Wetenschap & Cultuur

Wetenschap en Cultuur is een belangrijke pijler van het Nederland-Rusland Centrum. Het NRCe organiseert culturele programma’s en biedt daarnaast onderwijsprogramma’s over uiteenlopende onderwerpen aan. Het NRCe heeft jarenlange ervaring met archiefonderzoek in Russische archieven en heeft enkele databases met Russische archivalia in beheer. Ook organiseren wij met enige regelmaat publieksgerichte lezingen over uiteenlopende onderwerpen.

Het NRCe is het initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen en de Gasunie. De wetenschappelijke kennis, waarover het Nederland Rusland Centrum beschikt, wordt door diverse instituten en overheidsinstellingen benut, zoals o.a. het Instituut Clingendael te Den Haag, alsmede enkele Nederlandse ministeries.

 

Nieuwsoverzicht

M.A. Boelgakov. De Meester en Margarita of onderaan de berg valt de duisternis eerst..

M.A. Boelgakov. De Meester en Margarita of onderaan de berg valt de duisternis eerst... Toneelbewerking van Alain Pringels. Amsterdam, De Nieuwe Toneelbibliotheek, 2015, 119 p.

In 1966-1967 verscheen – een kwarteeuw na de dood van de schrijver – De Meester en Margarita, het hoofdwerk van de Russische schrijver Michail Boelgakov (1891-1940). Aan deze roman had Boelgakov twaalf jaar gewerkt – van 1928 tot 1940. Nog op zijn sterfbed bracht hij correcties en aanvullingen aan die hij dicteerde aan zijn (derde) vrouw Elena Boelgakova. Zij deed de toen nogal lichtzinnige belofte zijn roman te publiceren. In1940 waren daar weinig redenen voor en nog minder hoop op succes. Mevrouw Boelgakova heeft er na de dood van Stalin (1953) meer dan tien jaar over gedaan om de roman van haar grote liefde gepubliceerd te krijgen. Dat was geen sinecure, zelfs niet in de liberale tijd van de ‘dooi’ (1956-1934) onder Chroesjtsjov, toen voorzichtig afgerekend werd met het stalinisme en heel wat verguisde, vergeten of vermoorde schrijvers gerehabiliteerd en (her-) uitgegeven werden.

De Meester en Margarita sloeg in als een bom. De roman gaat over de duivel (Woland) die Moskou terroriseert (eind jaren 1920-begin jaren 1930) en uiteindelijk de in een psychiatrische inrichting opgesloten Meester bevrijdt. De roman kan op vele niveau’s gelezen worden. Het is een satirische roman over de vooral literaire wereld van de Sovjetunie in de jaren twintig en dertig (en dat in een tijdperk waarin satire uiterst voorzichtig moest zijn, geconfronteerd als ze werd door de eis van de Partij om alleen optimistische en positieve verschijnselen te beschrijven). Ten tweede is het een historische roman, die zich afspeelt in Jeruzalem in de Goede Week, waarin Jezus gekruisigd wordt. De roman verspringt van het Moskou-verhaal naar het Jeruzalem-verhaal, wellicht door de auteur bedoeld om historische parallellen te kunnen aanbrengen die in een Sovjetroman onduldbaar zouden zijn indien ze over de Sovjetunie zouden gaan. Door het thema is het ook een christologische roman. De Sovjetburgers waren zo uitgehongerd naar alles wat met godsdienst en de bijbel te maken had, dat deze roman wel eens ‘de bijbel voor het arme volk’ genoemd werd. Ten derde is het werk van Boelgakov een liefdesroman – over de liefde tussen een vrije kunstenaar, die zich terugtrekt uit het sociale en politieke leven van de samenleving, en Margarita, een met een Sovjetse VIP getrouwde, van alle luxe en privileges voorziene, maar ongelukkige vrouw. Het is hen niet gegeven deze liefde waar te maken in dit leven, slechts in de dood (dankzij Woland) vinden zij elkaar. Een 20e-eeuwse Tristan en Isolde dus. Maar bovenal is De Meester en Margarita een roman over een kunstenaar en de rol van de liefde in zijn leven en werk.

