Wetenschap & Cultuur

Wetenschap en Cultuur is een belangrijke pijler van het Nederland-Rusland Centrum. Het NRCe organiseert culturele programma’s en biedt daarnaast onderwijsprogramma’s over uiteenlopende onderwerpen aan. Het NRCe heeft jarenlange ervaring met archiefonderzoek in Russische archieven en heeft enkele databases met Russische archivalia in beheer. Ook organiseren wij met enige regelmaat publieksgerichte lezingen over uiteenlopende onderwerpen.

Het NRCe is het initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen en de Gasunie. De wetenschappelijke kennis, waarover het Nederland Rusland Centrum beschikt, wordt door diverse instituten en overheidsinstellingen benut, zoals o.a. het Instituut Clingendael te Den Haag, alsmede enkele Nederlandse ministeries.

 

Nieuwsoverzicht

Peter Finn & Petra Couvée. De zaak Zjivago. Het Kremlin, de CIA en de strijd om een verboden roman.

Peter Finn & Petra Couvée. De zaak Zjivago. Het Kremlin, de CIA en de strijd om een verboden roman. Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2014, 383 p. Vert. uit het Engels.

 Dokter Zjivago is een van de meest gelezen Russische romans van de twintigste eeuw. Toen het boek in 1964 in Amerika verfilmd werd (door David Lean, met Omar Sharif en Julie Christie in de hoofdrollen) , was het succes verzekerd. Zowel boek als film zijn klassiekers geworden. Zo goed als onbekend is dat aan het verschijnen van dit boek een enorme strijd is voorafgegaan. Het verhaal van deze roman wordt uitvoerig verteld in het bijzonder goed gedocumenteerde boek van de Amerikaanse journalist Peter Finn en de Nederlandse slaviste Petra Couvée.

Boris Pasternak schreef tien jaar lang aan deze roman – van 1945 tot 1955, het boek dat hij als de afronding van zijn schrijverscarrière beschouwde (‘mijn grootste en belangrijkste werk, het enige waarvoor ik me niet schaam en waarvoor ik zonder bezwaren verantwoording afleg’) (106) en ‘mijn laatste woord aan de beschaafde wereld’ (128). In 1956 leerde hij in Moskou een Italiaan kennen die het manuscript meenam en bezorgde aan de Italiaanse uitgever Feltrinelli, een in Italië welbekende, linkse, communistische uitgever, die direct brood zag in dit grandioze pleidooi voor persoonlijke vrijheid. Al de mensen aan wie hij het boek te lezen gaf, waren overtuigd van de grote epische kracht en de intellectuele vrijheid die uit het boek spraken en vonden dat Feltrinelli het boek moest uitgeven. Het probleem was dat Pasternak een tijdje de hoop had gekoesterd dat het boek in de Sovjetunie gepubliceerd zou worden, maar uiteindelijk wilde het tijdschrift Novyj mir (Nieuwe Wereld) er niet van weten: ‘De teneur van uw roman is er een van afwijzing van de socialistische revolutie. De algehele strekking van uw roman is dat de Oktoberrevolutie, de Burgeroorlog en de daarmee samenhangende sociale omwenteling de mensen niets heeft gebracht dan lijden en de Russische intelligentsia heeft vernietigd, zowel lichamelijk als moreel’ (116); de roman zou ‘spugen op het Russische volk’ en ‘de roman en de persoonlijkheid van de schrijver waren een goudmijn voor de reactionaire pers’ (196). Toen de autoriteiten doorkregen dat het manuscript in het Westen was terechtgekomen, probeerden ze dat terug te krijgen van de uitgever (ook met dreigementen en via de Italiaanse Communistische Partij, waarvan Feltrinelli lid en sponsor was), maar die had inmiddels succes en geld geroken en weigerde ronduit. De Italiaanse slavist Pietro Zveteremich stelde: ‘Een roman als deze niet publiceren zou een misdaad zijn tegen de cultuur’ (105). De Italiaanse vertaling verscheen in november 1957 en werd meteen een bestseller. De roman begon zijn triomftocht door de wereld. Alleen al in het Nederlands verschenen er ca. 50 drukken.

