Edwin Trommelen. Het rijk van de BAM. Mijn reis met die andere Trans-Siberië-Express.

Edwin Trommelen. Het rijk van de BAM. Mijn reis met die andere Trans-Siberië-Express. Amsterdam, Gibbon, 2017, 251 p. ISBN 978 94 91363771

Over de langste spoorweg ter wereld – de Transsiberië – is al veel geschreven. Duizenden nieuwsgierige reizigers of russofielen hebben de Transsib uitgeprobeerd en de acht-negen lange dagen in de trein uitgezeten. Veel minder bekend is het traject van de BAM – de Bajkal-Amoer Magistraal, ruim drieduizend kilometer lang en daarmee de tweede grote Siberische spoorlijn. De Transsib is een product van de 19e eeuw, waar in ijltempo aan gewerkt werd, de BAM is het laatste grote project van de Sovjetunie. Toen het in 1974 door partijleider Leonid Brezjnev gelanceerd werd als ‘het grootste civiele bouwproject aller tijden’ (7), wist niemand dat dit de zwanenzang van het communistische regime zou worden. Het regime stortte in, maar de spoorweg kwam er! Tussen medio jaren zeventig en medio jaren tachtig werd je met de BAM rond de oren geslagen: het was een prestigeproject, als het ware het inbegrip van het Sovjetsysteem; qua uitstraling werd het misschien alleen overtroffen door de enorm populaire kosmonaut Joeri Gagarin (8).

De auteur vertelt ook de voorgeschiedenis van de BAM: er werd al in 1933 mee begonnen (onder Stalin) en in de geest van de tijd werden er ook gevangenen tewerkgesteld en verschenen kampen rond het traject (Bamlag). Wat de auteur zo fascineert aan deze geschiedenis is dat de biografie van de BAM meteen ook de biografie van het hele land is, ‘inclusief vaandels, poëzie, strafkampen, propaganda, stootarbeid en miscalculaties’ (11).

Het voetvolk dat de spoorweg moest gaan bouwen, waren komsomollers (leden van de communistische jeugdbond) die erheen gingen uit enthousiasme (weer een groot bouwwerk!), oprecht enthousiasme en of toewijding aan de zaak van het Marxisme-Leninisme, ook wel uit romantische overwegingen, maar er waren er ook veel die ‘de lange roebel’ achterna gingen: je kreeg extra loon, bij terugkeer van enkele jaren werken aan de BAM kreeg je recht op een woning en of een auto, de voedselvoorzieningen op het traject waren veel beter dan in de rest van het land (89).

Het spoorwegtraject begint aan de rivier de Lena aan het station Oestj-Koet en het eindpunt is Komsomolsk aan de rivier de Amoer (vandaar de plaatsnaam Komsomolsk na Amoere, ook wel ‘Stad van de Jeugd’ genoemd). Het is 3.100 kilometer lang en is te volgen op kaarten in het boek. De auteur heeft er twee maand over gedaan om heel het traject af te leggen, met stops op de verschillende stations, om te praten met ex-bouwers van de BAM (Bammers) die er zijn blijven wonen, historici, heemkundigen, burgemeesters. Het is een bonte reeks mensen die aan je voorbijtrekt en dit is een van de charmante trekken van deze roadnovel. Ook indirecte getuigenissen van beroemdheden die er geweest of gepasseerd zijn, vooral dan schrijvers over de Goelag komen aan het woord (Joeri Dombrovski, Varlam Sjalamov, Anastasia Tsvetajeva, Vladimir Vysotski, Aleksandr Solzjenitsyn, Pavel Florenski).

Alle jongen mensen in die jaren werden ertoe aangezet om mee te doen aan dit stootarbeidersproject van de Komsomol en ‘de beste vertegenwoordigers van de Komsomol vormden de elite van de Sovjetjeugd’ (39). Tienduizenden jongeren gingen met zijn allen – eensgezind, opofferingsgezind, niet zeurend, vrolijk, al liederen zingend, genietend van de kameraadschap en de verbondenheid – werken aan een groots doel. Het laatste grote doel van de Sovjetunie. Het project werd in proza en poëzie bezongen en verheerlijkt (Jevgeni Jevtoesjenko), tientallen liederen zagen het licht:

Dwars door de nevels,
Dwars door de jaren,
Naar de Stille Oceaan
Snellen straks de treinen!

of wat ondeugender de limerick:

Kom naar me aan de BAM
met je koffertje van leer,
maar terug ga je dan
met bevroren jongeheer (108).

Minder bekend is dat de aanleg van de tweede Siberische lijn ook een politiek-ideologische achtergrond had: in de late jaren zestig waren er spanningen en grensconflicten tussen Rusland en China, en dat terwijl de Transsib juist op die grens loopt. Daarom werd achter de schermen gedacht aan een veiliger, noordelijker spoorlijn (71).

Nu hoor je oudere Russen wel eens met weemoed vertellen over de Brezjnev-jaren, daar zit de BAM zeker voor iets tussen: de onbekommerde tijd van enthousiasme, toen de mens nog werkte voor de andere, voor de staat, voor het welzijn van het land, terwijl nu alles bekrompen individualistisch is. Vele ex-Bammers spreken met vertedering over de geest die aan de BAM heerste, de broederschap en de solidariteit (93). Net als in de pioniersjaren onder Stalin (1e en 2e Vijfjarenplan) geloofden de mensen dat ze geboren waren ‘om het sprookje werkelijkheid te doen worden’ (227).

In zijn nawoord maakt de auteur de balans op van zijn bevindingen. De BAM is sinds het einde van de jaren 1980 in vergetelheid geraakt, dorpen en steden lopen leeg, veel van de economische doelstellingen zien niet gehaald: ontginning van de plaatselijke bodemschatten, kolonisering van onbevolkte gebieden; men ziet de BAM als een ‘megalomaan Sovjetding’ (233). De enen spreken van enthousiastelingen, anderen noemen de BAMmers ‘slachtoffers, die in hun naïviteit zijn gelokt door de leiders van het land om in zware omstandigheden goedkope arbeid te leveren’ (237). De conclusie is aardig. Trommelen denkt ‘dat de echte rijkdom in Siberië niet de delfstoffen zijn, niet de olie, niet het harde goud, noch het zachte goud. Het echte goud zijn de mensen, de mensen die gebleven zijn. Dit zijn mensen op wie de staat zou kunnen bouwen en die – als de staat hen negeert, of als de staat onbetrouwbaar is – prima hun eigen boontjes kunnen doppen. Het levende goud.’ (237).

Het boek van Edwin Trommelen is een aanrader, het verklaart veel van wat nu in Rusland gebeurt, hoe de mensen tegenover het regime staan, waarom ze zo of anders aankijken tegen het verleden. De reiziger laat hen aan het woord, overvloedig, zonder in te vallen, zonder morele oordelen. Het boek verdient wel meer foto’s (bv. van ‘een van de minst fraaie stations aan de BAM, 104, of ‘het station van bijna buitenaardse proporties’, 165).