Nikolaj Gogol. Hanz Küchelgarten.

Nikolaj Gogol. Hanz Küchelgarten. Amsterdam, De Wilde Tomaat, 2014, 85 p. Vertaling, inleiding en nawoord van Arie van der Ent. ISBN 978 90 820255 4 5.

Het werk van een van de groten van de Russische literatuur Nikolaj Gogol is goed vertegenwoordigd in ons taalgebied. Maar opvallend is dat twee teksten ontbreken: zijn literaire eersteling Hanz Küchelgarten en Uitgekozen passages uit mijn briefwisseling met vrienden. Dat dit laatste niet de grote voorkeur van russofielen wegdraagt, is begrijpelijk: de ‘brieven’ zijn wellicht door de brave auteur goedbedoelde, maar kwezelachtige opstellen, richtlijnen voor een ideaal leven – als huisvrouw, landheer, onderdaan, orthodoxe gelovige e.d. Taaie lectuur. Door niet-orthodoxe lezers wordt hij als onleesbaar ervaren (ikzelf heb er me twee keer met professionele volharding proberen doorheen te ploeteren), maar misschien moet het werk gezien worden als Gogols bijdrage aan de officiële doctrine van Nicolaas I ‘orthodoxie, autocratie en volksverbondenheid’. Je zou het zelfs als een soort utopie kunnen zien. Na het instorten van de communistische heerschappij en ideologie werd het in de jaren 1990 opgerakeld als een belangrijk orthodox document. De vertaler Arie van der Ent vermeldt in zijn informatief nawoord ‘deze diep trieste verzameling ‘levenslessen’ aan vrienden en bekenden’ (p. 83), misschien is dit een tip voor een van zijn volgende vertalingen?

In diezelfde tijdsgeest is ook Gogols interpretatie van de Goddelijke Liturgie van onder het stof gehaald en uitgegeven. Veel meer dan wat orthodoxe gelovigen zal dit boek niet bereikt hebben.

De kleine uitgeverij De Wilde Tomaat heeft nu de literaire eersteling van Gogol uitgebracht – in de voortreffelijke vertaling van Arie van der Ent, een zeer lovenswaardig en toe te juichen initiatief, ook al was het product van Gogols ‘achttienjarige jonkheid’ (29) tot mislukken gedoemd en werd het op hoon en spot onthaald, of nog erger - op stilzwijgen. De auteur zegt in zijn ten geleide dat veel van de taferelen van zijn idylle niet behouden zijn gebleven (29), wat de stuntelige overgangen verklaart, maar ook moet anticiperen op mogelijke kritiek (een welbekende truc), die niet uitbleef. In de uitgave van dit poëem (lang gedicht) heeft de vertaler een procedé gebruikt dat hij ook in zijn boek over Poesjkin heeft toegepast: getuigenissen van tijdgenoten en de auteur zelf samenbrengen die de ontstaansgeschiedenis van het werk schetsen (p. 10-28). Een recensent schreef vernietigend: ‘Hanz Küchelgarten staat zo bol van de ongerijmdheden, de taferelen zijn dikwijls zo bizar en het lef van de auteur, in zijn poëtische ornamenten, zijn stijl en zelfs zijn prosodie, is zo onverantwoord, dat de wereld er niets aan verloren had als deze eerste poging van dit jeugdige talent onder de korenmaat was gehouden.’ (19-20)

Gogol is zo verstandig geweest zijn ‘idylle’ onder een schuilnaam te publiceren. Toen het boek in twee toonaangevende tijdschriften de grond werd in geboord, ging hij de exemplaren in de boekhandels opkopen en verbranden en nam hij ijlings de benen naar Duitsland, het land dat hij zo vol bewondering in zijn gedicht beschreven had. Alle begin is moeilijk, er zijn meer grote bellettristen die begonnen zijn met gedichten, maar wijselijk overgestapt zijn naar proza. De overgang van dit werk naar het volgende – de zgn. Oekraïense verhalen – is dan ook verbazingwekkend. Nabokov mag neerbuigend doen over Gogols bijna etnografische, drollige verhalen over heksen, tovenaars, drollen e.d. in Klein-Rusland (zoals Oekraïne toen werd genoemd), maar ze maakten hem op slag wel beroemd.

