Recensies

Orlando Figes. Het verhaal van Rusland. Mythe en macht van Vladimir de Grote tot Vladimir Poetin.

Orlando Figes. Het verhaal van Rusland. Mythe en macht van Vladimir de Grote tot Vladimir Poetin. Amsterdam, Nieuw Amsterdam, 2022, 335 p. Originele titel: ‘The Story of Russia’.

Orlando Figes is al enkele jaren aanwezig op onze boekenmarkt als ruslandkundige. Hij heeft bestsellers geschreven – een over de culturele geschiedenis van Rusland (Natasja’s dans), een over de Krimoorlog (de grote tragedie van Rusland in de 19e eeuw), een over Sovjetmensen die niet durven te spreken over het verleden onder Stalin (De fluisteraars). Ook zijn geschiedenis van de Russische Revolutie (De tragedie van een volk. De Russische revolutie 1891-1924), het duizend bladzijden tellend verhaal dat hij laat beginnen lang voor de revolutie uitbrak, is een bijzonder lezenswaardig en fascinerend overzicht van een kwarteeuw turbulente Russische geschiedenis.

Naar zijn nieuw boek werd dan ook met spanning uitgekeken. De lezer zal niet ontgoocheld worden: de kerngedachte van zijn betoog is dat de macht van de huidige Russische president gebaseerd is op mythes, grote mythes over de geschiedenis van zijn land die hij handig uitbuit.

Het boek begint en eindigt met Oekraïne, niet ten onrechte, want dit is het grootste en blijkbaar onoplosbare probleem dat de laatste jaren de politiek van Rusland beheerst en ook het Westen in zijn band houdt. Figes vat de bedoeling van zijn boek samen als volgt: ‘Rusland is een land dat bijeen wordt gehouden door ideeën die wortelen in een ver verleden, historische denkbeelden die voortdurend worden herzien en herschreven om te voldoen aan de wensen van het heden en de verlangens voor de toekomst.’ (16) Het is Figes’ ambitie om met dit boek aan te tonen hoe de Russen tot hun verhaal zijn gekomen en ‘hoe ze het in de loop van de tijd steeds opnieuw hebben vormgegeven’ (16). In dit opzet is hij met verve geslaagd.

In de elf hoofdstukken van zijn boek schetst Figes de gehele geschiedenis van Rusland, van 862 tot februari 2022, de invasie in Oekraïne. Het eerste hoofdstuk – over het ontstaan van Rusland, of exacter van Roes (Kiev-Roes) – is essentieel, want daar draait het in de recente oorlog allemaal om. Zowel Rusland als Oekraïne stellen dat de eerste ‘Russische’ staat – Kiev-Roes – de bakermat is van het huidige Rusland of het huidige Oekraïne (42). Volgens Figes is dit een mythe, ‘een opvolgingsverhaal dat de imperialistische pretenties van de Moskouse tsaar moest ondersteunen’ (41). Trouwens zijn met heel de ontstaansgeschiedenis van Rusland (Roes) heel wat legendes en mythes verbonden. Door wie is het oude Rusland gesticht? Volgens sommigen door Noormannen (Vikingen), omdat de Russen altijd maar ruzie maakten en dan maar buitenlanders uitnodigden (26) om orde op zaken te komen stellen. Dit op de Nestorkroniek (Het verhaal van de voorbije jaren) (12e eeuw) gebaseerde stichtingsverhaal werd in de 18e eeuw door nationalistisch ingestelde Russen verontwaardigd van de hand gewezen. Ook rond de kerstening van Roes in 988 door vorst Vladimir zijn veel vragen te stellen. Men weet niet eens met zekerheid of het wel op de Krim was dat de Russische vorst zich liet dopen. In elk geval voelde Roes zich daardoor ‘de evenknie van het Byzantijnse rijk’ (34). Volgens Figes is de kern van de Nestorkroniek de mythe dat de vorst heilig is en dat hij sterft als een martelaar voor het ‘heilige Russische land’ (37), zoals de broers Boris en Gleb, de eerste Russische heiligen (11e eeuw). ‘Geen enkel ander land ter wereld heeft zoveel van zijn vorsten heilig verklaard’, of met andere woorden ‘Nergens is de macht met zoveel heiligheid omgeven’ (37).

