Recensies

Lien Verpoest (red.). Rusland, onveranderlijk anders?

Lien Verpoest (red.). Rusland, onveranderlijk anders? Russische identiteit in politiek, cultuur en geschiedenis. Leuven Universitaire Pers, 2019, 175 p. ISBN 978 94 6270 201 1

Eindelijk eens een boek over Rusland dat geen Poetin-boek is. Rusland is immers wel iets meer dan de figuur van deze ene man. Het is trouwens de vraag of hij de dag van vandaag nog wel nummer één is. Steeds meer stemmen (insiders) zeggen dat hij vecht tegen de bierkaai, dat hij staat te roepen (bv. tegen corruptie), maar dat niemand luistert, laat staan hem volgt, dat zijn bevelen niet opgevolgd worden. Een verademing dus – een boek dat niet over de eenzame man in het Kremlin gaat.

Lien Verpoest, hoofddocent geschiedenis aan de KU Leuven en slavist-politicoloog van opleiding, heeft zeven mensen samengebracht die zich buigen over de vraag of Rusland nu echt anders is dan het Westen en zelfs ‘onveranderlijk’ anders? De titel van haar boek herinnert me aan de door sovjetologen dikwijls gestelde vraag of het beleid van de Sovjetunie revolutie of traditie betekende. Wat overwoog in de binnen- en buitenlandse politiek van de Sovjetunie: het nieuwe, het experimentele, het sociale en politieke experiment, of de traditie, het terugvallen op attitudes uit de tsarentijd?

Verpoest begint met te stellen dat Rusland altijd ‘de andere’ geweest is, een duidelijk voorbeeld is het invloedrijke boek La Russie en 1839 van de Franse aristocraat de Custine. De Custine vertrok naar Rusland als monarchist en tegenstander van de Franse Revolutie om er argumenten voor zijn politiek credo te vinden, maar kwam terug als overtuigd voorstander van westerse democratie en parlementarisme. Een ander etiket dat op het land geplakt wordt, is dat het een volk van slaven is (vroeger werd weleens het flauwe grapje gebruikt ‘Slaven zijn slaven’, een grafische woordspeling die trouwens alleen in het Nederlands kan). The Slave Soul of Russia van Daniel Rancour-Laferrière (1995) verwoordt dat het hevigst: Russen willen gedomineerd worden, het zijn masochisten. En Larry Wolff zet in zijn boeiende boek Inventing Eastern Europe (1994) uiteen hoe het begrip Oost-Europa in de eeuw der verlichting ontstond als tegenwicht voor het concept West-Europa, waarbij het laatste natuurlijk beter, ontwikkelder en verfijnder was dan het Oosten. De geschiedenis van de 19e en 20e eeuw – Nicolaas I, neerslaan van de Poolse opstand, lijfeigenschap, censuur, Siberië, revolutie, burgeroorlog, terreur, dissidenten - heeft aan dit beeld niets veranderd, maar alleen versterkt.

Bovendien is Rusland sinds de hervormingen van Peter de Grote (eind 17e-begin 18e eeuw) altijd gezien als de leerling, de vlijtige, brave leerling die de voorbeelden, de recepten, de ‘richtlijnen’ van de westerse leermeester overneemt. Sinds Tsjaadajev in 1836 zijn Filosofische Brief publiceerde en stelde dat de enige weg voor Rusland om beschaafd te worden de aansluiting bij het Westen, meer bepaald het katholicisme is, is de tweespalt tussen slavofielen (voorstanders van een Russische way of life) en zapadniki (westerlingen) niet meer weg te denken uit het intellectuele discours van Russische intellectuelen en politici. Pas de laatste decennia begint men te denken aan een derde weg, los van de twee voorgaande, de osobyj poetj of Sonderweg.

Na de catastrofale jaren negentig – zeg maar de jaren van banditisme en leegplunderen van ’s lands rijkdom door enkele tientallen oligarchen – ontstond het besef dat Rusland niet meer hoeft te rekenen op het Westen, dat toch maar zijn eigen belangen nastreeft, en beter kan inzetten op eigen krachten, op een eigen weg, die niet langer gedicteerd zal worden door westerse ‘betweters’. Voor sommigen waren de Amerikaanse en westerse sancties na 2014 een zegen voor Rusland: eindelijk moest het land nu eens zijn eigen landbouw gaan ontwikkelen (voor een keer kreeg Zjoeganov van de Communistische Partij van de Russische Federatie gelijk).

