Erika Fatland. De grens.

Erika Fatland. De grens. Amsterdam, De Geus, 2019, 720 p. ISBN 978 90 445 4087 1. Oorspr. titel: En Reise Rundt Russland (2017). Vert. uit het Noors door Maud Jenje.

De niet meer zo jonge, maar ervaren Noorse reizigster en journaliste Erika Fatland onderneemt een ambitieuze reis langsheen alle buurlanden van Rusland (Sovjetunie) in een poging ‘om vanuit het gezichtspunt van de buren een land en een volk te begrijpen’ (58). Die poging levert interessante lectuur op over de veertien landen aan de grens met Rusland. Het is ondoenbaar om het boek na te vertellen, zoveel landen, zoveel volken, zoveel geschiedenissen komen aan bod, maar één ding is zeker: zonder uitzondering hebben ze allemaal een kater overgehouden aan de nabuurschap van het grootste land ter wereld.

Na enige tijd begint het de auteur te dagen dat ‘de Oost-Europese geschiedenis om duizelig van te worden is’ (500). De road movie vertellen vergt ook een grote brok geschiedenis, zonder welke zo’n boek geen zin zou hebben. Maar nergens verliest de auteur zich in details die niet relevant zijn voor haar verhaal en invalshoek. Soms wordt het haar te veel en ‘vervloekte ik mezelf dat ik Rusland had uitgekozen als specialisatie’ (414). Akelig is ook het fysiek-psychologische landschap dat overal op de ruïnes van het Sovjetrijk aanwezig is: megalomane standbeelden, vervallen gebouwen, heroïsche metrostations, cultuurpaleizen, martelkamers, afluisterapparatuur, Goelag, prikkeldraad, rode sterren, dat alles onder ‘een vederlichte laag postcommunistisch stof’ (577-578). ‘Geen van de landen die ik had aangedaan was zonder wonden of littekens als gevolg van het buurschap met Rusland. Vooral de kleinere volken waren door de eeuwen heen vermalen tussen de molensteen, verscheurd door de oorlogen van de grootmacht en sindsdien overal verspreid.’ (692)

De Sovjetunie hielp in Noord-Korea een dictator aan de macht te komen, in China verleende het eerste communistische land ter wereld steun aan het nieuwe bewind van Mao tse Doeng, Kazachstan had vreselijk te lijden onder de collectivisering van de landbouw in de jaren dertig (één vierde van de bevolking overleefde het niet), in Georgië gaat de Noorse op zoek naar ‘Stalins paradijs’ (387) en in de Krim (‘de wrat op de neus van Rusland’, 440) waren en zijn de Tataren de sigaar: eerst gedeporteerd door Stalin, nu gediscrimineerd door het kersverse Russische regime. De verschrikkingen in Oekraïne en Wit-Rusland zijn onbeschrijfelijk, maar veel leed werd veroorzaakt door de barbaarse Tweede Wereldoorlog. In Litouwen duurde het hardnekkige verzet tegen de Sovjetbezetting na WO nog jaren voort, van een Let kreeg de auteur te horen: ‘We hadden geleefd onder de Zweden, de Polen en de Duitsers, maar de Russen waren het ergst!’ (568). Om te wenen is het lot van de oude Zweedse stad Vyborg aan de Fins-Russische grens: de eens mooie stad is vervallen en armetierig, schrijnend is het contrast met de weelde aan de Finse overkant (641, 645). En de korte grensstrook tussen Noorwegen en Rusland is de meest vervuilde ter wereld (673), het opruimen van het radioactieve afval van het schiereiland Kola heeft het Westen en de VS miljarden dollars gekost (over ecologische rampen zie ook p. 46 en 55). Dit is maar een kleine greep uit wat de Noorse reizigster allemaal weet te vertellen over de buurlanden van Rusland.

Voor wie van reisverhalen houdt, is dit boek meer dan lezenswaard. Zijn sterkte ligt in de anekdotiek, de persoonlijke lotgevallen van tientallen toevallige passanten die de reizigster ontmoet. Dat de journaliste bovendien Russisch kent en ook het land kent en bestudeert, blijkt uit de talloze historische uitweidingen in het boek over de geschiedenis van de bezochte regio’s. Maar soms slaat ze weleens de bal mis. Ze citeert de beroemde uitspraak van de Russische president Vladimir Poetin in 2005 die de ineenstorting van de Sovjetunie ‘de grootste geopolitieke catastrofe van de twintigste eeuw’ noemde. Jammer voor het misverstand, maar de man bedoelde niet de grootste catastrofe, maar een heel grote (velitsjajsjaja katastrofa), een domme vertaalfout die telkens weer opnieuw (bewust?) gemaakt wordt. Het is niet duidelijk waarom de vertaalster het altijd over Mongolisch heeft i.p.v. Mongools (Mongoolse stammen) en als ze schrijft dat ‘Turkse’ stammen zich bij de Mongolen aansloten, bedoelt ze natuurlijk Turkische, d.w.z. een Turkische taal sprekende stammen (193). Maar dit zijn maar kleine smetten op een breed opgezet panorama van enkele honderden jaren geschiedenis aan de periferie van het grootste land ter wereld.