Marquis de Custine. La Russie en 1839.

Marquis de Custine. La Russie en 1839. USA, Createspace Independent Publishing Platform, 2016, 358 p. ISBN 9781523630226 (Nederlandse editie – niet volledig : Brieven uit Rusland. Amsterdam 1978).

Na de Mongoolse overheersing en het tot standkomen van Moskovië werd Rusland opnieuw ontdekt door westerlingen in de XVIe eeuw. Het eerste boek van de nieuwe tijd dat in het Westen over Rusland uitkwam, noemde het land een ‘rude and barbarous kingdom’... De Engelse auteur was in het land ten tijde van Ivan de Verschrikkelijke (niet meteen de sympathiekste tsaar) en was getuige van de bloedige oorlog die Ivan IV tegen de bojaren voerde. Dit oordeel is een cliché over Rusland geworden: wreed en barbaars. (Wat zou een Italiaanse reiziger over de Zuidelijke Nederlanden geschreven hebben, was hij terechtgekomen in de «Spaanse Furie»?).  Door de uitgebreide contacten van Engelse en Nederlandse kooplui en westerse diplomaten verschenen heel wat boeken in de XVIe en XVIIe eeuw die decennialang, soms eeuwenlang gelezen werden door Ruslandreizigers die op het punt stonden te vertrekken. Veelgelezen boeken waren: Herberstein (Rerum Moscoviticarum Commentarii,1549), Possevini (Moscovia, 1586), Olearius (Orientalische Reise, 1647), Massa (Histoire des Guerres de la Moscovie, begin 17e eeuw), Witsen (Noord en Oost Tartarye, 1692). Als je ze aandachtig en in chronologische volgorde leest, valt op dat de meeste reizigers aan elkaar ontlenen en dat dus (voor-) oordelen van het ene boek in het andere terechtkomen.

De stormachtige hervormingen van Peter de Grote en de schitterende regering van Catharina II deden de westerse belangstelling voor de sfinx in het Oosten nog toenemen. Maar de XVIIIe eeuw heeft geen enkel boek over Rusland opgeleverd dat de tand des tijds doorstaan heeft (tenzij misschien Viaggi di Russia van Francesco Algarotti, die in 1739 het land bezocht en de beroemde formulering lanceerde dat Sint-Petersburg ‘het venster is waardoor Rusland naar het Westen kijkt’).

Een blijver is wel het boek La Russie en 1839 van de Fransman Astolphe de Custine, dat verscheen in 1843. Zijn vader en grootvader waren militairen die sympathiseerden met de revolutie (de Amerikaanse en Franse). Beiden gingen ze voor de bijl van Robespierre. Markies de Custine schreef enkele literaire werken, maar ze bleven zo goed als onopgemerkt en we zouden wellicht nooit van hem gehoord hebben, indien hij niet een reis naar Rusland ondernomen en er een boek over geschreven had. Het lot van zijn vader en grootvader maakte de jonge markies tot een vurig voorstander van de monarchie. Hij trok naar het Rusland van Nicolaas I om zich ter plekke te vergewissen van de heerlijke deugden van een ouderwetse, autoritaire monarchie. Hij kwam terug als republikein.

De Custine verbleef in totaal twee maand in Rusland (Sint-Petersburg, Moskou, Jaroslavl, Nizjni Novgorod, Vladimir). Het boek dat hij over het land schreef, verscheen vier jaar later en werd meteen een succes. In België verscheen zelfs een pirateneditie, het boek werd in heel Europa vertaald, in 1854 waren er 200.000 exemplaren van verkocht. Wie minder gelukkig was met het succes, was de Russische regering. De Custine was overal in de hoofdstad met alle égards ontvangen, zelfs door tsaar Nicolaas I, wellicht vanwege zijn royalistische reputatie, en nu zette hij het land voor schut – in Frankrijk nog wel.

Als je alle persoonlijke lotgevallen en anekdotes achterwege laat, brengt het boek toch nog een indrukwekkende boodschap:

  • Rusland is een ellendig land. Zestig miljoen mensen zijn veroordeeld om in Rusland te wonen
  • de Russen hebben geen gevoel voor rechtvaardigheid
  • de staat van beleg is de normale toestand in Rusland : alles is er verboden, behalve datgene wat uitdrukkelijk toegestaan is en zelfs daarvan is nog heel wat in de praktijk verboden
  • de Russen en de Russische regering in het bijzonder zijn heel gevoelig voor wat de buitenlanders over hen vertellen en voor de berichtgeving in de westerse pers
  • wanneer in Rusland een hoogwaardigheidsbekleder ontslagen wordt of een tsaar verdwijnt (vermoord wordt, bijvoorbeeld), is hij opeens een non person geworden en is er niemand die nog over hem spreekt (durft te spreken)
  • Rusland is geïsoleerd van de buitenwereld, vrije communicatie met het Westen zou het regime niet overleven
  • een buitenlander kan nooit alleen rondlopen in de stad, altijd hangen er officiële gidsen rond
  • je komt er nooit te weten wat je eigenlijk wilt weten
  • over negatieve dingen wordt niet geschreven in de pers
  • als in Rusland een revolutie uitbreekt, zal het er bloedig aan toegaan
  • de autoriteiten liegen de buitenlanders schaamteloos voor
  • Rusland heeft veel te verbergen (geen persvrijheid) : ‘Qu'on accorde pendant vingt-quatre heures la liberté de la presse à la Russie, ce que vous apprendrez vous fera reculer d'horreur’ (Indien men gedurende vierentwintig uur vrijheid van pers zou toestaan in Rusland, zult u schreeuwen van afgrijzen bij wat u allemaal te weten komt).
  • de Russen worden onderdrukt, maar zijn daar nog dankbaar voor ook.