Velen hebben de roman gelezen als een autobiografisch werk, maar dit klopt niet. Er zijn weliswaar onmiskenbaar enkele gegevens uit Boelgakovs privéleven terug te vinden in de roman, maar de grootste les verschilt grondig: terwijl de Meester vrijwillig verzaakt aan zijn literaire loopbaan en dus niet de strijd aanbindt met zijn critici, heeft Boelgakov altijd gevochten voor zijn werk  en ideeën. Zijn biografie tussen 1925 en 1940 is een aaneenschakeling van pesterijen, verbroken contracten, afgezegde premières, niet opgevoerde stukken of niet uitgegeven werken of vertalingen, kortom de echte Hungerkünstler, maar Boelgakov heeft nooit opgegeven, nooit versaagd, zoals zijn Meester.

De roman is in de Sovjetunie gepubliceerd in 1966-67 (in twee afleveringen van het literaire tijdschrift Moskva) met zware coupures: door de censuur werd zo’n 12 % van de tekst weggeknipt. De roman is in Rusland uitgegroeid tot een ware cultroman: samen met De twaalf stoelen van Ilf & Petrov (een satirische schelmenroman over de jaren twintig) en Moskou op sterk water (een filosofisch alcoholepos van de jaren zestig van Venedikt Jerofejev) was Boelgakovs werk een van de meest gegeerde in de jaren zestig-tachtig. Sinds het midden van de jaren zeventig is hij ook in het Westen uitgegroeid tot een cultroman met veel fans overal ter wereld. Gezien de veelzijdigheid van de roman die tot veel uiteenlopende interpretaties en lezing kan uitnodigen, valt dit zeker niet te verwonderen. De talrijke verfilmingen (Joegoslavië, Rusland, Italië) hebben de cultstatus alleen maar in de hand gewerkt.

Russen zijn streng en conservatief wat hun klassiekers betreft. ‘Raak niet aan onze klassieken!’ De beroemde regisseur van het experimentele theater «Taganka» Joeri Ljoebimov maakte in 1977 een toneelbewerking van de roman, die sindsdien loopt in Moskou en een kasstuk is. Ljoebimov houdt zich strikt aan de tekst van Boelgakov en beperkt zich ertoe de grote verhaallijnen en ideeën van Boelgakov weer te geven.[1] In 2015 is de roman nu ook bewerkt voor toneel door de Vlaming Alain Pringels. In november 2015 ging het stuk in première in het Compagnietheater Amsterdam, in februari 2016 liep het twee dagen in het Arca Theater in Gent. Wat heeft Pringels toe te voegen aan deze analyse van Boelgakovs roman? Waarin schuilt zijn visie op een van de grote romans van de 20e eeuw?

 

[1] In het Nederlands vertaald als De Meester en Margarita. Toneelbewerking door Joeri Ljoebimov. Deventer, Scriptio, 2008.

Hans Boland. Mijn Russische ziel.

Hans Boland. Mijn Russische ziel. Amsterdam, Pegasus, 2015, 164 p.

Als er iemand is die met recht van spreken iets zinnigs kan zeggen over de befaamde ‘Russische ziel’, is het wel de Nederlandse slavist en vertaler Hans Boland. Hij heeft Russische taal en literatuur gestudeerd, is bezig met de vertaling van het verzameld werk van Ruslands nationale dichter Aleksandr Poesjkin en heeft jaren in Sint-Petersburg gewerkt (Nederlands gedoceerd) en in  het land rondgereisd. De eerste editie van dit boek verscheen in 2005 bij Athenaeum-Pollak & Van Gennep en kon toen ook al op geanimeerd commentaar rekenen. Tien jaar later heeft Boland zijn boek opnieuw uitgegeven en hier en daar wat geactualiseerd.

Zijn Ruslandbeeld is er in de tien jaar dat Poetin de plak zwaait over Rusland niet optimistischer op geworden. De huidige president noemt hij een ‘larf’ (23). Vorig jaar weigerde hij uit de handen van deze ‘dictator’ de Poesjkinprijs (de hoogste onderscheiding) te ontvangen, waarna de Russische pers zich op hem heeft gegooid en hevig zwart heeft gemaakt, waarbij graag ingespeeld werd op zijn homoseksualiteit, een heet ijzer in het hedendaagse Rusland.