Het gedicht Hanz (sic) Küchelgarten gaat over een Duitse jongeman die in de buurt van Wismar woont en die verliefd is op ene Louise. De jonge maagd verzucht: ‘Mijn Hanz is ziek; want alle dagen, / en nachten, loopt hij langs de zee; / hij vindt niks fijn, is alles zat, / hij mompelt maar, kan ons niet luchten’ (32-33). Ze vreest dat die ‘weemoed’ hem nog te gronde zal richten (33). Om aan zijn Weltschmerz te ontsnappen en ‘overmand door groot verdriet’ (36) vlucht hij naar Griekenland: ‘Land van klassieke, schitterende kunstgebouwen, / van klinkend grootse daden, vrijheidsland! / Athene, u wijd ik mijn ziel in driest beschouwen, / door wondere verwachting overmand!’ (39) De moeder van Louise windt er geen doekjes om: ‘Het is geen kwaal, de ongegronde smart / in eigenste persoon heeft hem besmet.’ (45)

De zoektocht naar een mooiere wereld levert niets op: ‘Athene, treurig en antiek. / De oude beelden dood en ziek. / De armen op het kille marmer / zoekt onze Hanz vergeefs naar warmer.’ (65) Wat hij ziet, is niet de door Winckelmann opgeroepen grootsheid van het antieke Griekenland, maar ‘de schande van voorgoed verval’ en de oorzaak van deze teloorgang van een ooit grootse cultuur wordt verklaard: ‘Hij ziet een tulband tussen staken, / een moslim stuurt zijn dapper ros / langs muren van dit brokkenbos, / door greppels, hoort hem kreten slaken, / om alles nog meer stuk te maken.’ (66) We zitten duidelijk nog in de tijd voor Griekenland bevrijd werd van het Ottomaanse juk. Over politiek correcte uitspraken werd toen niet moeilijk gedaan. De fascinatie voor Griekenland van de romantische Duitser is voorbij: ‘Een onuitsprekelijk verdriet / komt nu de doler overvallen, / hij hoort inwendig vloeken schallen; / hij voelt de spijt, en anders niet, / dat hij zijn schreden herwaarts richtte.’ (66)

Twee jaar later zit ‘onze treurende Louise’ (68) nog altijd te wachten op ‘de dromerige Hanz’ (69). De zwerver keert ontgoocheld terug naar zijn geboortedorp en zijn jeugdliefde: ‘In mijn oneindige ontroering / zing ik vol liefde en verstand, / bezing met wondere vervoering / mijn schone Duitse vaderland. / Mijn land vol denken zo verheven! / Mijn land vol lust en ongeduld! / Wat is mijn hart van jou vervuld!’ (80)

Het is de grote Goethe die hem uiteindelijk verzoent met Duitsland: ‘Jou [Duitsland] koestert Goethe, de verlichte, / de Genius, zoals niet één; / hij blaast met wondere gedichten / het wolkendek vol zorgen heen.’ (80)

Het is duidelijk dat van Gogol nooit een grote dichter zou zijn geworden, maar toch bevat zijn poëem hier en daar niet onaardige regels. Maar vooral is het werk belangrijk om iets te begrijpen van de biografie van de man en van de genese van zijn werk, dat godzijdank in een totaal andere richting evolueert – weg van romantiek, wereldsmart en nostalgie naar een verleden dat nooit bestaan heeft – en na een mislukte poging van romantiek à la Poesjkin (De zigeuners), die hij mateloos bewonderde, of mogelijk geïnspireerd door de Duitse dichter Johan Heinrich Voss met een gelijknamig gedicht Luise. Ein ländliches Gedicht in drei Idyllen (1795). De Duitse romantische graecofiel Voss is nu al lang vergeten, maar is toch heel vermoedelijk de auteur van de evergreen ‘Wer nicht liebt Wein, Weib und Gesang, der bleibt ein Narr sein Leben lang’.

Na het echec van deze eerste gooi naar het literaire geluk sloeg Gogol op de vlucht – naar Duitsland. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer. Meermaals zal Gogol zich uit de voeten maken – voor zijn lezers, voor de vrouwen, voor het literaire succes. Een selectie van zijn brieven over zijn reizen naar Duitsland, Frankrijk, Italië, en ook België (Oostende) wacht op een vertaler.

Emmanuel Waegemans