Dubravka Ugrešić. De vos.

Dubravka Ugrešić. De vos. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 2017, 352 p. Originele titel ‘Lisica’, uit het Kroatisch vertaald door Roel Schuyt. ISBN 978 90 388 0265 7.

Op de omslag van het boek staat ‘De vos. Roman’, maar de aanduiding van het genre is niet terug te vinden op de titelpagina, de enige serieuze bron voor een professioneel bibliograaf. Het is waarschijnlijk de uitgever die zich deze frivoliteit veroorloofd heeft – in de Kroatische uitgave (Zagreb, uitgeverij Fraktura, 2017) is van roman geen sprake. Niet dat dit een onvergeeflijke zonde is van de Amsterdamse uitgever, maar het dwingt de lezer wel in een bepaalde hoek. Misschien is het een truc van de uitgever, een verkoopstunt – verkoopt een roman niet beter dan een essaybundel?

Zelf zou ik er niet zo gauw het label roman op plakken. Wat voor een roman is het trouwens? Een filosofische roman, een liefdesroman, een oorlogsroman, een avonturenroman soms? Een historische roman? Ik zou er eerder een Bildungsroman in zien, een in zes hoofdstukken uitgewerkte intellectuele biografie van de literator en literatuurwetenschapper Dubravka Ugrešić (uitspraak : Oegrèsjietsj). Niet dat hier heel de intellectuele Werdegang van de auteur uit de doeken wordt gedaan, maar slechts enkele episodes. Die situeren zich vooral in en rond de Slavische wereld.

Dubravka Ugrešić is een Kroatische schrijfster die zich bij het instorten van het communisme en het uiteenvallen van communistisch Joegoslavië in de jaren negentig afgezet heeft tegen de oorlog, tegen het nationalisme (Kroaten tegen Serviërs, Serviërs tegen Kroaten) en tegen de haat en xenofobie die daarmee gepaard gingen. Dat heeft haar heel wat vijandschap opgeleverd, bedreigingen (‘verraadster!’), zodat ze ten slotte naar Nederland is geëmigreerd, waar ze sinds 1995 woont.[1] Dat haar laatste boek – het verhaal van de vos in haar leven – nu toch in Kroatië kon verschijnen, zou erop kunnen wijzen dat het verbolgen vaderland zich met zijn ‘afvallige’ intellectueel verzoend heeft. Een groot deel van haar boek gaat over Joegoslavië en de ‘verblinding’ die nu in de zes deelstaatjes heerst. Het boek is dus voor een groot deel autobiografisch, maar het is natuurlijk veiliger het over het ik-personage te hebben.

Aan het boek van Ugrešić is kop noch staart te krijgen. Het is geen zoölogische studie over de vos, ook niet een cultuurhistorische of literaire studie over de vos (Reynaert bv.) of over de betekenis van de vos in de literatuur of de cultuur van de auteur en van de landen die ze bezoekt en waarvan ze de talen spreekt. Maar de vos is wel een motief en zelfs een leidmotief. In de zes delen van het boek komt een (de) vos voor, in de Slavische talen vrouwelijk (lisica, uitspraak [liesietsa], klemtoon op de tweede lettergreep), maar in het Nederlands mannelijk (mannetjesvos, vosrekel). In fabels en verhalen wordt de vos gewoonlijk afgeschilderd als slim en sluw. Door in te spelen op de zwakheden van de anderen, kan hij ze bedriegen en misleiden. Merkwaardig is dat dit niet belet dat de vos doorgaans sympathiek overkomt. De mensen houden van slimmeriken en ook wel van zorgeloze grapjassen. Of de vos in het verhaal van Ugrešić per se vrouwelijk moet zijn, wordt niet duidelijk.

In het hoofdstuk over Nabokov en zijn vlindervangst (deel vijf ‘Little Miss Footnote’) vertelt Ugrešić een onwaarschijnlijke geschiedenis over de grote literatuursnob en lepidopterist (vlinderkundige) Vladimir Nabokov die een nog nooit beschreven soort vlinder aantreft op de venusheuvel van een studente van hem met wie hij op vlinderjacht is in de Grand Canyon. Haar vriend noemt haar schaamheuvel soms ‘mijn vosje’ (285).[2] Wellicht was deze seksuele metafoor nodig om toch ook in dit hoofdstuk al was het maar één keer een vos te vernoemen. Maar in al de andere hoofdstukken neemt hij (zij?) een prominentere plaats in.