Begin 1958 kwam het Russische manuscript van de roman bij de CIA terecht en die zagen er brood in om het boek te gebruiken in de al hevig woedende ideologische strijd tussen de Sovjetunie en het Westen. De ‘niet-aflatende, wereldwijde politieke oorlog tegen het Kremlin’ (136) kon nu uitgebreid worden met een machtig literair wapen – het eerste werk van de Sovjetliteratuur geschreven door een groot talent en met een duidelijke anticommunistische boodschap (vrijheid van het individu, het verwerpen van steriele grote dromen). Maar om de Sovjets niet het argument in de hand te spelen dat het boek gedrukt was in de Verenigde Staten, het bolwerk van het anticommunisme, werd een hele constructie op touw gezet zodat het boek gedrukt werd in Europa, door een kleine uitgeverij. De keuze viel op uitgeverij en drukkerij Mouton & Co in Den Haag die zich gespecialiseerd had in wetenschappelijke slavistische studies, waaraan gerenommeerde slavisten meewerkten (Roman Jakobson, Cees van Schooneveld). De Russische editie, die in de Sovjetunie niet mocht verschijnen, was klaar tegen de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, waar de roman gratis uitgedeeld werd aan Sovjetburgers die toen in Brussel waren (de Belgische ambassade verstrekte 16.000 visa aan bezoekers uit de Sovjetunie) (152). Later kwam er nog een dundruk op ‘bijbelpapier’ uit in handig zakformaat die nog gemakkelijker door toeristen en bezoekers naar de Sovjetunie gesmokkeld kon worden. Ondertussen werd er door fans gelobbyd bij de Zweedse Academie om Pasternak de Nobelprijs toe te kennen.  Op 23 oktober 1958 werd Pasternak de prijs toegekend ‘vanwege zijn opmerkelijke prestaties in zowel de hedendaagse dichtkunst als op het gebied van de grote Russische verteltraditie’ (189). De roman Dokter Zjivago werd niet vernoemd, maar zal zonder twijfel mee een rol hebben gespeeld in de (unanieme) toekenning.

Terwijl de Sovjetautoriteiten zich hadden neergelegd bij het mislukken van hun pogingen om de publicatie van de roman in Italië te dwarsbomen, schoten ze nu in gang. Er werd een campagne op touw gezet die de roman en zijn auteur moest discrediteren. De inzet was groot en landelijk. Radio en pers werden ingeschakeld en een tijd lang werden alle sovjetse duivels op Pasternak losgelaten. Het was een moeilijk dilemma voor het nieuwe bewind na de dood van Stalin: Chroesjtsjov had enkele blijken van liberalisering gegeven (ontmaskering van Stalins misdaden, amnestie voor miljoenen kampgevangenen, publicatie van enkele – onschuldige - literaire werken, zoals Erenboergs De dooi en Doedintsevs Niet van brood alleen), maar werd nu geconfronteerd met een explosief werk. Pasternak werd op alle mogelijke toonaarden door het slijk gehaald: hij werd ‘een binnenlandse emigrant’ genoemd, een ‘judas’, ‘verrader’, en de antisemitische ondertoon was hier en daar duidelijk te horen (Pasternak was een Russische Jood); het fraaie Russische spreekwoord werd bovengehaald dat ‘iedere kudde zijn schurftig schaap’ kent (210); men schreeuwde dat deze ‘vijand’ uit de Schrijversbond gestoten en uit het land verbannen moest worden. Het eerste gebeurde, maar tot verbanning liet men het niet komen – misschien omdat dit de internationale antisovjetcampagne nog meer zou aanwakkeren. En ook omdat Pasternak smeekte hem niet het land uit te zetten: ‘Ik kan mij geen lot indenken zonder Rusland of erbuiten’ en verbanning ‘zou voor mij gelijkstaan aan de dood’ (214).