Boland is een rasverteller. Ook al spreekt hij over een moeilijk te vatten onderwerp als de mysterieuze ‘russische Seele’, toch blijft hij verstaanbaar en genietbaar. Soms gaat hij wel eens door de bocht met vergelijkingen als ‘de straten waren gegroefd en pokdalig als de kop van Stalin zelf’ (76) of beweringen als zou Las Vegas ‘authentieker’ zijn dan Moskou (105). De overal aan te treffen borden met ’60 jaar Overwinning’ (in 2005 n.a.v. de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog, in Rusland steevast de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’ genoemd) vindt hij eerder ‘zestig jaar lompheid’ (111). De Rus zal wel gechoqueerd zijn door zijn bewering dat het gigantische monument in Volgograd (vroeger Stalingrad) voor de slachtoffers van WO II door hen als ‘groots’ ervaren wordt, terwijl hij het ‘grotesk’ vindt (142). Terwijl deze oorlog door velen gezien wordt als de bevrijding door de Sovjets van de nazibarbarij, ziet hij hem als een ‘ordinaire veroveringsoorlog’ (153).

Een van de vele stokpaardjes die Boland berijdt, is dat van de parallellen tussen Sovjet-Rusland en nazi-Duitsland, een voor vele westerlingen onbespreekbaar onderwerp, maar voor de Russen al helemaal taboe. 2005 noemt hij ‘de zestigste verjaardag van de zege van het rode over het bruine monster’ (135). In de slavofiele idee dat de Russische cultuur beter zou zijn dan de westerse (gebaseerd op rationalisme en individualisme) ziet hij ‘verwantschap met het fascistische idee van een (Duits) Herrenvolk’ (150). De gebeurtenissen van het laatste jaar – het conflict met Oekraïne, de inlijving van de Krim en de georkestreerde perscampagne tegen het Westen – schijnen hem hierin te bevestigen.

Boland schuwt er zich niet voor de keerzijde van Rusland te laten zien : ‘wie Rusland wil leren kennen moet niet bevreesd zijn voor de bodem van de put’ (12). Associaties met een beerput roept het Russische trappenhuis op, ‘waar men niet alleen moet leren leven met de stank van doorgekookte kool, maar ook met rokende, drinkende, kotsende en urinerende Sovjetburgers’ (80). Terwijl de Russen zichzelf zien als behorend tot de westerse cultuur, stelt hij dat de Russische cultuur ’behept lijkt met een tragisch instinct om uit de omringende culturen de rotte in plaats van de rijpe vruchten te plukken’ (150). Bijna aforistisch is het oordeel dat men Rusland kan zien als ‘de beerput van de westerse  cultuur’ (105). Ook over het Russische opvoedingssysteem is hij hard : zelfstandig nadenken wordt niet geapprecieerd, laat staan bijgebracht, de nadruk ligt op ‘stampen’ en ‘uit het hoofd leren’ en geen vragen stellen. Dit verklaart waarom er in Rusland dichters zijn – ‘van oudsher profeten, geestelijk leidsmannen van het volk’ – ‘die geen enkel probleem hebben met Turkmenbashi [de dictator van Turkmenistan], Karadzic [van Servië] en Poetin [van Rusland]’ (162).

Tijdens zijn eerste kennismaking met Rusland in de jaren zeventig leerde hij het land kennen als een ‘openluchtgevangenis met streng bewaakte poorten’ (39), in de jaren negentig ontdekte hij een ‘crimineel slagveld’, dat men het best ‘het Wilde Oosten’ kan noemen (80). De bladzijden die hij besteedt aan zijn docentschap aan de universiteit van Sint-Petersburg en zijn heroïsche pogingen om wat orde in de chaos te brengen, zijn amusant en hilarisch, maar intriest. Van die westerse aanpak en doortastendheid (‘arrogant!’) hadden de Russen geen Hollandse kaas gegeten en enige waardering of dank zat er niet in.

