Marianna Butenschön. St. Petersburg. Stimmen zur Stadtgeschichte.

Marianna Butenschön. St. Petersburg. Stimmen zur Stadtgeschichte. Hamburg, Osburg Verlag, 2021, 481 p. ISBN 978-3-95510-240-1

Marianna Butenschön (jaargang 1943) is geen onbekende in de studie van de Duits-Russische relaties. Ze heeft een boek over de Hermitage op haar palmares (Ein Zaubertempel für die Musen. Die Ermitage in St. Petersburg) en drie monografieën over drie Duitse prinsessen op de Russische trein (Die Preußin auf dem Zarenthron, Maria, Kaiserin von Russland en Die Hessin auf dem Zarenthron). Allemaal dus gesitueerd in de tweede hoofdstad van Rusland – Sint-Petersburg. Het mag daarom niet verwonderen dat ze zich aan dit boek gewaagd heeft – een bloemlezing van uitspraken over de stad aan de Neva, van wat Russen en buitenlanders sinds de stichting van de stad in 1703 tot op de dag van vandaag allemaal over de stad hebben gezegd.

Het boek is onderverdeeld in veertien thematische hoofstukken die telkens één aspect van de geschiedenis van de stad belichten : de stichting, de residentie van de keizers, ‘Mehr als Berlin und Wien’, de ‘Wunderstadt der Welt’, gisting, nieuwe naam, de val van de stad, het verlies van de status, Leningrad, terreur, de blokkade, de naoorlogse jaren, Hoera Sint-Petersburg en (het eeuwige thema voor Russische filosofen) de twee hoofdsteden.

Het boek is voorzien van een lijst met korte biografieën van de gasten van Petersburg met verwijzing naar de geciteerde teksten, een algemene bibliografie, een personenindex, een glossarium en een tijdstafel. Heel voorbeeldig allemaal en natrekbaar.

Het boek valt onmogelijk samen te vatten, daarvoor bevat het te veel (honderden) citaten uit dagboeken, brieven, memoires, studies van Russische schrijvers, journalisten, politici, en westerse vrienden of critici van de stad (en het land) die met sympathie of met angst schreven over de stad (de fellow travellers versus russofoben).

Enkele meningen of feiten wil ik er toch graag uitlichten. Zo werd na de val van het communisme de levensgrote buste van Lenin weggehaald uit het Moskous Station in Petersburg (vanwaar de jonge Sovjetregering vertrokken is naar Moskou) en vervangen door een buste van Peter de Grote, maar de buste werd niet officieel ingewijd en de omwisseling moest stiekem, ’s nachts gebeuren (11). Van de anders niet zo snuggere Nicolaas I is de uitspraak memorabel : ‘Petersburg is Russisch, maar het is Rusland niet.’ (12) De stad is in haar geschiedenis ‘toevluchts- en pelgrimsoord geweest, de ene keer voor rechtse Europeanen, de andere keer voor linkse Europeanen’ (14). Voor een Duitser is het belangrijk te stellen dat met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ‘die deutsch-russische Symbiose’ in Sint-Petersburg aan haar einde kwam (17). De schilder en kunsthistoricus Aleksandr Benois zag in de nieuwe naam van de stad zowel verraad aan de stichter van Petersburg als het begin van het einde van het imperium (18, 168). Ook de Franse diplomaat vond de nieuwe naam (Petrograd) een vergissing (189) en Joseph Roth vond dat Petrograd ‘eine billige Konzession an den kleinbürgerlichen Nationalismus bedeutete’ (249). Naast de vele namen die men aan de stad gegeven heeft, bedacht Dmitri Sjostakovitsj de naam ‘Sint Leninburg’ (18) en er is geen stad (zeker van zo jonge datum) die zoveel literatuur voortgebracht heeft en vele uit elkaar lopende meningen (19). Ook negatieve oordelen komen aan bod : de Fransman Joseph de Maistre noemde Peter de Grote ‘de moordenaar van zijn natie’ en de historicus Karamzin de stichting van de stad als Peters ‘meest schitterende vergissing’ (25). Negatief was ook de Poolse banneling Adam Mickiewicz die stelde dat de stad aan de Neva het werk van de duivel was’ (41) . De latere Nobelprijswinnaar Josif Brodski stelde dat Peter de man is die ‘het Russische totalitarisme’ in het leven heeft geroepen (58). De Belgische prins de Ligne, vriend van Catharina II, noemde Petersburg ‘de mooiste stad ter wereld’ (64), terwijl de erg kritische Fransman Astolphe de Custine in 1839 het land bestempelde als een ‘rijk der schaduwen’ en Petersburg ‘de monotoonste van alle Europese hoofdsteden’ (88).