Het moge duidelijk zijn dat de regering van Nicolaas I niet erg verguld was met deze vernietigende boodschap. Het bewind van Nicolaas was begonnen onder de rampzalige poging der dekabristen om op 14 december 1825 een staatsgreep te plegen (zoals wel meer in de Russische geschiedenis klungelachtig voorbereid). Deze vermetele poging tot het invoeren van een constitutionele monarchie overtuigde Nicolaas ervan dat het nodig was het land met ijzeren hand te regeren en alle vooruitstrevende, revolutionaire ideeën tegen te houden (zoals trouwens afgesproken door de Heilige Alliantie tussen Pruisen, Oostenrijk en Rusland). Nicolaas was zich terdege bewust van de onhoudbaarheid van de lijfeigenschap en wilde er werk van maken, maar zijn conservatieve adviseurs raadden het hem sterk af. Toen Pjotr Tsjaadajev zijn beroemd geworden Lettre philosophique publiceerde (1836), was het hek van de dam. Een van de intelligentste mensen van zijn tijd (vriend van Poesjkin) verwees de geschiedenis en cultuur van Rusland naar de vuilnisbelt en vond dat het land aansluiting moest zoeken bij het katholicisme om tot een toonaangevende natie uit te groeien. De man werd gek verklaard. In de jaren 1840 legde Nicolaas volgens de getuigenis van tijdgenoten ‘het stilzwijgen van het kerkhof’ op: vooraanstaande intellectuelen (zoals bv. Vladimir Petsjerin en Aleksandr Herzen) gaven er de voorkeur aan het land te verlaten en hun toevlucht te zoeken in het vrijere en tolerantere Westen.

De Custine kon terugvallen op vooraanstaande informanten. Op de boot die hem van Travemünde naar Kronstadt bracht, maakte hij kennis met prins Pjotr Kozlovski, een van de weinige Russische katholieken, schilderachtige figuur, diplomaat, vriend van Poesjkin, goed van de tongriem gesneden en thuis in allerlei West-Europese salons. Hij vertrouwde de Custine heel wat bittere inzichten over Rusland toe, zo bv. dat ‘notre gouvernement vit de mensonge, car la vérité fait peur au tyran comme à l'esclave’ (onze regering moet het hebben van de leugen, want zowel de tiran als de slaaf heeft schrik voor de waarheid). In het begin weigerde de Fransman zijn Russische gespreksgenoot te geloven, maar na enige tijd in Rusland verbleven te hebben, raakte hij doordrongen van de bittere waarheid van diens uitlatingen. De Custine kon nog op andere vooraanstaande Russen terugvallen. Aleksandr Toergenev liet aan prins Pjotr Vjazemski in 1839 weten dat de Custine op weg was naar Rusland en vroeg hem zijn Franse vriend onder zijn hoede te nemen en hem ook aan te bevelen bij prins Vladimir Odojevski, Pjotr Tsjaadajev e.a. De Custine had dus enkele van de meest interessante, meest ontwikkelde en natuurlijk goed Franssprekende Russen als informanten. Ook door Nicolaas I werd hij met open armen ontvangen: hij stond bekend om zijn monarchistische opvattingen en de Russische regering kon best een toonaangevende westerling gebruiken die zich positief zou uitlaten over Rusland, dat toen in het Westen en in Frankrijk in het bijzonder een slechte reputatie genoot - na het neerslaan van de Poolse opstand van 1830-31. Met het bezoek van Markies de Custine hoopte de Russische regering een dikke vis binnen te halen. Maar het pakte helemaal anders uit.

La Russie en 1839 sprak een verpletterend oordeel uit over de Russische autocratie. De autocraat was razend; hij zou tegen iemand gezegd hebben ‘’t Is allemaal mijn eigen schuld, ik had die ploert maar niet moeten ontvangen’. Maar niet alleen de Russische autocraat was verontwaardigd over het ondankbare gedrag van de Franse aristocraat. Ook onafhankelijk denkende Russen waren niet te spreken over de Custines zware kritiek op Rusland. Schreef niet Aleksandr Poesjkin aan zijn vriend Vjazemski: Я, конечно, презираю отечество мое с головы до ног – но мне досадно, если иностранец разделяет со мною это чувство (Natuurlijk heb ik de pest aan mijn vaderland, van onder tot boven, maar ik word er droevig van wanneer een buitenlander dit gevoel met me deelt) (brief van 27 mei 1826)? Russofobie moet dus gereserveerd blijven voor Russen en dan nog onder elkaar, stiekem (niet in het openbaar, waar men loyaal is). Tjoettsjev was verontwaardigd, Zjoekovski vond dat de Custine een oorvijg verdiende.

