Dietrich Scholze. Jurij Brězan. Leben und Werk

Dietrich Scholze. Jurij Brězan. Leben und Werk. Bautzen, Domowina-Verlag, 2016, 295 p.

ISBN 978-3-7420-2371-1

Het kleinste Slavische volk woont niet op Slavisch grondgebied, maar vormt een enclave in Duitsland: in het drielandenpunt (Oost-) Duitsland, Tsjechoslovakije en Polen. Ze staan in het Duits bekend onder de naam Sorben en wonen in de Lausitz. Bij het begin van de 21e eeuw waren ze nog slechts met 50 à 60.000. Het zijn nazaten van de Slaven die in de zevende eeuw naar het Westen afzakten (de tegenovergestelde beweging van de Drang nach Osten van de Germanen die naar het Oosten trokken) en zich daar blijvend gevestigd hebben. Het is Karel de Grote die de grote volksverhuizing van de Slaven richting Westen een halt heeft toegeroepen, anders sprak men nu in Duitsland misschien Slavisch! In het midden van de 19e eeuw zijn de Sorben tot het besef van hun identiteit gekomen en is – net zoals in Vlaanderen – een soort van Sorbische beweging ontstaan voor het behoud en ontwikkelen van de Sorbische taal en cultuur. Onder de nazi’s werd dat verboden en het duurde tot 1948, toen de Sorbische gemeenschap inmiddels opgegaan was in de jonge DDR, tot er een Sorbengesetz (wet op de Sorben) kwam, waardoor de enige minderheid in Duitsland van rechtswege beschermd werd, onderricht kreeg in de Slavische volkstaal, theaters, uitgeverijen en kranten. Dit nam niet weg dat te veel hameren op de noodzaak van het cultiveren van de Sorbische cultuur nu en dan gezien werd als ‘gevaarlijk Sorbisch nationalisme’ (75), een in communistisch Oost-Europa na 1945 niet ongevaarlijk verwijt. Ook na de Wende van 1989 hebben de Sorben in het nieuwe, verenigde Duitsland zich weten te handhaven en een bedrijvige culturele en wetenschappelijke bedrijvigheid aan de dag kunnen leggen.

Het voorliggende boek is daar een goed voorbeeld van. Het is uitgegeven door de Domowina, het cultuurhuis van de Sorben in de culturele hoofdstad Bautzen, en is geschreven door de beroemde sorabist (specialist Sorbische taal en cultuur) Prof. dr. Dietrich Scholze, die zelf van 1992 tot 2016 directeur van het Sorbisch Instituut (Serbski institut) in Bautzen was. Het is een monografie over de belangrijkste en interessantste Sorbische schrijver Jurij Brĕzan (uitspraak : Breezan) (1916-2006), een productieve, tweetalige schrijver van de Lausitz die niet alleen voor Duitsland, maar ook voor de rest van de wereld de literatuur van het kleinste Slavische volk op de kaart heeft gezet.

Brĕzan werd in 1916 geboren en trok dus als volwassen man de Tweede Wereldoorlog in. Na deze desastreuze confrontatie van Duitsland met de Slavische wereld kwam Brĕzan terecht in het vernietigde en verscheurde Duitsland, waar zijn geboortestreek (Lausitz) nu onderdeel uitmaakte van de Sovjetzone, de latere DDR (sinds 1949). De schrijver schaarde zich achter het regime, waarvan hij dacht dat het een rechtvaardige samenleving zou realiseren. Die droom heeft hij tot op hoge leeftijd bewaard, zij het ook met periodes van twijfel en scepticisme (zo bv. na 1956). De kleingeestige dictatuur van de kleine, lokale Stalins was tot in de verre uithoek van de Slavische Lausitz te voelen, maar Brĕzan heeft zich nooit gecompromitteerd met het regime, dat in 1989 van de kaart werd geveegd en vervangen werd door het door de West-Duitsers opgelegde kapitalistische marktsysteem.

In 1965 schreef Brĕzan: ‘Wat anders brengt een volk tot leven of dood dan zijn levende taal en cultuur?’. De zoon van de katholieke Sorbiër Georg Bresan ging consequent als Brĕzan door het leven, maar schreef zowel in het Sorbisch als het Duits. Om eerlijk te zijn, is het dit laatste dat hem gered heeft en hem over de grenzen van het kleine Sorbenland beroemd heeft gemaakt (te vergelijken met de ‘Vlaamse’ schrijvers Maeterlinck en Verhaeren die zo goed als zeker nooit (wereld-) beroemd zouden zijn geworden, indien ze in het Nederlands hadden geschreven). Dat Brĕzan in de late jaren dertig in conflict kwam met de nazi’s (die van de Sorben niets moesten hebben) en zelfs een tijdje in de gevangenis heeft gezeten, heeft hem na de oorlog geholpen: hij was nu een ‘strijder tegen het fascisme’ en dat stond in de DDR goed aangeschreven. Al in 1946 werd hij lid van de Oost-Duitse communistische partij (SED – Sozialistische Einheitspartei Deutschlands), wat zijn moeder betreurde, want ‘nu was ik voor de hemel en de hemel voor mij verloren’ (45). Niet allemaal terecht, want het werk van Brĕzan blijft tot op het einde doordrongen van religieuze motieven, de schrijver bleef zelf de grote feestdagen in de katholieke kerk bijwonen (net als de rest van Duitsland is een deel van de Sorben katholiek en een ander deel protestants, bovendien valt deze kleine Slavische taal nog eens uiteen in Opper-Sorbisch en Neder-Sorbisch) en hij liet zich altijd inspireren door de volkslegenden en mythologie van zijn Slavisch volkje. Zijn eerste verhaaltje heette Kerstlegende van de Grote Nood, een moderne variant van het bekende verhaal: timmerman Jozef zoekt een onderdak voor zijn hoogzwangere vrouw in een verwoeste stad (een voorbeeld van ‘Trümmerliteratur’ over het door de oorlog verwoeste Duitsland).