De vraag is of er nog iets overblijft van Bolands bewondering voor Rusland ? Dit komt meer dan eens ter sprake. De Russen zijn echte praters (ze hebben het zelden over koetjes en kalfjes, p. 18), ze zijn ‘begenadigd door de muze’ (32) en kunnen urenlang Poesjkin citeren. De natuur van het land is van een adembenemende schoonheid (hoofdstuk ‘De provincie’). Maar ‘tegen de overstelpende weemoed van dit land’ heeft Boland de geschiedenis nodig als medicijn (78). Het boeiende aan Bolands verhaal is dat het zo persoonlijk is, het is de doorleefde queeste van de russofiel naar wat hem nu zo boeit en wat hem verzoent met het land dat hij in vele opzichten verfoeilijk vindt, zijn ‘tweede, geestelijke vaderland’ (41). ‘Mensen – zowel Nederlanders als Russen – denken dat ik een haat-liefdeverhouding met het land heb, maar zo simpel ligt het niet. Ik hou van mijn werk, en mijn werk is Rusland. Misschien is werk wel het enige waarvan ik hou : geld, status, voetballen, de kroeg, de tv – het laat me allemaal koud als een oester in een schaal ijs. Van serieuze muziek kan ik volop genieten, net als van serieuze films en literatuur. Geschiedenis is mijn liefste hobby. Levende mensen interesseren me ook altijd. Reizen is mijn drug. Verder hoef ik alleen maar mijn werk. Ik hou van Poesjkin en haat Poetin’ (105).

Een raadsel waar Boland mee worstelt, is de ‘trotse liefde’ die vele Russen koesteren voor een vaderland dat hun ‘weinig anders dan verdriet en vernederingen had bezorgd’ (22). Herhaaldelijk komt hij te spreken over het centrale raadsel van de westerling die met Rusland geconfronteerd wordt – ‘de Russische ziel’. Een concept dat door westerlingen is uitgedacht – meer bepaald in de tweede helft van de 19e eeuw toen de Russische literatuur stilaan ontdekt werd  (via vertalingen van Toergenjev, Tolstoj, Dostojevski, met name door de Fransman Melchior de Vogüé in zijn boek Le roman russe van 1886). Alles wat niet paste in het westerse, rationele paradigma, werd toegeschreven aan «l’âme russe». Sindsdien is het concept niet meer weg te denken uit het geschiedfilosofisch denken over Rusland in het Westen. Boland vindt dat westerlingen aan ‘ordinaire dweperij met de Russische ziel’ doen (103), een idee dat hij een ‘gotspe’ vindt (149-150). Verschrikkelijk is helemaal dat de ‘dragers van zo’n vermeende ‘eigen’ ziel deze gebruiken als legitimatie voor macht en leiderschap. Het geloof in een door God zelf bepaalde bestemming van de natie is de inspiratiebron van het Russische messianisme’ (150), met alle nare gevolgen vandien (arrogantie, superioriteitsgevoel, bekeringsdrift, Kulturträgertum). Tegen deze Russische ziel voert Boland een ‘windmolengevecht’ (159). Het finaal oordeel is hard : ‘Het concept van de Russische ziel is, áls we het al willen handhaven, aan een fundamentele herziening toe. De mythe van een groot, verheven Rusland met een groot, verheven volk berust in werkelijkheid op het grote, banale niets ; als er een Russische ziel bestaat is zij geen zegen, richtsnoer of veilige haven voor de mensheid, maar een conglomeraat van akelige eigenschappen – laf, stompzinnig, aanmatigend’, ‘in laatste instantie niet meer dan een bak alcohol’ (162).

De vraag blijft dan waarom Boland van Rusland houdt ? Voor een deel zoals Lermontov, de tweede grootste dichter na Poesjkin, die in zijn gedicht Vaderland schrijft : ‘Ik min mijn vaderland, maar op een vreemde wijze ! / En hoe dat zit begrijp ik werkelijk niet’ : noch het geloof of de traditie, noch de militaire roem, maar de natuur (‘het wiegen van zijn grenzeloze wouden’) en het volk (‘’t boerse dronkemansgepraat’). Maar de grootste troef die Rusland te bieden heeft, is Poesjkin, het nationaal genie, de perfecte belichaming van de ideale Rus : door en door Europeaan en door en door Rus, ‘de stem van de vrijheid die zij nooit hebben gekend’. Volgens Boland ‘zou elke Rus de Europeaan willen zijn die Poesjkin is, een Rus met een Europese ziel’ (164). Er is blijkbaar nog een lange weg af te leggen…

Emmanuel Waegemans