Sergej Michajlovitsj Stepnjak-Kravtsjinski. Het huis aan de Wolga

Sergej Michajlovitsj Stepnjak-Kravtsjinski. Het huis aan de Wolga / Домик на Волге. Amsterdam, Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, 2019, 147 p. (Slavische Cahiers 34). Ingeleid door Willem Weststeijn, vertaald door Zinaïda Bal-Petsjerskaja en Kees Blankendaal.  ISBN 978 90 6143 453 5.

Sergej Kravtsjinski is een allang vergeten schrijver die in het laatste kwart van de negentiende eeuw in de ondergrondse beweging van de ‘nihilisten’ zat, door christelijke of marxistische ideeën van naastenliefde geïnspireerde jonge mannen die meenden de wereld te kunnen veranderen door bommen te gooien naar hoogwaardigheidsbekleders. Kravtsjinski is de geschiedenis van het Russische verzet in gegaan onder de schuilnaam Stepnjak. In het buitenland genoot hij tamelijk grote bekendheid, zijn werken die hij in buitenlandse verbanning schreef, werden in verscheidene talen vertaald (ook in het Nederlands: De loopbaan van een nihilist (1894) en Het onderaardse Rusland (1886). Als revolutionair kwam hij voor een keer op een ‘natuurlijke’ manier aan zijn einde – hij sukkelde onder een trein.

In Het huis aan de Wolga beschrijft hij het aandoenlijke verhaal van een voortvluchtige politieke arrestant die weet te ontsnappen uit een rijdende trein en terechtkomt bij een jonge vrouw die hem wil opvangen en ook nog de zus van zijn revolutionaire vriend Ivan blijkt te zijn. Niet alleen bij Pasternak vallen de ongerijmdheden en onverwachte wendingen zo maar uit de lucht. Maar de verloofde van zijn weldoenster komt roet in het eten gooien – hij heeft er weet van dat een ontsnapte banneling gezocht wordt en heeft het sterke vermoeden dat hij zich schuil houdt uitgerekend bij zijn verloofde. Groot dilemma voor een loyale ambtenaar, die op goede voet wil staan met de gouverneur. De voortvluchtige weet op tijd te ontsnappen en belooft zijn weldoenster haar broer, die ook naar Siberië zal worden gestuurd, te bevrijden.

Het ligt een beetje voor de hand in deze half-romantische geschiedenis dat de ‘jonge revolutionair’ (59) de jonge vrouw van zijn ideeën en idealen weet te overtuigen: ‘Hij begon te spreken over de mensen van het volk, over hun noden en lijden, over hun rechten en mogelijke toekomst. Hij sprak goed en bezield. Hij wist te boeien. Nog nooit had het meisje zulke betogen gehoord. (…) Deze uit de hemel gevallen geheimzinnige gast opende voor haar deuren naar een nieuwe, onbekende, betoverende wereld.’ (57) Hij weet haar te overtuigen van ‘de bekoring en de grootsheid van onze roeping’, zodat zij moest terugdenken aan de ‘christelijke martelaren’ (93).

De plichtstrouwe ambtenaar moet het ten langen leste afleggen tegen de overtuigingskracht van de ‘ontmaskerde staatsdelinquent’ (123): in de kerk weigert zijn verloofde haar ja-woord en het huwelijk gaat niet door. Maar niet getreurd: een jaar later kan de jonge carrièrist trouwen met de nicht van de gouverneur en is zijn afvallige bruid naar Petersburg vertrokken, om zich bij haar broer en haar redder te voegen. Daardoor was het vredige nest van de familie weliswaar verwoest, maar ‘in de gelederen van strijders voor vrede en geluk van miljoenen andere nesten is er één mens bijgekomen’ (147). Zo krijgt dit ontsnappings- en half-liefdesverhaal een gelukkig einde. De strijd wordt voortgezet. Rusland staat een glorierijke toekomst te wachten.

Dit qua thematiek verouderde werkje is dankzij de moderne vertaling best genietbaar, het biedt toch een inkijk in het leven van politiek Rusland eind 19e eeuw. De vertalers zouden wel consequenter het gebruik van u en jij in het Russisch moeten respecteren. Terwijl de meeste Nederlandse vertalers onverantwoord de Russische u-vorm vervangen door jij, gebeurt hier het omgekeerde: de njanja van de jonge vrouw richt zich nu eens in de u-vorm en dan weer in de jij-vorm tot de geheimzinnige bezoeker (p. 103 vs. p. 113).