Dirk & Arvid Rochtus. Geist und Gestaltungsmacht. Ein Außenblick auf deutsche Kultur und Politik.

Dirk & Arvid Rochtus. Geist und Gestaltungsmacht. Ein Außenblick auf deutsche Kultur und Politik. Leipzig, Leipziger Universitätsverlag, 2024, 165 p. ISBN 978-3-96023-486-9.

De auteurs van dit boek, vader en zoon, zijn goed vertrouwd met de Duitse geschiedenis en cultuur : Dirk als docent Duits en Duitse geschiedenis aan de KU Leuven (campus Antwerpen), Arvid als jurist, die in Heidelberg en Bonn gestudeerd heeft. Het boek is een bundeling van elders reeds gepubliceerde artikelen of lezingen op conferenties, en daardoor wat hybride, maar toch worden er enkele grote problemen van het Duitse denken in behandeld.

Het begint met een opstel over Duitslands positie in de wereld (Nationalstaat oder “Kosmopolis”) en de stelling dat Duitsland eerder een idee is dan macht (11). Wellicht is de idee dat Duitsland een zending te volbrengen heeft, geopperd door J.G. Fichte in 1808, noodlottig geworden voor het verdere verloop van de Duitse geschiedenis. In 1914 trok het land in de naam van de cultuur ten strijde tegen de civilisatie (‘Am deutschen Wesen soll die Welt genesen’). In 1871 had de cultuurnatie die het verbrokkelde Duitsland was, zich getransformeerd tot een kolos in het centrum van Europa (12). We mogen met de auteur hopen dat per 3 oktober 1990 Duitsland een wedergeboorte als Kulturnation meemaakt (13), heel wat geruststellender dan de situatie voor de (weder-) vereniging van de beide Duitslanden. Door die missiegedachte trok een spook door Europa, niet dat van het communisme (zoals Marx en Engels hadden voorspeld in het Manifest van de Communistische Partij), maar van de dominantie door Duitsland (17). Na alles wat de 20e eeuw meegemaakt heeft, neemt het voor velen noodzakelijke afscheid van de natie de vorm aan van zelfhaat (‘Nie wieder Deutschland’) (23). Velen zien een toekomst van het land alleen in een ‘kosmopoliet Duitsland’ binnen een geglobaliseerd Europa (25). Het is duidelijk dat velen de last van het verleden willen afwerpen, temeer omdat de nationale geschiedenis nogal eens gereduceerd wordt tot de holocaust. Als er al sprake is van nationalisme onder jonge Duitsers, dan van een ‘Selbsthassnationalismus’ (27).

Het tweede stuk handelt over de conservatieve denker Hans Zehrer die in de jaren 1920 en ’30 meegewerkt heeft aan het ondermijnen van de Weimarrepubliek, hij verwierp democratie, parlementarisme en zette in op een conservatieve revolutie voor Duitsland, waardoor hij willens nillens het nationaalsocialisme in de hand heeft gewerkt.

Een curiosum in dit boek is het korte artikeltje over twee Duitse dichters – Johannes Becher en Franz Fühmann – die lofdichten op Stalingrad hebben geschreven. Met uitroepen over Stalingrad als ‘die Ewige Stadt, die freieste van allen’ bereikt de blinde naïviteit van de Duitse communist Becher wel de grens van het lachwekkende. Führmann stelt dat de slag bij Stalingrad zijn vaderland (Duitsland) gered heeft en dat dankzij de ‘bouwer van de nieuwe, humane wereld’ (44). De naïeve fellow traveller (Mitläufer) was ervan overtuigd dat er geen middenweg was tussen het communisme en het nationaalsocialisme (tertium non datur).