In het goed gedocumenteerde eerste hoofdstuk van Lien Verpoest kun je de verschillende stadia nalezen die tussen 1991 en 2019 doorlopen zijn, hoe het land van gehoorzame volgzaamheid is geëvolueerd naar opstandig afhaken, balorig protest tegen betutteling door het Westen. Tegenover de waarden die het Westen verdedigt in zijn contacten met Rusland, stelt Rusland zijn eigen waarden, waarbij m.i. nooit echt goed uiteengezet wordt wat die waarden eigenlijk zijn? Behoren lijfeigenschap, dictatuur, angst en verklikken tot die echt Russische waarden? Russische politici hameren op soevereiniteit, in naam daarvan zou het land recht hebben op zelfbeschikking en niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden (24) – meteen wordt al dat westerse gekanker over mensenrechten en kortwieken van democratie verworpen. Tegenover de bemoeienis van westerse landen stellen ze de ‘spirituele’ (doechovnye) waarden van de Russische wereld: het belang van traditie, natie en staat (26). In dit opzicht is Poetin en zijn gevolg eigenlijk niet origineel: de antiwesterse houding van het Kremlin is niet ontstaan of uitgevonden na 2014, toen Rusland begreep dat het Westen toch geen bakzeil zou halen en de annexatie van de Krim en de oorlog in Oost-Oekraïne toch nooit zou goedkeuren, maar is eigenlijk overgeërfd van rechtse nationalisten en communisten van tijdens het Sovjetregime (26). Verpoest stelt terecht dat het minderwaardigheidscomplex van Rusland in 1991 – wij hebben gefaald, wij zijn de verliezers, het kapitalisme doet het beter – omgeslagen in een superioriteitsgevoel (27). Ook dit is niet nieuw – eigenlijk is het een verwoording van Dostojevski’s messianistische visie dat Rusland de wereld iets te vertellen had, iets wat de wereld zou veranderen, verbeteren en bevrijden. De bekende Nederlandse slavist Karel van het Reve vroeg zich sarcastisch af wanneer dat bevrijdende woord van Rusland nu eindelijk gesproken zou worden. Het gevolg van dit alles is dat Rusland nog alleen ‘welwillende kritiek’ (28) aanvaardt en kritiek op Rusland beschouwt als een aanval op het land, als inmenging in binnenlandse aangelegenheden en als samenzwering.

De kernwoorden zijn nu traditie en patriottisme. De vraag is natuurlijk welke traditie dan in ere moet worden gehouden (verbanning naar Siberië, Goelag, volgzaamheid?) en wat een patriot is? In de 18e eeuw al publiceerde de maatschappijcriticus Aleksandr Radisjtsjev een Gesprek over wat een zoon des vaderlands is. Ik denk dat het nu niet meer publicabel zou zijn.

In de volgende hoofstukken worden verschillende facetten van dat anders-zijn van Rusland in de verf gezet. Pure verschrikking is het stuk van de Amsterdamse historicus Marc Jansen over de prijs die het Russische volk heeft moeten betalen om een niet-realiseerbare utopie te verwezenlijken – die van een klasseloze, rechtvaardige maatschappij. Tientallen miljoenen mensen zijn voor de bijl gegaan in een sociaal en politiek experiment dat uiteindelijk niet bleek te deugen en in 1991 ten grave is gedragen. Het stuk is niet zo horror als het ijzingwekkende boek De bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin van Timothy Snyder over de verschrikkingen die Oost-Europa tussen 1939 en 1949 heeft meegemaakt, maar het blijft slikken bij alles wat de Sovjets hun volk hebben aangedaan en waarvoor ze zich nooit verontschuldigd hebben (bv. tegenover de Oekraïeners of Balten). Ook hier moet ik terugdenken aan dat beroemde verhaal van Dostojevski over het kindertraantje: een van zijn romanpersonages zegt - indien het toekomstige geluk van de mensheid gebaseerd zou zijn op één enkel kindertraantje, dan hoef ik dat geluk van u niet. Eén kindertraantje versus tientallen miljoenen slachtoffers van gekraakte en moegetergde burgers.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de autoriteiten het niet meer hebben over de Stalinterreur, over het verraad van Lenin (die met Duits geld de revolutie predikte), over de godsdienstvervolging, de verwoesting van het cultureel erfgoed, maar over de Tweede Wereldoorlog, die ze de Grote Vaderlandse Oorlog noemen, het enige thema waarover alles Russen het eens zijn, het enige onderwerp waarover geen ruzie gemaakt wordt, al kan er heel wat gezegd worden (en wordt er angstvallig gezwegen) over de medeverantwoordelijkheid van Stalin voor het debacle van WO II. Maar dat alles wordt onder de tafel geveegd, ten gunste van het hoera-verhaal over de overwinning op het nazisme (de Russen gebruiken nog altijd de weinig correcte benaming ‘fascisme’ en weigeren halsstarrig het correcte begrip ‘nationaalsocialisme’ te gebruiken, natuurlijk omdat er het woord socialisme in zit en daardoor parallellen met het Sovjetssocialisme gelegd zouden kunnen worden).

