Masha Gessen. De toekomst is geschiedenis.

Masha Gessen. De toekomst is geschiedenis. De terugkeer van het totalitaire Rusland. Amsterdam, De Bezige Bij, 2018, 576 p. Oorspr. titel  The Future is History. How Totalitarianism Reclaimed Russia. Vert. door J. R. Braat.

 De auteur van dit lijvige boek is geen onbekende. Ze schreef eerder een uitvoerige biografie van Ruslands president The man without a face: the unlikely rise of Vladimir Putin, vertaald als De man zonder gezicht: de macht van Vladimir Poetin. In al haar geschriften heeft Gessen zich geprofileerd als een uitgesproken criticus van Poetins regime. Maria Gessen is geboren in 1967 in de Sovjetunie in een gezin van Russische joden. Ze woont sinds 1981 in de Verenigde Staten, waarheen haar ouders emigreerden, maar in de jaren negentig werkte ze in Rusland als journaliste. Ze heeft zich opgeworpen als Ruslands leidende activist op het gebied van homorechten. In 2017 kreeg ze in de VS de National Book Award for Nonfiction voor haar studie over het nieuwe totalitarisme in de Sovjetunie na 2000.

Gessens ouders beslisten in de laten jaren 1970 om te emigreren, omdat ze ervan overtuigd waren dat ‘het Sovjetregime eeuwig zou voortbestaan’ (11). Wat de leefbaarheid van het communistische regime betrof, hebben ze zich vergist, maar de essentie hebben ze geraden – Rusland blijft een autoritair land.

Het originele van Gessens aanpak is dat ze een zevental hoofdpersonages laat optreden die door hun persoonlijke geschiedenis heen het verhaal van het postcommunistische Rusland vertellen. Ze zijn allemaal geboren in de jaren tachtig en hebben dus de jaren negentig en de vroege jaren 2000 als hun jeugd ervaren. Ze hebben geen ervaring met het Sovjetregime en konden min of meer van een schone lei vertrekken. Het zijn doorsneemensen van de nieuwe generatie : een journalist, een socioloog, een dochter van een bekend politicus, een homo, psycholoog, e.d., vier van hen zijn zwaar getroffen door de repressie sinds 2012.

Het meest onthutsend is de conclusie dat de homo sovieticus zelfs in de jaren 2000 niet uitgestorven is, zoals sociologen verwacht hadden. Integendeel, velen grepen terug naar nostalgische herinneringen aan het Sovjetverleden, toen alles rustig, stil en voorspelbaar was. Volgens de sociologen van het Levada-centrum had het systeem de homo sovieticus ‘opgekweekt door zijn gehoorzaamheid, conformiteit en dienstbaarheid te belonen’ (73). Dit portret zal onder Poetin zijn kracht behouden. Maar ook al in het eerste decennium van het postcommunistische Rusland waren er al aanduidingen te vinden dat men teruggreep naar oude praktijken – Jeltsin omringde zich meer en meer met ‘oude rotten uit de Sovjettijd’ (189). En al tegen het midden van de jaren negentig hadden veel mensen er genoeg van om over de toekomst na te denken – ‘ze haalden hun identiteitsgevoel uit het verleden’ (189).

Gessen benadrukt enkele keren dat er maar één leider is geweest die zich verontschuldigd heeft voor de wreedheden van het Sovjetregime (196) – Jeltsin. Poetin heeft wel een monument ingehuldigd dat de slachtoffers van de terreur herdenkt, maar heeft zich nooit verontschuldigd voor wat de Sovjets het volk hebben aangedaan. Anderzijds wordt ook hier de beroemde uitspraak van Poetin dat het uiteenvallen van de Sovjetunie ‘de grootste catastrofe van de 20e eeuw’ is, verkeerd vertaald: hij zegt niet ‘de grootste’, maar ‘een heel grote’, toch wel een belangrijke nuance.

Dé gebeurtenis die uit het verleden zal worden opgerakeld, is de overwinning op Nazi-Duitsland in WO II, in Rusland beter bekend als Grote Vaderlandse Oorlog. In feite is dit het enige historische feit waar alle Russen het over eens zijn en dat hen allen bindt. Poetin speelt daar handig op in. Over al de rest bestaat geen consensus. Wellicht verklaart Stalins overwinning op Duitsland de grote sympathie waarop hij kan rekenen, althans volgens een grote enquête van juni 2017: na Stalin kwamen Poetin en Poesjkin (516).