Het verslag van heel deze campagne dat in dit spannende boek gebracht wordt, legt een pijnlijke episode uit de geschiedenis van de Sovjetcultuur bloot. Schrijvers haastten zich om Pasternak aan te vallen (201), iedereen wendde zich van hem af, slechts enkelingen durfden het aan het voor hem op te nemen of nog contact met hem te onderhouden. De hetze was zo hevig dat Pasternak overwoog om zelfmoord te plegen. In het nauw gedreven door de autoriteiten, weigerde Pasternak tenslotte te Nobelprijs, maar die weigering bracht geen enkele verlichting (209). Later zal hem door de volgende Nobelprijswinnaar (1970) – Aleksandr Solzjenitsyn – verweten worden dat hij laf was geweest en toegegeven had aan de dreigementen van de Sovjetautoriteiten en dat terwijl hij de grote held was van zowat alle intellectuelen in heel de wereld. Alle schrijvers van naam in het Westen (Hemingway, T.S. Eliot, Graham Greene, Albert Camus, Aldous Huxley, Bertrand Russell e.v.a.) namen het op voor Pasternak, maar het mocht niet baten. Pasternak stierf in mei 1960, moegetergd door zijn tijd- en landgenoten, die zijn boek pas in 1988, in volle perestrojka, te lezen zouden krijgen.

Dit boek is een schitterende reportage over een van de meest sensationele literaire bommen van de twintigste eeuw. Het puilt uit van de getuigenissen die alle nuances van deze affaire aan bod laten komen. Een bijzondere rol in dit alles speelde Olga Ivinskaja, de minnares van de schrijver, zijn muze (ze zou Pasternak tot het vrouwelijke hoofdpersonage Lara in Dokter Zjivago geïnspireerd hebben) en engelbewaarder van Pasternak. Voor haar liefde en toewijding moest ze twee keer boeten met een kamp. In 1976 werden haar memoires het land uit gesmokkeld en gepubliceerd onder de titel Gevangene van de tijd. Mijn jaren met Boris Pasternak, een boeiend, persoonlijk relaas van haar vriendschap en liefde voor de dichter, niet helemaal vrij van leugens en wishful thinking. Over de zakelijke kant van Dokter Zjivago – de kolossale auteursrechten van dit in vele miljoenen exemplaren verkocht boek – werd nog lang getwist en geprocedeerd door uitgever(s), nazaten en tussenpersonen.

Het pijnlijkste aspect aan deze affaire is evenwel de moeiteloosheid waarmee zoveel schrijvers-collega’s Pasternak lieten vallen. De dissidente chansonnier Aleksandr Galitsj zal in de jaren zeventig zingen ‘en we zullen ons al de namen herinneren van hen die de hand hebben opgestoken’. Over hun laffe daad hebben velen achteraf spijt betoond. Het moedigst was Konstantin Paoestovski die men per se naar de vergadering wilde slepen waar Pasternak de grond in geboord zou worden. Paoestovski bleef rustig voort vissen en zei ‘ik kan toch niets zeggen over een boek dat ik niet gelezen heb’.

Het boek van Finn en Couvée is een indrukwekkend staaltje van journalistiek speurwerk. Het is zorgvuldig geschreven (vertaald), gedocumenteerd met stuk voor stuk belangrijke tijdsdocumenten en soms ijzingwekkende getuigenissen. Samen met Frank Westermans De ingenieurs van de ziel is het een boek dat niet mag ontbreken in de lectuur van iedereen die zicht wil krijgen op het culturele leven in de Sovjetunie na de dood van Stalin. Grappig (ironisch) is dat degene die uiteindelijk het boek verboden heeft – partijleider Chroesjtsjov, vier jaar na de dood van de schrijver zelf in ongenade viel en zijn eigen memoires het land moest laten uit smokkelen om ze in het Westen te laten publiceren. Toen hij eenmaal op rust was, had hij tijd om de roman zelf te lezen en toen vond hij dat ze het nooit hadden moeten verbieden: ‘Ik had het zelf moeten lezen. Er staat helemaal niets in dat anti-Sovjet is’ (294). Een apocriefe, mondelinge versie luidt: ‘Ze hebben me belazerd, de hufters’.

 

                                                                                                                              Emmanuel Waegemans

TEFFI. Herinneringen. Van Moskou naar de Zwarte Zee

TEFFI. Herinneringen. Van Moskou naar de Zwarte Zee – 1919. Amsterdam, Pegasus, 2017, 231 p. Vert. en nawoord Lena Hemmink.

