Michail Saltykov-Sjtsjedrin. De geschiedenis van een stad.

Michail Saltykov-Sjtsjedrin. De geschiedenis van een stad. Amsterdam, Pegasus, 2018, 285 p. Vert. Willem Weststeijn.

In tegenstelling tot de klassiekers Poesjkin, Gogol, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj en Tsjechov, geniet Saltykov-Sjtsjedrin weinig aanzien in het Westen. Daar zijn goede redenen voor: hij wordt weinig vertaald (in het Nederlands bestond alleen De familie Golovjov), velen vinden hem te cryptisch, sommigen te Russisch, en weer anderen te somber. Dat neemt niet weg dat hij wellicht de grootste, in elk geval meest systematische satiricus van de 19e eeuw is. Hij groeide op onder het weinig bemoedigende bewind van Nicolaas I, die zo dom was hem te verbannen naar de provincie, die de stof leverde voor zijn satirische en sarcastische observaties. Na de dood van de autocraat bloeide de zgn. ontlarvende literatuur op in Rusland, in het tijdperk van de hervormingen van Alexander II was veel meer mogelijk, Saltykov wijdde zich helemaal aan de literatuur, vooral in het progressieve tijdschrift Vaderlandse Annalen. In 1884, na de moord op de tsaar-bevrijder, sloeg de paniek om zich heen en werd zijn tijdschrift verboden.

Saltykov was kritisch niet alleen voor Rusland, maar ook voor het Westen, dat hij in de jaren 1870 bezocht. Zijn indrukken over het burgerlijke Westen bundelde hij in Za roebezjom (In het buitenland), waarin hij kritische geluiden laat horen over de Derde Republiek en het Duitsland van Bismarck; ook over liberalisme en parlementarisme, industrialisering en mechanisering had hij zijn twijfels. In zijn schetsen over het Rusland van de tweede helft van de 19e eeuw is hij vooral hard over het corrupte bestuur en de onmacht (onwil?) de hervormingen door te drukken.

Zijn hoofdwerk – De familie Golovjov (1880) – is een van de somberste werken (volgens Mirsky het ‘droefgeestigste boek’) van de Russische literatuur. Totaal anders is zijn parodistisch boek Istorija odnogo goroda (De geschiedenis van een stad, 1869-70), dat nu voor het eerst vertaald wordt naar het Nederlands. Een gelukkige keuze, want het werk is een pareltje voor wie houdt van parodie, sarcasme, allegorie, aesopische taal, dubbele bodems. Het boek is een historische parodie op Rusland waarin de personages namen vol allusies dragen: Negodjajev (= nietsnut) verwijst naar Paul I, Benevolenski (= de welwillende) is zo goed als zeker Speranski, de hervormingsgezinde minister van Alexander I, die op de duur moest opstappen, een van de vele gemiste kansen in de Russische geschiedenis. Oegrjoem-Boertsjejev verwijst naar Araktsjejev, de man die onder Nicolaas I verantwoordelijk was voor de gehate militaire nederzettingen op het platteland – de boeren waren boeren in vredestijd, maar soldaten in tijden van oorlog. Grotesk zijn de oorlogen die in naam van de Verlichting gevoerd worden, waarbij het gaat om het invoeren van mosterd of de verplichting om op feestdagen pasteitjes te eten. Waarschijnlijk zijn het venijnige verwijzingen naar het gewelddadige bewind van Peter de Grote.

Heel zijn sarcasme, waar het boek van overloopt, heeft Saltykov samengeperst in het provinciestadje Gloepov (= Domburg), dat symbool staat voor heel Rusland. Het boek is zo genadeloos kritisch voor Rusland, puilt uit van de verontwaardiging die je nergens anders in de literatuur vindt, dat een Russische emigrant het een smaadschrift vond. In de Sovjetperiode werd Saltykov graag uitgegeven en gepresenteerd als een criticus van het (gehate) tsaristische regime, maar veel van de inzichten gelden helaas ook voor het Rusland van de 20e en zelfs 21e eeuw.

De meningen over de leesbaarheid van het boek zijn verdeeld: sommigen vinden dat een niet-Rus het boek niet kan begrijpen, omdat er te veel allusies naar het historische Rusland in zitten; anderen vinden het dan weer universeel en vinden grondige kennis van het beschreven land niet noodzakelijk. De vertaler neemt een standpunt tussen de twee in en voorziet ondoorzichtige of totaal onbekende realia van een toelichting. De naam van het provinciestadje (Gloepov < gloepyj = dom) wordt door Weststeijn niet vertaald, alhoewel Domburg best gekund had. De inwoners van dit leuke stadje worden dan Gloepoffers - niet onaardig, want daar zit ‘offer’ in (de mensen zijn de slacht-offers van het domme bewind van de bekrompen bestuurders). Andere, in de beste 18e-eeuwse satirische traditie sprekende familienamen worden wel vertaald en terecht, want een Russischonkundige heeft daar echt geen boodschap aan, en verklarende eindnoten zijn ook maar niks. Namen als Omdehoekkijkers en Lipsmakkers (31), Hoofdgebrokenen (32), Gebrekslo (< Nedojedovo), Hongersveen (< Golodajevka, 249) vormen een interessante uitdaging voor de vertaler.

