Rudi Massart en Jonathan Trigg. Terug van het Oostfront. Gevangen, gevlucht, gesneuveld.

Rudi Massart en Jonathan Trigg. Terug van het Oostfront. Gevangen, gevlucht, gesneuveld. Z.pl., Ertsberg, 2024, 174 p. ISBN 978 94 64750 86 7

De auteurs zijn geen onbekenden : op 18 november 2021 besprak ik op deze website hun eveneens rijkelijk geïllustreerde boek Vlaamse jongens, Duits front. De strijd aan het Oostfront in beeld. Dit boek is er het vervolg op : hoe is het afgelopen met de Belgen (zowel Vlamingen als Walen) die zich in operatie Barbarossa hebben laten inlijven bij het Duitse leger om in de Sovjetunie te gaan vechten tegen het communisme. Op de vraag voor wie ze wilden vechten – voor Moskou (= communisme) of Rome (= katholieke kerk), antwoordden ze steevast ‘met een volmondig Rome’ (45). Iemand formuleerde het zo : ‘Wilfried en ik hadden zeer veel gemeen. Beiden waren we jonge studenten die uit idealisme naar het Vlaams Legioen trokken. We kwamen allebei uit gedegen gezinnen en uit een Vlaamse, offervaardige jeugdbeweging. Wij voelden ons volk – en de wereld – bedreigd door het goddeloos bolsjevisme. Wij trokken consequent ten strijd.’ (113) De laatste jaren wordt in de studie van de collaboratie tijdens WO II dit ‘edele’ motief in twijfel getrokken : het zouden geen idealisten geweest zijn, maar berekenende landverraders die hoopten op de overwinning van nazi-Duitsland, waarin zij dan een vooraanstaande positie zouden krijgen dankzij hun inzet tegen de Sovjets. Op een doodsprentje lezen we dat iemand aan het Oostfront viel ‘Voor outer en heerd, volk en vaderland’ (135). De bekendste Oostfronter, Oswald Van Ooteghem, schrijft : ‘Als je iets hebt gedaan als een jonge man, vol overtuiging en in goed geweten, dan moet je daar geen spijt van hebben. Ik heb er geen spijt van, maar ik ben anderzijds ook niet trots op sommige dingen die toen gebeurd zijn.’ (167) Dat laatste wordt helaas niet toegelicht. In mijn recensie op het vorige boek van Massart en Trigg schreef ik : ‘Over die ‘vuile oorlog’ komen we natuurlijk zo goed als niets te weten : het ligt voor de hand dat teruggekeerde soldaten, die de gruwel van het Oostfront overleefd hadden, niet ronduit gingen vertellen wat ze allemaal gezien en uitgericht hadden. Hebben ze zoals de Duitsers hele dorpen in brand gestoken, hebben ze Joden helpen vangen en executeren e.a. pijnlijke vragen meer.’ Die pijnlijke kwestie zal wellicht nooit uitgeklaard worden. De auteurs schrijven nu : ‘De oorlog die nu gevoerd werd, was gekenmerkt door een wreedheid en gruwel op een schaal die nooit eerder of daarna is gezien. Het werd een uitroeiingsoorlog waarbij beide partijen vastbesloten waren de ander volledig te vernietigen en er weinig verschil meer was tussen soldaten en burgers.’ (45)

Eén getuigenis spreekt in de zin van het idealisme. Een Vlaamse soldaat kwam onder de indruk van de lokale Oekraïners, omdat ‘ze goede vrienden waren voor de Duitsers en voos ons… Ze wilden hun onafhankelijkheid.’ (10)