Een tweede twistpunt onder Russen is de inval van de Mongolen. Ze hebben Rusland 250 jaar lang bezet en gedomineerd en de vraag is of hun aanwezigheid weldadig dan wel negatief is geweest voor Rusland. Door de invasie van de Mongolen (vanaf 1223) is het Kievse Rijk drastisch veranderd, zozeer dat ‘geen enkel modern land, Rusland, Oekräine noch Belarus, kan beweren er de voortzetting van te zijn’ (51). Voor de enen zuchtte Rusland onder het ‘Tataarse juk’ (leed, offers, vernedering, onderdrukking, isolatie van het Westen). Voor de 19e-eeuwse slavofielen had de Mongoolse heerschappij ook positieve gevolgen: het land werd erdoor van het Westen afgezonderd. En volgens nog anderen hadden ze helemaal geen impact op het verdere verloop van de geschiedenis. Maar in die periode valt wel een belangrijke gebeurtenis: in 1380 leverden de ‘Russen’ de eerste grote slag tegen de Mongolen (de veldslag van Koelikovo) en redde daardoor Europa van het Mongoolse gevaar (55). Ook later heeft Rusland het Westen gered: van Napoleon en van Hitler en voor beide offers heeft het van het Westen geen dankbaarheid ontvangen. Het offer dat Rusland gebracht zou hebben, wordt door Poetin breed uitgesmeerd. Dat Rusland lange tijd aangeleund heeft bij Azië, zou de toenadering van het huidige Rusland tot China vergemakkelijken, en de poging om een Euraziatische Unie op gang te brengen mede inspireren. Niet aan twijfel onderhevig is de vaststelling dat 250 jaar Mongoolse overheersing de autocratie in de hand heeft gewerkt: net zoals de Russische vorsten onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Mongoolse chans moesten betuigen, zo moesten ook hun onderdanen zich zonder te mopperen schikken naar wat hun vorsten van hen verlangden. En dat tien generaties lang, lang genoeg om de autocratie in de genen van de Russen te krijgen. Volgens Figes is er een rechtstreekse lijn van onderwerping aan de chans tot de onderdanigheid van de oligarchen aan Poetin (63).

Een derde mijlpaal is de periode van Ivan IV (bij ons bekend als de Verschrikkelijke). Na de ondergang van Constantinopel (1453) begon Moskovië, de opvolger van Kiev-Roes, zich geleidelijk aan te zien als het Derde Rome en de tsaar als de belichaming van God op aarde, bijgevolg was het ketterij om je tegen hem te verzetten (67). Rusland werd onder zijn bewind een theocratisch keizerrijk, de tsaar werd heilig geacht omdat hij zijn macht aan God ontleende (72). De autocratie in Rusland was sterk, de samenleving zwak en ‘deze scheve verhouding, tussen een dwingende staat en een zwakke samenleving, heeft de loop van de Russische geschiedenis bepaald.’ (75) Tot in de 20e eeuw hebben Ivans wreedheden verdedigers gevonden, een rare trek in de Russische mentaliteit die excuses zoekt voor extreem geweld en onderdrukking.

Eind 16e-midden 17e eeuw kende ook de enorme expansie van Rusland: in 1552 viel het islamitische Kazan, in 1556 Astrachan (volgstaten van de in de late 15e eeuw uit elkaar gevallen Gouden Horde), de ontdekking en onderwerping van Siberië begon, tegen het midden van de 17e eeuw had Rusland er duizenden strekkende kilometers grondgebied bij gewonnen, de Russen zaten aan de Stille Oceaan. Het begin van het Russische imperium en wellicht het begin van Ruslands miserie.

1612 is een belangrijk moment in Ruslands geschiedenis: na jaren van burgeroorlog en buitenlandse interventie slaagde een volksmilitie erin de Poolse bezetter te verdrijven. De dag dat de Polen uit Moskou verdreven werden – 4 november – werd na de val van het communisme uitgeroepen tot de Dag van Nationale Eenheid, alweer een symbolische invulling van een historische gebeurtenis met actuele gebruikswaarde.

