Igor Wladimiroff. Hollandse datsja’s. Hollandse en Utrechtse buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden op Rusland, circa 1600-1800.

Igor Wladimiroff. Hollandse datsja’s. Hollandse en Utrechtse buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden op Rusland, circa 1600-1800. Heemstede, Kantoor Verschoor, 240 p. ISBN 978-90-825893-4-4.

De titel mag bij de eerste oogopslag raar overkomen, het een is Hollands, het ander Russisch, maar de lectuur van dit onderhoudende boek maakt duidelijk dat dit een goed doordachte titel is: het gaat om buitenhuizen (landgoederen) van Hollandse kooplieden die handel dreven op Rusland en daar rijk van geworden zijn, om niet te zeggen soms stinkend rijk. De behandelde periode was niet alleen de periode van grote bloei en welvaart van de Republiek, maar ook van intensieve handel op Rusland, een tijdperk van ontdekkingsreizen en ontginnen van buitenlandse markten waarin veel geld te verdienen viel. Het is de grote verdienste van de auteur dat hij al deze rijke Hollanders in één boek heeft samengebracht en daardoor een ‘weinig bekend aspect in de geschiedschrijving van de Nederlandse buitenplaatsen’ (9) heeft uitgediept.

Het boek begint met een noodzakelijke historische context van de Nederlandse handel op Rusland: aanvankelijk via Archangel(sk), helemaal in het noorden van Rusland, later – na de stichting van Sint-Petersburg in 1703 – naar de nieuwe hoofdstad. Het begon met het beleggen van overbodig geld in onroerend goed, maar het draaide uit op het bouwen van comfortabele en soms luxueuze buitenplaatsen, meestal aan een rivier (de Vecht, de Amstel, de Angstel, het Spaarne). Zo werd de aanvankelijke boerderij, waar de Amsterdamse koopman een onderkomen zocht voor de warme zomer en de stinkende grachten van Amsterdam, een hofstede, een ‘herenhuysinge’ (in de stijl van een stads herenhuis). ‘Hofstede’ werd geleidelijk aan vervangen door ‘buitenplaats’ (later door buiten), maar het poëtische woord hofstede bleef toch nog in gebruik (33-34). In deze ‘buitenresidenties’ konden de rijke Amsterdammers genieten van hun door hard werken, onverwacht geluk en wijdvertakte connecties vergaarde rijkdom. Nog later kwamen er ‘lusthoven’, buitenplaatsen die verfraaid werden met een tuin, meestal geometrisch aangelegd, met allerlei decoraties (36). Joost van den Vondel moet zo’n lusthof bezocht hebben, want hij schreef in 1644: ‘… men danst, banketteert in ’s koopmans rijke buurt, hier lacht de gouden tijd, in lieve lustprieelen’. Het is sinds kort taboe in Nederland om nog van de ‘gouden eeuw’ te spreken, maar dit boek gaat wel voor een stuk over deze schitterende periode in de Nederlandse geschiedenis.

Helaas is van veel van deze buitenplaatsen niet veel bewaard gebleven: tegen het einde van de 18e, begin 19e eeuw waren veel hofstedes vervallen, onderkomen, verlaten, verwoest. Ze werden afgebroken en het puin werd verkocht. Maar wat overeind staat, is door Igor Wladimiroff bij elkaar gebracht. Het boek is geïllustreerd met honderden tekeningen, schilderijen, ontwerpen van architecten, portretten van de eigenaars (door niet geringe kunstenaars als Frans Hals). De prachtige illustraties geven het boek een onmisbare meerwaarde en tonen de belangstelling voor lokale en vaderlandse geschiedenis, voor de geschiedenis van de Nederlands-Russische betrekkingen van de auteur, die zelf van Russische herkomst is en goed vertrouwd is niet alleen met de Russische geschiedenis, de betrekkingen tussen beide landen, maar ook met cartografie. In zijn dissertatie De kaart van een verzwegen vriendschap (Groningen 2008) heeft hij de vriendschap van twee grote actoren in deze geschiedenis – Nicolaas Witsen (burgemeester van Amsterdam, bewindvoerder van de VOC en de eerste Nederlandse ‘ruslandkundige’) en Andrej Winius (de eerste in Rusland geboren Nederlander) – uitvoerig belicht. Hij was dus de ideale man om van dit thema een leesbaar en goed gedocumenteerd boek te maken.

De auteur behandelt niet alleen bekende namen in de geschiedenis van de Nederlands-Russische betrekkingen – Isaac Massa, Nicolaas Witsen, Christoffel Brants, Jan Lups, maar ook zo goed als onbekende Hollanders. Allen hebben ze één ding gemeen: ze wilden geld verdienen door relaties aan te knopen met Rusland. Er werd van alles en nog wat verhandeld: graan natuurlijk, potas, vlas, ijzer, maar ook wijn, kaviaar, luxeproducten. Een pikant detail in deze betrekkingen is de periode van de Grote Noordse Oorlog (1700-1721) tussen Rusland en Zweden. Rusland kon het niet halen van de Zweden (Karel XII) en moest een beroep doen op Hollandse kooplui die wapens wilden leverden. Maar de Staten-Generaal verboden deze wapenhandel, om de eenvoudige reden dat de Republiek aan de zijde van Zweden stond (149). Maar de Amsterdamse kooplui lapten die politieke beslissing aan hun laars en exporteerden stiekem wapens naar Rusland. Het is niet uitgesloten dat Rusland de oorlog tegen Zweden heeft kunnen winnen dankzij de levering van tonnen wapens door Amsterdamse op geld beluste kooplieden, die daar grof geld aan verdienden waarmee ze luxueuze datsja’s konden bouwen. Het fenomeen van verboden wapenhandel is dus duidelijk niet van gisteren.

Terloops vertelt de auteur ook het verhaal van Nederlanders die naar Rusland getrokken zijn om Peter te helpen met de uitbouw van zijn nieuwe hoofdstad Sint-Petersburg. Honderden vaklui trokken voor enkele jaren, sommigen voor de rest van hun leven, naar Rusland als specialisten in handwerken die in Rusland zo goed als onbekend waren en die vorstelijk betaald werden voor hun diensten. Tsaar Peter verplichtte hen om minstens één Russische leerling op te leiden. Ook heel wat architecten vonden de weg naar Rusland en exporteerden Hollandse tuinen en landschappen naar Rusland (zo bv. Steven van Zwieten). Een aantal vooraanstaande Hollanders lieten een huis of een datsja aanleggen (Vinius, Nicolaas Bidloo, Cornelis Cruys), een thema dat nog verder moet worden uitgediept (205). Wladimiroff behandelt de buitenplaatsen van Andries Winius en Nicolaas Bidloo en de ‘Hollandse Manifaktura’ van Jean Tamesz in Jaroslavl.

Het is onmogelijk al de buitenhuizen van rijke Amsterdammers en hun lotgevallen op te sommen, maar één ding is zeker: ze moeten in Rusland geloofd hebben als een interessante en betrouwbare handelspartner, waaraan veel geld te verdienen viel. Het is de verdienste van Igor Wladimiroff dat hij al deze buitens verzameld en beschreven heeft en aldus een boeiend portret heeft geleverd van een verloren gegaan stukje vaderlandse geschiedenis.