Van het boek gaat een grote tristesse uit: de domheid en bekrompenheid van de plaatselijke bestuurders en de absurditeit van de beschreven, door hen in het leven geroepen gebeurtenissen zijn hallucinant. Er is maar één woord voor: krankjorum. In heel de kroniek van het stadje Gloepov komt niet één normale, goed bedoelende, gezond denkende bestuurder voor. Zelfs de idealisten of ‘utopisten’ onder hen blijken idioten te zijn die alleen maar onheil over de mensen brengen. Het lijkt Saltykov erom te doen de onderdanigheid, de kruiperigheid van de Russen aan te tonen – met welke vermaledijde ideeën de machthebbers ook komen aanzetten, de mensen pikken het wel. Als het moet, breken ze wel zelf hun huis af om van de kronkelstraatjes een rechte, moderne, overzichtelijke (en dus controleerbare) stad te maken. Alleen de natuur schijnt niet aan de gestoorde voorstellingen van de stadsbestuurder te beantwoorden – de rivier blijft in dezelfde richting stromen (wat een durf!). Uit het verslag van de kroniekschrijver ‘blijkt duidelijk dat de Domburgers zich onvoorwaardelijk schikken naar de grillen van de geschiedenis’ (184) of ‘Elke bestuurder streeft er tenslotte naar dat de mensen vertrouwen in hem hebben, en wat is een betere manier om dat vertrouwen te tonen dan onvoorwaardelijk datgene uit te voeren wat je niet begrijpt?’ (153). Als de auteur het in dit verband over de ‘plaatselijke intelligentsia’ (219) heeft, kan dit niet anders dan ironisch bedoeld zijn. Wellicht niet ironisch is de terloopse opmerking ‘Het zou heel goed kunnen dat veel van wat er hierboven is verteld de lezer al te fantastisch voorkomt.’ (148) In de geschiedschrijving is er volgens de auteur een ‘historische school’ die ‘geheel oprecht verkondigt dat hoe meer inwoners je te gronde richt, hoe gelukkiger ze zullen zijn en hoe schitterender de geschiedenis zelf zal zijn.’ (185) Doet wel erg 20e-eeuws aan!

Het boek deed me na enkele hoofdstukken denken aan de bundel verhalen over memorabele zonderlingen en originele types van Michail Pyljajev (Zametsjatelnye tsjoedaki i originaly), die de Russische tsjoedak beschrijft: de zonderling, excentriekeling, gekke kerel, buitenbeentje, rare snuiter, kwibus, een specimen waar Rusland rijk aan is en waar in de Russische mentaliteit nogal wat sympathie voor bestaat. Saltykov had deze socio-etnografische studie natuurlijk niet nodig, hij kon ruimschoots putten uit zijn voorraad observaties tijdens zijn verblijf/dienstjaren in de provincie. Verder deed het me ook denken aan het sympathieke boekje La casa di ghiaccio (Het ijspaleis) van de Italiaanse slaviste Serena Vitale (ook vertaald als Der Eispalast: zwanzig Geschichten aus Russland), stuk voor stuk knotsgekke geschiedenissen van doorgetrapte Russen die elke band met de realiteit verloren schijnen te hebben. Een aanrader voor wie gelooft in de “Russische Ziel”! In de moderne Russische literatuur doet Saltykov me denken aan de Sovjetcriticus Aleksandr Zinovjev en zijn hoofdwerk Zijajoesjtsjië vysoty (Gapende hoogten, 1976), een genadeloze afrekening met het Sovjetsysteem; dat op alle mogelijke manieren te kakken wordt gezet. Het verschil is dat het bij Zinovjev gaat over de ophemeling van de prestaties op gebied van landbouw, industrie en ruimtevaart, die meestal nep blijken te zijn, terwijl het bij Saltykov onverbloemd gaat over de stommiteiten van de gezaghebbers, die rondborstig uitkomen voor hun wereldvreemde ‘idealen’ en visies. In het moderne Duitsland is er een boek dat me een beetje doet denken aan Saltykov: Wir Untertanen. Ein Deutsches Anti-Geschichtsbuch van Bernt Engelmann (1974). De grondgedachte van dit door en door kritische boek was aan te tonen hoe de geschiedenis (van de Middeleeuwen tot 1918) gemaakt werd op de rug van de kleine man, de onderdaan.

Jammer is dat de satire soms afgezwakt wordt door flauwe toevoegingen (‘waandenkbeeld’, ‘stomme taken’, ‘idiotie’, ‘achterlijk brein’, ‘een idioot van het zuiverste water’, allemaal voorbeelden uit het laatste hoofdstuk), net alsof dit voor de lezer nog niet duidelijk geworden was.

De voortreffelijke vertaling is een welgekomen verrijking van de Russische bibliotheek in Nederlandse vertaling en zal de belangstelling voor het ondoorgrondelijke Rusland - la Russie profonde en de Russische Ziel - zeker aanwakkeren.

Emmanuel Waegemans