Na de Troebelen, veroorzaakt door de dood van Ivan de Verschrikkelijke, kwam een nieuwe dynastie aan het bewind – de Romanovs. Ze zouden 300 jaar over Rusland regeren (1613-1917). Ze waren volgens Figes ‘niet bijster intelligent’ (92) en zouden Rusland in 1917 tot een enorme catastrofe leiden. Onder het bewind van de eerste Romanov was er een kans om een constitutionele monarchie in te voeren (93), maar daar zijn de bojaren niet in geslaagd. Rusland bleef autocratisch en de mythe van “vadertje tsaar”, ‘de rechtvaardige en beschermende vader van zijn volk’ (95), bleef hardnekkig voortbestaan. Het nieuwe wetboek van 1649 formaliseerde de lijfeigenschap, die tweehonderd jaar lang zou blijven bestaan en verantwoordelijk was voor de catastrofe van 1917, ten gevolge van de diepe haat van de Russische boeren jegens de grondbezitters. Het fenomeen van verklikken van andere burgers is niet uitgevonden door de communisten in de 20e eeuw, maar bestond al in de 17e eeuw (97). Figes doorprikt ook de mythe van de vreedzame verovering van Siberië door de Russen, ‘die de inheemse stammen beschaving brachten door assimilatie in de Russische cultuur en samenleving’ (102), zoals schoolkinderen in Rusland dat gewoonlijk voorgeschoteld krijgen: ‘De Russen begingen afschuwelijke wandaden: het platbranden van hele dorpen, executies, massaverkrachtingen en vrouwenslavernij’ (102), het klinkt allemaal zo actueel.

De gebeurtenissen in de 17e eeuw verklaren ook het drama dat zich nu in Oekraïne afspeelt: ten gevolge van de burgeroorlog midden 17e eeuw werd Oekraïne opgesplitst in twee delen: het oosten kwam bij Rusland, het westen bij Polen. Daardoor groeiden de landsdelen uit elkaar, qua politiek, taal, godsdienst en cultuur.

Hoofdstuk 5 behandelt de verwestersing van Rusland onder Peter en Catharina de Grote, de culturele revolutie die toen plaatsvond, maar de reis van de jonge tsaar Peter naar Nederland (het Grote Gezantschap), waar hij zijn inspiratie opdeed voor de modernisering van het land, wordt nauwelijks belicht (112), een onbegrijpelijk hiaat in de overigens goed gedocumenteerde geschiedenis van de Britse historicus. Een constante die in heel de geschiedenis van het land terug te vinden is, treffen we aan onder Peter I: ‘met kwantiteit compenseren wat aan kwaliteit ontbrak’, m.a.w. ongegeneerd veel mensenlevens offeren om zijn militair geavanceerdere tegenstander te overwinnen (113). Terwijl alles wat vóór Peter de Grote gebeurde, geworteld was in het nationale verleden, stampt Peter een nieuwe keizerlijke hoofdstad uit de grond ‘zonder wortels in de Russische grond’ (116). Zijn hervormingen kregen dan ook veel kritiek van de slavofielen in de 19e eeuw, die stelden dat zijn hervormingen de (eigen-) aard van Rusland veranderd hadden en de mensen iets vreemds, een Fremdkörper opgedwongen hadden. Ook dit is een beschuldiging die in de 20e-21e eeuw vaak te horen zal zijn: het Westen heeft Rusland het marxisme opgedrongen, de mensenrechten, de democratie en, de laatste jaren, de holebi-cultuur. Allemaal dingen die de ‘traditionele Russische waarden’ zouden ondermijnen. Het is onbegrijpelijk waarom de beroemde Filosofische Brief van Pjotr Tsjaadajev (1837) hier ontbreekt, een toch uiterst actueel document en liefdesverklaring aan het Westen.