Aan de kwestie van een mogelijke uitweg uit de impasse van het Oost-Duitse communisme en of het verzoenbaar was met het West-Duitse kapitalisme, is een uitvoerige bijdrage gewijd in het artikel ‘Zwischen Realität und Utopie Das Konzept des “Dritten Weges” in der DD 1989/90’), waarover de auteur in dezelfde uitgeverij al in 1999 een boek had gepubliceerd. Het is een boeiende discussie – had men na 1989 niet kunnen kiezen voor een compromis, een mix, een versmelting van de positieve aspecten van beide systemen ? Was een ‘derde weg’ mogelijk ? Het begrip dook op in 1989 in de beweging voor burgerrechten onder dissidente intellectuelen van de SED (later PDS : Partei des demokratischen Sozialismus), die een ander socialisme wilden. Het socialisme dat ze veertig jaar lang gekend hadden in de DDR, was niet het echte socialisme, maar het door het stalinisme gecorrumpeerde socialisme. Viel dat nog te redden ? Critici scholden hen uit voor dromers en fantasten (106), ook als ze het hadden over ‘modern socialisme’, waarna ze dan uitgemaakt werden als ‘neocommunisten’ (111). Met de Wende, het importeren / opleggen van het West-Duitse maatschappijmodel, grondwet e.d. bleek het zoeken naar een Derde Weg irrelevant geworden (109). De PDS vindt maar weinig aanhangers in West-Duitsland. Dezelfde discussie leefde onder Russische emigranten die al in de jaren dertig ijverden voor een tussenweg – geen kapitalisme, geen communisme, maar solidarisme (Nationaal Verbond van Russische Solidaristen - NTS).

Inspirerend is de bijdrage over de taaiheid van de Oost-Duitse identiteit (47-51), waarin de auteur parallellen trekt tussen Oost-Duitsland (na 1990) en Vlaanderen. De verhouding DDR-Oost-Duitsland met de Bondsrepubliek vergelijkt hij dan met die tussen Vlaanderen en Nederland. Of die vergelijking hem hier in dank zal worden afgenomen, is nog de vraag. Of wij de ‘arme neefjes’ van de Nederlanders waren (48), lijkt me ook bedenkelijk. De parallellen stemmen tot nadenken, maar de auteur ziet twee fundamentele verschillen over het hoofd : Oost- en West-Duitsland zijn alles bij elkaar slechts twee generaties van elkaar gescheiden geweest (1945-1989), Vlaanderen en Nederland 400 jaar (sinds 1585), waarin zoveel vijandigheid, concurrentie, ruzie, revanchisme heeft plaatsgevonden, dat van een verzoening wellicht geen sprake meer kan zijn. Bovendien kan men de Vlamingen niet neerzetten als achterlijke sullen die niet graag werken of niet efficiënt zijn, in tegenstelling tot de hardwerkende Nederlanders, die dus net als de Wessies niet moeten neerkijken op de Vlamingen.

Het boek wordt afgesloten met twee bijdragen over Hegel als ‘problematische denker’ en als ‘Versöhner mit der Moderne’. Is Hegel echt de filosoof van de Pruisische staatsmacht, die dan op haar beurt de oorzaak van het Duitse militarisme (119) zou zijn ? Is zijn filosofie wel zo reactionair, monarchistisch en tegen de Slavische volkeren gekeerd, zoals in de Sovjetunie gesteld werd ? In het stuk van zoon Rochtus wordt uitvoerig ingegaan op al de oordelen en vooral vooroordelen over Hegel die al tweehonderd jaar opgeld doen en een objectief beeld van de filosoof onmogelijk maken. Het gaat zover dat zijn denken het fundament zou hebben gelegd voor het fascisme, zelfs een beetje voor het nationaalsocialisme en (via Marx) voor het communisme (125), geen geringe beschuldiging. Na een uitvoerige uiteenzetting van de belangrijkste denkers die zich met Hegel ‘auseinandergesetzt’ hebben, komt Arvid Rochtus tot de conclusie dat de vele verkeerde interpretaties van Hegels filosofie de complexiteit van zijn ‘Analyse der Moderne’ miskennen. Hegel zou naar een verloren gegane eenheid op zoek zijn gegaan, maar hij zag in dat die eenheid noch in het verleden, noch in een utopische toekomst te vinden was. Die eenheid zou slechts in het Nu tot stand kunnen komen, in een verzoening met de werkelijkheid (158-159).

Een inspirerende bundel, met veel uitnodigende overdenkingen en statements over een buurland dat ten onzent toch te weinig bekend is. Het boek biedt nu een mooie doorsnede van waar Duitse denkers de laatste dertig jaar mee bezig zijn.