In zijn boeiend stuk over de wereld van de muziek in de Sovjetunie maakt Francis Maes, hoogleraar musicologie aan de universiteit van Gent, duidelijk dat de grote componisten – met name Sjostakovitsj – niet alleen jaknikkers waren die slaafs de bevelen van hogerhand uitvoerden, maar vrije, creatieve, onafhankelijke geesten die zich veel konden veroorloven en binnen het kader van het ‘socialistisch realisme’ belangrijke werken konden maken. Het verschil met de precaire situatie van de literatuur in de Sovjettijd springt hier wel in het oog. Sjostakovitsj was m.a.w. ‘zowel slachtoffer als begunstigde van het systeem’ (49). Boeiend is ook dat Maes benadrukt dat muzikanten een hele cultuur van regels-omzeilen gebruikten. ‘Musici waren opmerkelijk beter af dan schrijvers of toneelregisseurs’ (61). Misschien heeft ook een rol gespeeld dat Stalin veel las, maar zich in de muziek opvallend afzijdig hield (62). De conclusie van Maes is duidelijk: de muziek van Sjostakovitsj ‘heeft de Sovjetgeschiedenis op superieure wijze overstegen’ (70).

Aleksandr Poesjkin. Paardje-Bochelaartje / Конёк-Горбунок

Aleksandr Poesjkin. Paardje-Bochelaartje / Конёк-Горбунок. Amsterdam, Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, 2019, 206 p. Vert. en toegelicht door Robbert-Jan Henkes. ISBN 978 90 6143 460 3 (Slavische Cahiers 35)

Elk kind in Rusland kent het sprookje Het gebochelde Paardje van Pjotr Jersjov, dat in Rusland - door toedoen van Poesjkin – verscheen in 1834. Het is een schat van een sprookje en bevat veel motieven en zegswijzen die we ook uit andere sprookjes kennen, o.a. de vader (koning of boer) die drie zonen heeft, waarvan er twee denken dat ze knap en handig zijn en vinden dat de derde, de jongste, een mislukkeling is. Het leuke van het sprookje is dat uitgerekend deze ‘domme Ivan’ (Ivan-doerak), die door zijn broers niet ernstig wordt genomen, dingen gedaan krijgt waarvan de veel slimmere broers alleen maar kunnen dromen. En er komt nog een trek bij die Russen zo sympathiek vinden: hij doet alles verkeerd, zit in zijn neus te peuteren, hij is een echte prutser die alles verknoeit, maar die precies dankzij zijn onwetendheid en onhandigheid erin slaagt te bereiken wat hij wil, zonder er moeite voor te hoeven doen. Er is altijd wel een wonderbaarlijk iemand (meestal een dier, bv. een snoek) die hem uit de nood helpt en wonderen weet te verrichten. Dit alles is de Rus naar het hart gegrepen: zelf niet te veel doen - een suikertante, een tovenaar zal het wel voor jou opknappen.

Zo’n verhaal krijgen we ook in het “gebochelde paardje”. Door zich goed en vriendelijk op te stellen jegens dieren, kan Ivan-doerak alles gedaan krijgen wat door mensenhand niet te verwezenlijken valt. Hij overwint alle hindernissen en trouwt uiteindelijk met de mooie prinses die eigenlijk voor de tsaar bestemd was.

Sergej Michajlovitsj Stepnjak-Kravtsjinski. Het huis aan de Wolga

Sergej Michajlovitsj Stepnjak-Kravtsjinski. Het huis aan de Wolga / Домик на Волге. Amsterdam, Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, 2019, 147 p. (Slavische Cahiers 34). Ingeleid door Willem Weststeijn, vertaald door Zinaïda Bal-Petsjerskaja en Kees Blankendaal.  ISBN 978 90 6143 453 5.