De eerste Rus die op de Custine reageerde, was Nikolaj Gretsj, die in Parijs een boek liet verschijnen waarin hij La Russie en 1839 in een belachelijk daglicht probeerde te plaatsen: het boek zou vol stommiteiten staan en dus onbetrouwbaar zijn. De kritische Aleksandr Toergenev noemde hem ‘M-r Gretch, premier espion de sa majesté empereur de la Russie’ (Monsieur Gretsj, de eerste spion van zijne majesteit de keizer van Rusland). Maar er verscheen ook een weerlegging van ene Duez (‘avocat à la cour royale de Paris’) onder de titel Critique des mystères de la Russie et de l’ouvrage de M. de Custine: «La Russie en 1839», die stelde dat er in het Frankrijk van die jaren veel fenomenen waren die nog treuriger zijn dan wat de Custine in Rusland gezien had. Ja. N. Tolstoj vond het nodig een aanval te lanceren tegen alle anti-Russisch ingestelde publicisten in de brochure Lettre d’un Russe à un journaliste français sur les diatribes de la presse anti-russe. K. Labenski verweet in Un mot sur l’ouvrage de M. de Custine de Franse reiziger niet dat hij onweerlegbare feiten samenbracht, maar dat hij in zijn commentaren te negatief was en te veel veralgemeende. In hetzelfde jaar verscheen ook nog Discours sur Pierre le Grand. Refutation du livre de M. de Custine van graaf I. Golovin, die op het Russische ministerie van buitenlandse zaken werkte. En tenslotte citeer ik nog de mening van de slavofiel Aleksej Chomjakov (in Moskvitjanin van 1845) : hij stelde dat veel buitenlanders hun afkeer voor Rusland opsteken bij Russen. De Russen zelf zijn er dus verantwoordelijk voor dat dergelijke negativistische boeken over Rusland verschijnen.

De Custine was zo gechoqueerd door alles wat hij in het Rusland van Nicolaas I had gezien, dat hij zijn landgenoten bij het verlaten van het land opriep:

Quand votre fils sera mécontent en France, usez de ma recette, dites-lui : «Allez en Russie.» C'est un voyage utile à tout étranger ; quiconque a bien vu ce pays, se trouvera content de vivre partout ailleurs. Il est toujours bon de savoir qu'il existe une société où nul bonheur n'est possible parce que par une loi de sa nature, l'homme nepeut être heureux sans liberté.

(Wanneer uw zoon ontevreden is over Frankrijk, gebruik dan mijn recept en zeg hem ‘Ga naar Rusland’. Het is een reis die nuttig is voor elke buitenlander ; iedereen die dit land gezien heeft, zal tevreden zijn elders te kunnen wonen. Het is altijd goed om te weten dat er een samenleving bestaat waar geluk alleen mogelijk is omdat door een wet van de natuur de mens niet gelukkig kan zijn zonder vrijheid).

Het merkwaardige aan dit boek is dat het niet alleen een vernietigend beeld schetst van het tsaristische, maar ook van het communistische Rusland. Veel van de door Custine opgemerkte kenmerken van de autocratie waren ook onder Stalin en zijn opvolgers nog springlevend. Tegen mogelijke kritieken dat hij maar korte tijd in Rusland verbleef, dat hij de taal van het volk niet sprak, stelde de Custine de beroemd geworden woorden ‘J'ai mal vu, mais j'ai bien diviné’ (Ik heb niet goed gekeken, maar ik heb goed geraden). Hierdoor heeft dit boek, dat een momentopname van het jaar 1839 brengt, de 19e eeuw overleefd en is het ook in de tijd van het IJzeren Gordijn een van de populaire en toonaangevende boeken over Rusland geworden. Men gebruikte (en misbruikte) dit boek om de thesis kracht bij te zetten dat er in Rusland weinig revolutie had plaatsgevonden, maar dat de traditie bleef doorwegen (‘in Rusland is het altijd zo geweest’). Aldus is het een van de invloedrijke boeken van de Koude Oorlog geworden. In de Sovjetunie is het boek één keer uitgegeven – in 1930. Toen werd alleen negatief geschreven over het tsaristische regime en het boek van de Custine paste goed in dat denkpatroon, maar later werd het boek niet meer heruitgegeven – de gelijkenissen met de dictatuur van Stalin waren te opvallend. Pas in de perestrojka werd het weer bovengehaald en sindsdien is het enkele keren uitgegeven: in 1990 onder de titel Николаевская Россия (Het Rusland van Nicolaas I), in 2000 als kritische editie: Россия в 1839 году (Rusland in 1839). Eindelijk heeft ook dit invloedrijke boek zijn weg gevonden naar de Russische lezer. Hoogtijd dat er eens een uitvoerige studie over geschreven wordt, want dit is een van de books that shook Russia.