Boeiend is dat Gessen heel wat filosofen en politicologen citeert die het proces in het eigentijdse Rusland kunnen helpen verklaren. Zo citeert ze de in het Westen populaire Erich Fromm die stelt dat het autoritaire type het verleden aanbidt (327), wat meteen een etiket kleeft op de nostalgici.

Een centrale figuur in het nieuwe politieke discours is Aleksandr Doegin, een self made filosoof-politicoloog, die wel eens de ‘Poetin-fluisteraar’ (517) wordt genoemd. Onder diens bewind is hij kunnen opklimmen tot een van ’s lands meest gehoorde ideologen van de pro-Russische, anti-westerse partij in Rusland. Hij verafschuwt de Verenigde Staten, die zouden ‘samenzweren’ tegen Rusland, zet zich af tegen de oranjerevolutie in Oekraïne, is tegen homo’s, democratie en mensenrechten, volgens hem allemaal westerse waarden die niet verenigbaar zijn met de eeuwenoude waarden van de Russische beschaving. Hij reist heel de wereld af om een dam te bouwen tegen de moderniteit. Zijn sleutelwoord is Eurazië: Rusland moet zich niet naar het Westen keren, maar naar Azië. De twee eeuwen Mongoolse overheersing van Rusland (1240-1480) was in zijn ogen niet ‘een tijdperk van verwoesting, maar, integendeel, een vitale culturele inbreng die Rusland op een speciaal pad zette, dat anders was dan dat van Europa’ (258). Ideeën die goed aanslaan bij de president, in het bijzonder na de zware kritiek van het Westen en de VS op zijn beleid jegens Oekraïne, de Krim, zijn antihomopolitiek en beknotting van de vrijheid. Doegin is een oorlogshitser: hij zou willen dat Poetin openlijk Oekraïne binnen valt (473); dat hij dit niet gedaan heeft, zou de schuld van zijn ‘gematigde, fundamenteel prowesterse adviseurs’ zijn, die hij zonder gêne ‘de zesde colonne’ noemt (473).

Het boek van Gessen is ook interessant voor wie meer geïnteresseerd is in ideeëngeschiedenis en minder in persoonlijke lotgevallen van tijdgenoten. Gessen citeert talloze politicologen, filosofen en journalisten die een poging hebben ondernomen om op het regime van Poetin een label te plakken. De enen spreken van een ‘preventieve contrarevolutie’ (263), anderen van totalitarisme (314) of ‘abortieve modernisering’ (410, de maatschappij is in wezen onveranderd gebleven), derden hebben het over een ‘hybride regime’ of ‘illiberale democratie’ (412). De grote katalysator was de grandioze bezetting van de Krim in 2014. De enige politicus van betekenis die protesteerde, was Boris Nemtsov, een van de grote opposanten en critici van het Poetinregime. Toen hij op het punt stond een rapport openbaar te maken over Poetins oorlog in Oekraïne, werd hij onder de muren van het Kremlin vermoord. Meer dan 80 % van de bevolking juichte deze annexatie toe en het werd Poetins grote troef : Rusland laat niet met zich sollen, het toont zijn vuist, komt op voor zijn Russische medeburgers en denkt aan de uitbouw van een ‘Russische Wereld’ (Roesski Mir). Deze kreet was van Doegin: een politico-cultureel project van een door Rusland geleide ‘beschaving’. Universele waarden zijn voor hem misleidend – het idee over de rechten van de mens is z.i. niet van toepassing op een ‘beschaving met traditionele waarden’ ofte ‘Er is niets universeels aan de universele rechten van de mens’ (470).

Dit en vele andere absurde ideeën vindt de lezer in het uitstekend gedocumenteerde boek van Masha Gessen. Het grootste warhoofd is Doegin, de officieuze hofideoloog, een bijzonder belezen man, die uit de lectuur van de talloze Russische en westerse filosofen één grote brei heeft gedistilleerd. De terugkeer naar de Sovjetunie is gemaakt, back to the USSR. Beknotting van de vrijheid, piepkleine vluchtheuveltjes van vrij denken, zelfcensuur, emigratie van jonge intellectuelen en academici, apathie en moedeloosheid. Een Russische collega uit Novosibirsk zei me twee jaar geleden – ongevraagd – dat het nu in Rusland slechter was dan tijdens de Sovjetperiode. Gessen is pessimistisch: Rusland heeft geen toekomst – boedoesjtsjevo njet !

 

                                                                               Emmanuel Waegemans