevropejskie kupcy v Rossii: Ėpocha Petra I [West-Europese kooplui in Rusland ten tijde van Peter I] (Moskou 1996) e.a., en van V. Kovrigina. Nemeckaja sloboda Moskvy i eë žiteli v konce XVII-pervoj četverti XVIII vv. [De Vreemdelingenwijk van Moskou en zijn bewoners eind XVII-eerste kwart XVIIIe eeuw] (Moskou 1998).

In dit naslagwerk over Franstalige specialisten in Rusland blijkt dat de bewering van Keller gefundeerd is. De import van buitenlandse werkkrachten begon al in de 15e eeuw (met de bouw van het Kremlin door Italiaanse architecten). In de 16e eeuw ontdekten de Engelsen de weg naar Rusland, waardoor talloze Engelse kooplui zich in Rusland vestigden of er handel over zee mee begonnen te drijven. In de 17e eeuw kwamen daar op grote schaal de Duitstalige landen bij. Vanuit Frankrijk kwamen er kooplui naar Rusland onder Ivan de Verschrikkelijke, ze dreven handel met de Oostzee (Balticum). In het begin evenwel was het katholieke Fransen niet toegestaan hun eredienst te vieren in Rusland, terwijl protestanten dat wel mochten. Dat veranderde na de opheffing van het Edict van Nantes (1685) door Lodewijk XIV, waardoor tienduizenden Franse protestanten (hugenoten) het land verlieten en zich in de Republiek, in Duitse landen en ook in Rusland gingen vestigen. Al deze facetten van buitenlandse aanwezigheid in Rusland worden in dit grandioze boek uitvoerig belicht.

De doelgerichte aanwerving van specialisten begon evenwel onder Peter I.  In 1702 vaardigde hij het manifest uit ‘Over de import van buitenlanders in Rusland, met de belofte van godsdienstvrijheid’. Buitenlanders zouden ook volgens hun eigen geplogenheden berecht worden en ze zouden het recht hebben naar hun land terug te keren (over dit laatste heikele punt werd vaak gekibbeld: soms vond de tsaar dat ze de taak waarvoor ze aangeworven waren niet afgewerkt hadden of niet voldoende Russische werkkrachten opgeleid hadden). Buitenlanders kregen een (vaak) riant loon in het vooruitzicht gesteld (wat bij de Russen afgunst opriep), de reiskosten werden betaald, de eerste jaren werden ze vrijgesteld van belastingen en ze kregen een woning ter beschikking. Men zocht ook naar buitenlanders die ‘een beetje Pools of een andere Slavische taal die op het Moskovisch lijkt’ zouden kennen. De bouwwerf die het jonge Petersburg was, moet overgekomen zijn als de toren van Babylon: op de straten van de jonge stad kon je Hollands, Duits, Frans, Italiaans, Zweeds en Fins horen. Voor een tijdje was het Nederlands de lingua franca van het jonge Petersburg. Een Engelse zee-officier beklaagde zich eens bij Peter dat hij Nederlands moest spreken!

De eerste grootschalige werfcampagnes vonden plaats in Amsterdam. De Republiek was een grote zeemacht waar emigranten van alle uithoeken van Europa heenkwamen om werk te vinden en dus een ideale plek om werkwilligen aan te werven, maar dan vooral op het gebied van de zeevaart en de scheepsbouw. Voor andere gebieden – de bouw van paleizen en de aanleg van parken – moesten de agenten van Peter eerder in de Franstalige wereld gaan zoeken. Het bekendste voorbeeld is Jean-Batiste Leblond, l’architecte du roi, die naar Rusland ging werken en daar meegewerkt heeft aan het verfraaien van Peters nieuwe hoofdstad.

Niet al de aangeworven arbeiders of specialisten leken te deugen. Ze werden niet altijd op hun merites beoordeeld of aangeworven, ze bleken vaak niet te beantwoorden aan de gestelde criteria en werden teruggestuurd. Sommigen ook wegens slecht gedrag (dronkenschap, doodslag).

Dit indrukwekkende naslagwerk vult een grote lacune op en verdient alle lof. De auteurs hebben niet alleen voor de hand liggende landen genomen (Frankrijk en Zwitserland), maar ook België en zelfs Nederland. Wat België betreft, is het een verstandige keuze van de samenstellers om ook Walen op te nemen (althans degenen die men heeft kunnen vinden of van wie ergens in Russische bronnen geboekstaafd staat dat ze uit Wallonië kwamen); wat Nederland betreft, is het belangrijk erop te wijzen dat er ook Hugenoten in zijn opgenomen die zich eerst in de Nederlanden hadden gevestigd vooraleer naar Rusland te gaan werken. Het is natuurlijk onmogelijk het jarenlange werk van de samenstellers op elke naam te controleren, dit moet nu gedaan worden door de gebruikers van dit lexicon. Eén landgenoot wil ik even in herinnering brengen. Jean Paul Bacon (1761) leerde Peter I kennen tijdens diens bezoek aan de Oostenrijkse Nederlanden in 1717. Hij ging in op Peters voorstel naar Rusland te komen werken en vertrok zonder zijn gezin mee te nemen. Bacon heeft vallen en opstaan gekend in Rusland, maar is nooit teruggekeerd naar België en dat terwijl hij een getrouwd man en vader van zeven kinderen was. Rusland was dus blijkbaar niet alleen het land waar je veel geld kon verdienen, het land van avonturiers, maar ook de redplank voor huwelijksproblemen?