In deel een (‘Verhaal over hoe verhalen ontstaan’) wordt de geschiedenis gereconstrueerd van een verhaal van de twintigste-eeuwse Russische schrijver Boris Pilnjak die in Tokyo kennismaakte met een Japanse schrijver die beroemd geworden was door een roman waarin hij zijn (seksuele) relatie met een Russische vrouw beschreef.[3] Wanneer de vrouw, die het Japans onkundig is, erachter komt waar de roman over gaat, breekt ze met de schrijver en vertrekt terug naar Rusland. Deze geschiedenis komt Pilnjak te weten van iemand die op het Sovjetconsulaat werkt. Die neemt hem mee naar de bergen boven de stad om hem de tempel van de vos te laten zien. ‘De vos is de godheid van sluwheid en verraad. Als de ziel van een vos zich in een mens vestigt, is het geslacht van deze mens vervloekt’. ‘De tempel is gelegen in de schaduw van ceders, op een rots die loodrecht naar zee afdaalt, en op het altaar van de tempel liggen vossen uit te rusten. Je kijkt vandaar uit op de bergen en de oceaan en het is er buitengewoon stil. Daar, op die heilige plaats, denkt Pilnjak na over de vraag hoe verhalen ontstaan’ (10, 348). Misschien is het hier de plaats om de vraag te stellen hoe boeken ontstaan, hoe het boek van Dubravka Ugrešić is ontstaan. Pilnjak zegt ook nog ‘De vos is het totemdier van de schrijvers’ (348). Wellicht ligt hier de sleutel tot dit boek: een boek over hoe boeken/verhalen ontstaan, hoe we zelf een deel worden van de grote verhalen van de wereldliteratuur. Zoals gezegd, is het een hybried boek, geen essay, maar ook geen roman, eerder een wandeling door de literatuur, meer bepaald van de Russische avant-garde, doorweven met persoonlijke belevenissen (vooral in deel drie ‘De tuin van de duivel’ over haar kennismaking en kortstondige relatie met de kraker van haar buitenhuis).

Die wandeling navoltrekken of navertellen is onbegonnen werk, er komen te veel namen en literaire werken in voor, te veel schrijvers, critici, kunstenaars, verzamelaars en wetenschappers, zodat je je weleens afvraagt wat de rode draad is, maar die is er m.i. niet of is alleen te vinden in het leidmotief. Dit is geen kritiek of verwijt. Dubravka Ugrešić vertelt hoe ze als jonge studente uit het nog communistische Joegoslavië naar Moskou trok om er een jaar Russische literatuur te gaan studeren en zo in contact kwam met half vergeten of half verboden schrijvers van de bloeiende avant-garde van de jaren twintig en dertig. Die literatuur heeft een grote invloed op haar gehad en zonder twijfel in goede zin. Ze heeft oog voor de waardevolle werken en schrijvers die de dictatuur van het Stalintijdperk overleefd hebben en nu overal hoog aangeschreven staan en wereldwijd gelezen of bestudeerd worden.

Er staan mooie verhalen (p. 106-107), anekdotes, fabels (p. 197 ‘de vos en de ooievaar’), legendes, sprookjes, volksversjes over vossen in (p. 215 of een Bulgaars volksliedje over ‘de vos die weduwe werd’, p. 297), te veel om op te sommen, en het is een hele puzzel om de filosofie van de auteur te achterhalen. Een van de hoofdstukjes van deel vier heet ‘Vossen houden van verlaten plekken’ (231) en ‘Vossen houden van eenzaamheid’ (263). Misschien is Ugrešić zelf een vos en wil ze zich terugtrekken op een rustig plekje waar ze niet lastig wordt gevallen – door oppervlakkige studenten die te lui zijn om te lezen, door opdringerige krakers van haar eigen huis, door doordrammende nationalisten die haar een ideologie van haat willen opdringen, ze worden allemaal opgevoerd in dit boek.

‘De vloek van de vos is dat ze niet geliefd is. Ze is niet zo sterk dat ze ons angst of ontzag inboezemt, en ze is ook niet van een adembenemende schoonheid. En hoe kun je van iemand houden die voortdurend van uiterlijk en karakter verandert, die je op het ene moment trouw volgt en op het andere moment bereid is om je voor elke redelijke prijs te verkopen, en van wie we nooit zeker weten of ze tot de wereld van de levenden behoort of tot die van de doen. De vos is geen dier, geen mens, zoals wij, en ook geen godheid. Ze is een eeuwige blinde passagier, een migrante die met gemak door de werelden reist, en als ze bij controle geen vervoersbewijs kan tonen, laat ze een paar balletjes op haar staart ronddraaien en vertoont ze wat andere goedkope kunstjes. Ze is zo kortzichtig (o, wat een zwakheid van dat vosje!) om de kortstondige bewondering die zij dan oogst, als liefde op te vatten. Dat zijn haar gloriemomenten. Al het andere is slechts een verhaal van angst, van een eeuwigdurende vlucht voor kogels en blaffende jachthonden; een verhaal van vervolging, klappen, wonden likken, vernedering, eenzaamheid en een goedkope troost: een ratel, gemaakt van kippenbotjes’ (351). In dit portret zit waarschijnlijk veel uit het leven van Dubravka Ugrešić zelf verwerkt.

De Kroatische schrijfster is goed vertegenwoordigd (vertaald) in het Nederlands[4] en heeft niet te klagen over een tekort aan literaire prijzen en onderscheidingen.[5] En terecht: een boeiende schrijfster met een precieze taal en stijl over intrigerende, zij het niet altijd duidbare onderwerpen over dingen die ons allemaal aanbelangen – literatuur, integriteit en vrijheid.

[1] Zie Nationaliteit: geen (1993, een bundeling van haar columns in NRC Handelsblad) en De cultuur van leugens (1995, essaybundel).

[2] In het Erotisch woordenboek (Utrecht-Antwerpen, Het Spectrum, 1980) komt deze aanduiding niet voor.

[3] Te vinden in Boris Pilnjak. Stad der stormen en andere verhalen. Amsterdam, Arbeiderspers, 1993 (‘Verhaal over hoe verhalen ontstaan’).

[4] De sleutel-roman ontsloten, Het leven is een sprookje, Verboden te lezen, Ministerie van pijn, Niemand thuis, Baba Yaga legt een ei, Europa in Sepia.

[5] In Engeland, Amerika, Duitsland, Oostenrijk en Italië.