In volle perestrojka werd de Russische emigrante Nadezjda Teffi ontdekt door de nogal vergeetachtige Russen en ook in het Westen uitgegeven. In 1988 verscheen het bundeltje Parijse verhalen (bij De Lantaarn) en in 1989 de grotere bundel Alles over de liefde (bij de Wereldbibliotheek), een fantastische serie verhalen over Russische tsjoedaki, zonderlingen in de meest gekke situaties waarin alles kan, behalve liefde. Teffi laat ons een wereld zien van mislukte, doorgetrapte, geëxalteerde of op hol geslagen Russen. Het zijn korte verhaaltjes, soms miniatuurtjes waarin deze chroniqueur  van de Russische diaspora het alledaagse leven van Russen in ballingschap uitbeeldt, vaak behoorlijk platvloers met kleine tragedietjes en soms ook wel vreugdes.

Diezelfde toon vinden we in haar herinneringen over haar vertrek uit Rusland en de reis (vlucht) die ze onderneemt van Moskou naar Odessa, om dan definitief Rusland te verlaten. Hoe wreed en barbaars de burgeroorlog ook was, toch waren de meeste landverlaters ervan overtuigd dat de bolsjevieken het niet lang zouden volhouden. De meeste emigranten vonden het niet eens de moeite  om hun koffers uit te pakken (117), want morgen of overmorgen zou het bolsjevistische regime toch vallen. Van de nieuwe machthebbers heeft Teffi natuurlijk geen hoge pet op: ‘Die kameraden van je in hun leren jasjes met hun revolvers zijn ordinaire roofmoordenaars, crimineel gespuis’ (42), ‘rode soldaten en duister schorem’ (43), die aan hun ‘laatste stuiptrekkingen’ (94) bezig waren. Iemand geeft haar de raad: ‘Het is nu moeilijk om naar Petersburg terug te keren, ga voorlopig maar naar het buitenland. Tegen de lente keert u dan naar het moederland terug’ (217). Teffi is vertrokken, maar heeft haar vaderland nooit meer weergezien. Ze is gestorven in Parijs in 1952, op tachtigjarige leeftijd, als gevierde (maar inmiddels ook al een beetje vergeten) schrijfster van het Russische exil.

De herinneringen van Teffi zijn niet de explosieve memoires van Ivan Boenin of Zinaida Gippius, maar brengen alledaagse dingen over een land op drift, heel actueel nu de exodus van honderdduizenden Syriërs aan de gang is. Veel vluchtelingen zijn zich nauwelijks bewust van wat hen te wachten staat en leven er vrolijk, onbezorgd op los, gooien hun laatste geld over de balk, zijn overmoedig en gaan bewust of onbewust de ondergang tegemoet. Een ‘principiële edelman’ (148) weigert het dek te schrobben van het schip dat hem wegbrengt uit de moordende chaos van zijn land in burgeroorlog, de voorname schrijfster Teffi moet voor het eerst in haar leven de mouwen uit de handen steken, een man is kwaad omdat de kelner de aardappelen apart van de biefstuk serveert, een knotsgekke Russische Jood biedt Teffi contracten aan om in Odessa literaire avonden te komen geven. Een witte officier loopt met opgeheven borst vol epauletten door een dorp dat net door de bolsjevieken bezet is. De wereld op zijn kop holt de ondergang tegemoet.

Mooi is het verhaal van mevrouw Foek die haar enige bezitting – een diamant – verstopt had in een ei. ‘Ze had een klein gaatje gemaakt in de dop van het rauwe ei, de diamant erin gestopt en toen het ei hardgekookt. Ze had het ei in een mandje met etenswaren gelegd en zat daar rustig te glimlachen. De Rode soldaten kwamen de wagon binnen. Doorzoeken de bagage. Opeens grijpt een soldaat juist dat ei, pelt het en ter plekke, onder de ogen van mevrouw Foek, schrokt hij het op’ (22).

Dit is een van de pareltjes van dit boek met herinneringen van een milde, humoristische schrijfster. Een welgekomen ontdekking!

                                                                                                                                              Emmanuel Waegemans

 

 

 

Partners & Klanten