Rudi Massart & Jonathan Trigg. Vlaamse jongens, Duits front. De strijd aan het Oostfront in beeld.

Rudi Massart & Jonathan Trigg. Vlaamse jongens, Duits front. De strijd aan het Oostfront in beeld. Antwerpen, Davidsfonds / Standaard, 2021, 175 p. ISBN 978 90 02 26919 6

De oostfronters, Belgen die tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met de Duitsers in Rusland zijn gaan vechten tegen ‘het goddeloze bolsjewisme’, zijn een eikel probleem. Direct na de oorlog en nog een twintig jaar lang erna zijn ze beschouwd als idealisten, als jonge mensen die outer en heerd opgaven om te gaan vechten voor een goede zaak : de strijd tegen het communisme. Na de oorlog werden collaborateurs ook niet aangepakt om wat ze in de Sovjetunie allemaal aangericht zouden kunnen hebben, maar omdat ze het uniform van de bezetter hadden gedragen.

De laatste jaren is daar kentering in gekomen. Net als andere, in België gebleven collaborateurs, worden ze nu ondubbelzinnig bekeken als ‘fout’, ze stonden aan de verkeerde kant, ze hebben geheuld met de bezetter, het waren nazi’s. Dit boek wil een lacune opvullen in wat we weten over de Oostfronters, het probeert het alledaagse leven van de Vlaamse oostfronters in beeld te brengen, en is daar goed in geslaagd. Het boek bevat honderden foto’s, waarvan de meeste nog nooit eerder gepubliceerd, over alle mogelijke facetten van het leven van deze ‘idealisten’ : hun vertrek en de enthousiaste menigte die hen uitwuifde, de opleiding in Duitsland en de eedaflegging, de reis naar het front, de gevechten in Rusland zelf, wat deden ze in hun vrije tijd, de vreselijke winter in Rusland, de rebellie tegen de Duitsers (die hen schofterig behandelden en niet gaven wat ze beloofd hadden of wat de Vlamingen verwachtten : eigen regimenten in het Nederlands, Vlaamse insignes, Vlaamse onafhankelijkheid), de brigade Langemarck en tenslotte dood in het oosten.

Het gaat over 10.000 Vlaamse soldaten in Rusland, daarvan zijn er 2 à 3.000 gesneuveld of vermist. ‘Het verhaal van de Vlaamse Oostfronters is één groot drama, doorspekt met naïef idealisme, ontgoocheling en oorlogsmiserie, en eindigde met de uiteindelijke veroordeling door de Belgische staat.’ (12) De Duitse bezetter heeft de oostfronters in alle opzichten bedrogen : velen dachten dat meewerken met de bezetter tot een onafhankelijk Vlaanderen zou leiden, maar Duitsland (de Waffen-SS) dacht maar aan één ding : de Vlamingen opnemen in het Germaanse Rijk (12). Bovendien werden ze door de Duitse instructeurs vernederd en gekleineerd (jullie zijn ‘ja nur gekommen zum Fressen und Scheissen’, 41), van de Germaanse broederschap was ter plekke weinig te bespeuren (41). Dit boek wil een aanvulling op en een tegengewicht vormen tegen nogal wat ‘romantische literatuur’ over de oostfronters. ‘In de recente geschiedschrijving wordt de schuldvraag evenwel niet langer uit de weg gegaan. De oorlog aan het Oostfront was vooral een vuile oorlog, met misdaden tegen de mensheid langs beide kanten. De Vlaamse soldaten hebben actief deelgenomen aan de vernietigingsoorlog van Hitler-Duitsland in Oost- en Centraal-Europa.’ (13) Over die ‘vuile oorlog’ komen we natuurlijk zo goed als niets te weten : het ligt voor de hand dat teruggekeerde soldaten, die de gruwel van het Oostfront overleefd hadden, niet ronduit gingen vertellen wat ze allemaal gezien en uitgericht hadden. Hebben ze zoals de Duitsers hele dorpen in brand gestoken, hebben ze Joden helpen vangen en executeren e.a. pijnlijke vragen meer.

Na de oorlog kregen ze de doodstraf, die bij enkelen van hen ook werd uitgevoerd. De meesten kregen straffen van levenslang tot vijftien jaar, maar de meesten kwam al na vijf jaar vrij (13). De in de Sovjetunie krijgsgevangen gemaakte soldaten zouden pas jaren later naar België terugkeren. In het boek wordt ook eventjes vermeld dat niet alleen Vlaanderen, maar ook Wallonië vrijwilligers stuurde naar het Oostfront (21-22), een niet onbelangrijk detail, want collaboratie wordt in de publieke opinie in België nogal gemakkelijk afgedaan als een Vlaams fenomeen en de tegenstelling collaboratie (Vlaanderen) vs. verzet (Wallonië) wordt gretig uitgespeeld.

In het boek worden heel wat interessante details uitgewerkt die toch een genuanceerder beeld van de collaborateurs mogelijk maken. Zo weigerden heel wat oostfronters tijdens hun opleiding in Duitsland de eer van trouw aan Adolf Hitler als Führer af te leggen ; ze wilden wel een eed van trouw aan het eigen vaderland afleggen (48, 145), maar daar wilden de Duitsers dan niet van weten.

De meeste Vlamingen vochten in de buurt van Leningrad aan het Volchov-front, waar o.a. in Krasnyj Bor duizenden soldaten – aan beide kanten – het leven lieten (in wat later ‘de Kesselschlacht bij Volchov’ werd genoemd) en nu begraven liggen op een indrukwekkend kerkhof. Samen met de Blauwe Divisie van 47.000 Spanjaarden vochten ze aan een van de grote fronten van de Tweede Wereldoorlog. In Podberjezje liggen ze nu broederlijk begraven op het Duits Militair Kerkhof met grafstenen in het Duits, Nederlands en Spaans.

De soldaten stonden versteld van de armzalige Russische dorpen : ‘De armoede van de Russen trof ons. In de boeren- en arbeidersheilstaat was het armoe en ellende troef : de huizen waren krotten met vaak slechts één vertrek en veel onderkomens maakten een verlaten indruk.’ (101)

Het boek bevat ook enkele tekeningen van Frans Van Immerseel, de bekende glasraamkunstenaar, die in 1941 met het Vlaams Legioen naar Rusland trok. Na de oorlog werd hij tot levenslang veroordeeld, maar in 1952 kwam hij al vrij.

Een van de meest bekende oostfronters was Oswald Van Ooteghem, die na de oorlog in de politiek ging en zich aansloot bij de Volksunie. Het naschrift bij dit boek citeert een bedenking van de ex-oostfronter en oorlogsreporter : ‘Al wie de oorlog heeft meegemaakt, kan tot geen andere conclusie komen dan dat oorlog waanzin is en het slechtste wat de mensheid kan overkomen. Laat ons allen samen een laatste oorlog voeren : de oorlog tegen de oorlog !’ (171). Een wijze boodschap, die wel iets te laat komt.