Heel het werk van Brĕzan is doordrongen van het dogma van de naoorlogse literatuur in de DDR: de ethiek is belangrijker dan de esthetiek, de inhoud primeert over de vorm, de boodschap, het engagement hebben de bovenhand. Brĕzan geloofde in de overwinning van de nieuwe maatschappijvorm (communisme, collectivisme) en wilde als schrijver een bijdrage leveren aan deze toekomst (110). Dat was niet altijd gemakkelijk, gezien het doctrinaire en autoritaire DDR-regime, maar Brĕzan bleef tot het einde ‘optimist tegen beter weten in’ (136). Hij sprak zich openlijk uit tegen de pogingen van Dubček in Tsjechoslovakije om een ‘socialisme met menselijk gezicht’ te realiseren (1968 – Praagse Lente), maar was dan wel niet te spreken over de DDR-autoriteiten die in 1976 de protestzanger Wolf Biermann het land uit zetten (140). In de laten jaren 1990 heeft hij de sarcastische roman Die Leute van Salow geschreven, een boze afrekening met de Treuhand (de West-Duitse overheidsinstelling die heel de industrie van de failliete DDR moest ontmantelen en privatiseren).

Het werk van Brĕzan is omvangrijk en tweetalig. Sommige werken schreef hij alleen in het Sorbisch, andere alleen in het Duits, sommige vertaalde hij zelf naar zijn tweede moedertaal. Er zijn tenminste twee werken die eruit springen en verdienen in het Nederlands vertaald te worden. Het jeugdboek Die Schwarze Mühle (De zwarte molen, in 1975 verfilmd) van 1968 vertelt over de jongen Krabat die door het land trekt en door de zwarte molenaar als knecht aangeworven wordt. Samen willen ze de wolf klein krijgen die naar oude overlevering een kist bewaakt waarin al het weten van de mensen verstopt zit. Maar de molenaar blijkt een uitbuiter te zijn. Stof te over dus voor een spannend boek voor de jeugd. Dit verhaal over de mythische, tijdloze figuur Krabat wordt voortgezet in de omvangrijke roman Krabat oder Die Verwandlung der Welt (Krabat of de herschepping van de wereld, 1976). Dit is eigenlijk het epos van het Sorbische volk, Krabat is een soort Faustiaanse symbolische figuur, die heel de geschiedenis omvat en een visie brengt op de evolutie van de mensheid naar meer menselijkheid, verzinnebeeld in de figuren van Krabat en zijn trouwe begeleider, de molenaar en trompettist Jakub Kuschk, die staan voor de eeuwenlange sociale en nationale onderdrukking van de Sorben en de hoop op bevrijding en het vinden van aards geluk. Deze parabel is het meest ambitieuze werk van Brĕzan, een sleutelroman. Een leuk verhaal is ook het kinderboek Die Abenteuer des Kater Mikosch (1966) over een zwarte kater die spoorloos verdwijnt en pas na vele omzwervingen door Praag, Bratislava en Hongarije en vriendschappen met een leeuw, een olifant en een kameel, weer de weg vindt naar zijn huis in de Lausitz. In 1993 werd dit kinderboek vertaald door Bart Moeyaert (Kater Mikosch).

Met al deze vaak spannende, vaak didactische verhalen is Brĕzan uitgegroeid tot de meest succesrijke Sorbische schrijver, die ook in de rest van Duitsland populair geworden is na 1989. In zijn autobiografie, die na het instorten van het DDR-regime verscheen, schrijft hij over het drievoudige ‘mankement’ waar hij soms onder gebukt ging: dat hij een Sorbe was, een Ossi en ‘noch openlijk noch heimelijk dissident’ (259).

Door de monografie van Dietrich Scholze wordt Jurij Brĕzan nu voor een breed publiek toegankelijk. Het is een voorbeeldige biografie van een bestsellerauteur, uitstekend gedocumenteerd, genuanceerd wanneer het over de ten ziele gedragen DDR gaat en toch met respect voor de keuzes die de literator na WO II gemaakt had. De auteur citeert uitvoerig uit het werk van Brĕzan, Sorbische citaten vertaalt hij naar het Duits, reconstrueert stap voor stap zijn literaire én politieke carrière, besteedt ook veel aandacht aan de receptie van zijn werk – zowel bij de Sorben als bij de Duitsers, ook in West-Duitsland en de rest van de wereld (vooral Oost-Europa), aan vertalingen en verfilmingen. Hopelijk is door dit boek de belangstelling van een ander, lange tijd onderdrukt volk gewekt.

                                                                                                                                              Emmanuel Waegemans