De vrees om in handen van de Russen te vallen was groot (‘We hebben al onze documenten verbrand… mochten de Russen ons te pakken krijgen’, 18). Als leden van de Waffen-SS zouden ze zonder twijfel de ‘verschrikkingen van de Sovjetgoelags’ (69) mogen genieten. Iemand gaf zich over aan de Amerikanen ‘en doorstond een paar schrikbarende dagen toen de Amerikanen de SS-gevangenen aan de Russen wilden uitleveren’ (85). In dit verband valt het ontbreken van het boek van Nicolas Tolstoy over de slachtoffers van Jalta op (Victims of Yalta, 1977), die door de geallieerden manu militari uitgeleverd werden aan de Sovjets. Ze vreesden vergelding en deden dan ook al het mogelijke om hun vroegere dienst te verdoezelen – gesnapt door de Sovjets met de bloedgroep-tatoeage onder hun linker arm betekende zo goed als een doodvonnis (73). Eenmaal in Duitsland verzeild geraakt – op de vlucht voor de oprukkende Sovjettroepen, trokken vele SS-mannen hun uniform uit en burgerkleding aan, verstopten zich en ontkenden dat ze in de Waffen-SS hadden gezeten (115). Er was dus wel degelijk sprake van schuldgevoel. Dat er heel wat fanatisme en naïviteit in het spel was, maakt de episode duidelijk van het jeugdbataljon van de Vlaamse Divisie Langemarck, die pas eind 1944 werd opgericht. Op Goede Vrijdag 1945 vertrokken zestien- en zeventienjarige Vlaamse vrijwilligers naar het Oostfront – lente 1945, enkele weken voor de totale Untergang van het ‘Duizendjarige rijk’ (42).

Boeiend is het hoofdstuk over het kopstuk van de Waalse Oostfrontstrijders Léon Degrelle (148-154). Het is belangrijk dat bij deze figuur stilgestaan wordt, want in het huidige discours rond WO II past de aanwezigheid van duizenden collaborateurs en Oostfronters aan Waalse kant niet zo goed – de collaboratie in België was helemaal geen exclusief Vlaams fenomeen (148), een hardnekkig vooroordeel van de Franstaligen. Toen de geallieerden België bevrijdden (eind 1944) vluchtten enkele duizenden Waalse collaborateurs en hun families richting Duitsland (152). Degrelle was slimmer - hij nam de benen naar Noorwegen, vanwaar hij naar Spanje kon ontkomen. Daar woonde hij tot zijn dood in 1994, beschermd door zijn vriend (de caudillo) Franco. Andere leden van de SS kozen voor de vlucht / emigratie naar Argentinië, waar een kolonie Belgen huisde.

In totaal hebben ca. 30.000 Vlamingen tijdens de oorlog gediend in de Duitse strijdkrachten, velen als lid van de Waffen-SS (12).Na de oorlog werden ca. 100.000 burgers gearresteerd en gestraft voor collaboratie, 237 werden geëxecuteerd (157). De afrekening met de collaboratie blijft tot de dag van vandaag een omstreden bladzijde uit onze geschiedenis. Velen ervoeren de ‘epuratie’ als ‘kleinzielige vergelding’ (19), als barbarij (vooral dan de opsluiting van collabo’s in de leeuwenkooien van de dierentuin in Antwerpen (26-27). Hier en daar was er iemand die vond dat ze ‘al die collaborateurs tegen de muur moesten zetten’ (97). De straffen, inclusief de executies, waren het hardst direct na het beëindigen van de oorlog (1944-45), daarna werden de rechters milder (156).

De auteurs spreken geen oordeel uit over de Oostfronters. Wellicht is dit de beste benadering – ze worden sowieso scheef bekeken en aan de schandpaal genageld door de historici. Dit boek brengt de feiten, laat de daders aan het woord en illustreert de geschiedenis met honderden foto’s en documenten. Dit is een verhelderend boek. Weliswaar over een minder fraaie bladzijde uit onze geschiedenis, maar toch een geschiedenis die eens verteld moest worden. Rijkelijk geïllustreerd en gedocumenteerd. De auteurs vermelden even het Duits militair kerkhof van Sologoebovka (128), maar niet dat van Spasskaja polest, enkele kilometers ten zuiden van Novgorod, waar niet alleen Duitsers begraven liggen, maar ook Spaanse en Vlaamse Oostfronters. Slordig is wel dat de auteurs het voortdurend over de goelags hebben (12), maar er bestond maar één goelag, een afkorting die staat voor Hoofdbestuur der Kampen.