Sergej Kravtsjinski is een allang vergeten schrijver die in het laatste kwart van de negentiende eeuw in de ondergrondse beweging van de ‘nihilisten’ zat, door christelijke of marxistische ideeën van naastenliefde geïnspireerde jonge mannen die meenden de wereld te kunnen veranderen door bommen te gooien naar hoogwaardigheidsbekleders. Kravtsjinski is de geschiedenis van het Russische verzet in gegaan onder de schuilnaam Stepnjak. In het buitenland genoot hij tamelijk grote bekendheid, zijn werken die hij in buitenlandse verbanning schreef, werden in verscheidene talen vertaald (ook in het Nederlands: De loopbaan van een nihilist (1894) en Het onderaardse Rusland (1886). Als revolutionair kwam hij voor een keer op een ‘natuurlijke’ manier aan zijn einde – hij sukkelde onder een trein.

In Het huis aan de Wolga beschrijft hij het aandoenlijke verhaal van een voortvluchtige politieke arrestant die weet te ontsnappen uit een rijdende trein en terechtkomt bij een jonge vrouw die hem wil opvangen en ook nog de zus van zijn revolutionaire vriend Ivan blijkt te zijn. Niet alleen bij Pasternak vallen de ongerijmdheden en onverwachte wendingen zo maar uit de lucht. Maar de verloofde van zijn weldoenster komt roet in het eten gooien – hij heeft er weet van dat een ontsnapte banneling gezocht wordt en heeft het sterke vermoeden dat hij zich schuil houdt uitgerekend bij zijn verloofde. Groot dilemma voor een loyale ambtenaar, die op goede voet wil staan met de gouverneur. De voortvluchtige weet op tijd te ontsnappen en belooft zijn weldoenster haar broer, die ook naar Siberië zal worden gestuurd, te bevrijden.

Van Leningrad naar Sint-Petersburg. Nederlandse herinneringen aan een wonderlijke stad

Van Leningrad naar Sint-Petersburg. Nederlandse herinneringen aan een wonderlijke stad, red. Wil van den Bercken & Arthur Langeveld. Amsterdam, Pegasus, 2019, 166 p. ISBN 978 90 6143 456 6.

De titel is niet onbekend in Rusland: er zijn al heel wat memoires verschenen van mensen die de overgang hebben meegemaakt van het oude, keizerlijke, tsaristische Sint-Petersburg naar het communistische Leningrad. Daarbij valt al meteen de taalkundige shift op: van het vreemde (Duitse, Nederlandse) burg naar het Russische grad. Ook al tijdens WO I werd de naam van de stad verrussischt tot Petrograd. Toen het communisme eindelijk viel (persoonlijk was ik er in de jaren tachtig heilig van overtuigd dat het niet zou standhouden), werd er verhit gediscussieerd in de stad van Peter/Lenin welke naam de postsovjetstad nu moest krijgen. Er werden heel wat voorstellen gelanceerd, o.a. door Solzjenitsyn, die pleitte voor Nevograd (stad aan de Neva) en zelfs voor Svjato-Petrograd (St. Petrograd, p. 13), maar uiteindelijk werd het weer de oude naam – Sankt-Peterboerg. Het voorvoegsel ‘sint’ zal zichzelf nog moeten bewijzen.

Dit boekje nu gaat over hoe enkele Nederlandse slavisten het oude Leningrad ervaren hebben en wat ze nu vinden van het nieuwe Sint-Petersburg. Het levert aangename en nuttige lectuur op. Je ziet telkens weer Nederlandse slavisten opduiken in de studentenflat aan de Sjevtsjenkostraat op het Vasiljevski Ostrov, de studentenbuurt met de universiteit, de filologische faculteit, de Academie der Wetenschappen en het Mensjikovpaleis (vol tegels in Delfts blauw). Je hoort vertrouwde verhalen over miserabele woonplekken, vieze traphallen, hopeloos verouderde infrastructuur, hier en daar kakkerlakken, armoede, lege winkels, monotoon eten (elke dag weer kool), achterlijke voorzieningen voor studenten (haast ontoegankelijke fotokopieerapparaten) en natuurlijk het in de gaten gehouden worden door de veiligheidsdiensten en of door je medebewoners.

Pagina's