In 1805 laat de Duitser Johann Seume zich kritisch uit over de pretenties van sommige Russen : ‘Alleen blinde voorliefde voor wat van het eigen vaderland komt, kan zich inbeelden dat de Sint-Isaakskathedraal zou kunnen wedijveren met Sint-Pieter in Rome’ (94). Luise van Pruisen schreef in 1809 enthousiast : ‘Sie übertrifft jeden Ausdruck. Athen ist nicht schöner gewesen. Sie ist so ungeheuer, so schön, die Gebäude in einem so großen, kolossalen Stil, die Kanäle so ungeheuer, dass man niemand eine Vorstellung davon geben kann, denn diese Stadt gleicht keiner andern.’ (96) Ook Alexandre Dumas was over de stad te spreken : ‘De Neva biedt van op de houten brug een prachtig uitzicht en er zijn weinig hoofdsteden die zo’n grandioos panorama bezitten.’ (135)

Over de vijandigheid van veel Russische intellectuelen tegenover de kille hoofdstad schrijft Aleksandr Benois : ‘Er is wel geen stad ter wereld die zo weinig sympathie geniet als Petersburg. Welke epitheta heeft deze stad niet allemaal verdiend : ‘etterend moeras’, ‘absurde inval’, ‘onpersoonlijk’, ‘afdeling van de ambtenarij’, ‘regimentskanselarij’. Ik was het met niets van dit alles eens, ik moet veeleer toegeven dat ik houd van Petersburg en dat ik integendeel in de stad veel, bij haar alleen voorkomende charmes ontdek.’ (168) Stefan Zweig was te spreken over Peter en Catharina de Grote : ‘Ein Wille hat sie [die Stadt] geschaffen, und sie ist groß geworden, solange dieser Wille, dieser Absolutismus noch mächtig und schöpferisch war : die beiden einzigen genialen Zaren, Peter und Katharina, haben sie in der Welt diktiert und einheitlich durch die Hand zweier italienischer Meister, Rossi und Rastrelli, zu einem der mächtigsten Monumente der Erde gemacht.’ (256)

Een Engelsman constateerde dat met de val van de monarchie in februari 1917 niemand klaarstond om het voor Nicolaas II op te nemen, ‘niemand stak een vinger uit om het regime te redden’ (201)

De historicus Simon Doebnov trok een parallel tussen het bloedvergieten van de tsaren (1905) en dat van de bolsjevieken in de burgeroorlog : ‘Tsarisme en bolsjevisme zijn volkomen identiek aan elkaar’ (218-219) De historicus van de stad Nikolaj Antsiferov schreef : ‘Petropolis wordt een necropolis’ (227). De Engelse SF-auteur H.G. Wells noemde het instorten van de monarchie het grootste debacle van de wereldgeschiedenis, erger nog dan de erop volgende revolutie (235).

In de jaren twintig trokken nogal wat sympathisanten naar Sovjet-Rusland. Zo schreef Heinrich Vogeler in 1924 : ‘Wieviel schöner und ruhiger sind hier die Menschen, denen man ins Antlitz sieht, im Vergleich zu den Menschen des Westens. Man sieht nich diesen äußeren Glanz und dies verzweifelte Leid, aber viele, viele Hoffnungen.’ (243) Daarmee was de toon gezet. In 1930 schreef de reiziger Armin Wegner : ‘Welcher Hunger nach Bildung ! Man darbt. Hat nicht genug für Essen und Kleidung, aber doch stets ein paar Kopeken für Bücher übrig. Schreit dies nicht laut den wahren Sinn dieser Umwälzung in die Welt ?’ (257)

Terwijl de partijchef van Leningrad Sergej Kirov gewoonlijk gezien wordt als slachtoffer van Stalins terreur, wijst een Petersburgse historica erop dat Kirov zelf bijzonder actief heeft meegedaan aan de zuivering van de stad van zgn. ‘gewezen’ (= uitgerangeerde) mensen, vertegenwoordigers van het oude regime, die in het nieuwe regime geen plaats kregen, maar als paria’s op de vlucht moesten, vernederd, vermoord, gebroodroofd.

Boeiend is ook het hoofdstuk over de wedergeboorte van de stad na 1989. Het waren vooral heemkundigen die de eerste kritische stemmen opleverden, zij brachten een nieuwe visie op de geschiedenis van de stad en ontdeden ze van het eenzijdige, bolsjevistische pathos waarmee drie generaties Sovjetburgers grootgebracht waren (331-333). De grootste icoon van de stad, het laatste bolwerk waar de communisten zich aan vastklampten, was Lenin, die voor een deel moest sneuvelen in de jaren negentig, maar die toch niet helemaal verdwenen is uit het straatbeeld, bang als de autoriteiten waren om de nostalgici, de leninisten, de leden van de KP voor het hoofd te stoten.

In het laatste hoofdstuk (Twee hoofdsteden) wordt de balans opgemaakt van het eeuwige dilemma van de Russische cultuur : waar is het beter, Russischer – in Moskou of in Sint-Petersburg ? Jevgeni Zamjatin citeerde Gogol : ‘Moskou is vrouwelijk, Petersburg mannelijk’ en volgens sommigen is daarmee alles gezegd.

Dit is slechts een kleine greep uit die onuitputtelijke boek over Sint-Petersburg, een echte Fundgrube (goudmijn) voor al wie de stad beter wil leren kennen of zich wil voorbereiden op een cultuurreis. Het is geen cultuurgeschiedenis, geen samenhangende, van een visie op de stad doordrongen geschiedenis van Sint-Petersburg, maar een Lesebuch, een boek om in te bladeren en er nu en dan een onderwerp uit te nemen. Warm aanbevolen.