De volgende hoofdstukken (6-10) behandelen de 19e en 20e eeuw, de overwinning op Napoleon (nog een nationale mythe : ‘de Vaderlandse Oorlog’, het ‘Heilige Rusland als redder van de mensheid’, 140), de autoritaire regeerstijl van Nicolaas I, die dacht dat hij alles moest reguleren in zijn land, de invoering van de staatsideologie ‘orthodoxie, autocratie en nationalisme’, de afschaffing van de lijfeigenschap (halfslachtig en dus mislukt), de invoering van het marxisme, de Revolutie, de terreur onder Lenin en Stalin, tot en met de hervormingen van Gorbatsjov, die het land uit zijn lethargie wilde halen, maar ongewild de ondergang van het communistische imperium in de hand werkte. Na de afschaffing van de lijfeigenschap (in 1861) begrepen de boeren dat ondanks de toegenomen vrijheid ‘geweld de grondslag vormde van de staatsmacht en dat geweld ook het enige middel was om die omver te werpen’ (169). Alle mogelijkheden om het volk enige inspraak te geven werden in de 19e eeuw gerateerd, de catastrofe van 1917 was onvermijdelijk. Zoals de laatste tsaar Nicolaas II ‘geen enkele aanleiding zag om zijn bewind aan te passen aan de eisen van de moderne wereld’ (176), zo vindt ook de huidige Russische president het niet nodig mee te gaan met moderne opvattingen. Zijn nieuwe staatsideologie is niet meer of niet minder dan een moderne versie van Nicolaas I’s beruchte formule ‘orthodoxie, autocratie, patriottisme’. Gebrek aan patriottisme (wat dat ook moge betekenen) is onder de huidige president zelfs strafbaar. Nicolaas Stokmans (de bijnaam van Nicolaas I) had nog wat kunnen leren van deze redder des vaderlands.

Ook WO I speelde een rol in de mythevorming van Rusland: in Rusland bestond sinds het midden van de 19e eeuw een panslavische strekking – alle Slavische volkeren moeten verenigd worden onder de heerschappij van Rusland (het enige Slavische land dat toen zelfstandig was). Het was deze panslavische mythe (want de meeste Slavische landen zaten daar echt niet op te wachten) die Rusland in de noodlottige Eerste Wereldoorlog stortte, het begin van alle miserie van het land (en de rest van Europa) in de 20e eeuw. Men besefte toen dat ‘als Rusland Oekraïne zou kwijtraken, het niet langer een grote mogendheid zou zijn’ (184), een redenering die ons bekend en actueel in de oren klinkt. De grootste mythe die het land in de 20e eeuw heeft opgeleverd, is die van de Grote Vaderlandse Oorlog (WO II), waarin onredelijk veel slachtoffers gevallen zijn en waarvoor de Sovjetunie voor een deel de medeverantwoordelijkheid draagt, allemaal gevoelige thema’s waarover nu niet meer gepraat mag worden, na de korte openheid (glasnost) over ’s lands verleden in de late jaren tachtig en negentig. Onder het bewind van Poetin worden de verdiensten van Stalin in de verf gezet – de industrialisering van het land en de overwinning op het nazisme, maar over de terreur van de dictator wordt nauwelijks (nog) gesproken. Het is niet verboden erover te spreken en Poetin geeft zelf wel toe dat er terreur was, maar de betekenis en de omvang ervan wordt geminimaliseerd.

Ook het laatste hoofdstuk is boeiend en relevant voor alles wat nu in Rusland en Oekraïne gebeurt :

  1. De gebeurtenissen van 1991 waren geen revolutie, er was geen massaal protest, de communistische partij deed gewoon afstand van de macht.

  2. De oude elite had het ook in het post-sovjettijdperk voor het zeggen. Er waren geen lustratiewetten (doorlichting) zoals bv. in Polen, die moesten beletten dat mensen van de repressieorganen weer openbare functies konden krijgen.

  3. Poetin had als spion in de DDR gewerkt, was getuige van de volksopstand tegen het regime van Honecker, was daardoor getraumatiseerd en trok er de les uit dat ‘ongebreidelde democratie wel moest uitlopen op chaos en verzwakking van de staat’ (276).

  4. Door de ineenstorting van het communisme en het in diskrediet raken van de communistische ideologie kwamen Russen in een vacuüm terecht. Poetin zou die leegte opvullen door zijn visie op de geschiedenis, ‘dirigistisch en conservatief’: Rusland was sterk als het volk zich verenigd wist achter een sterke staat of leider en zwak als ze verdeeld waren en de Russische waarden die hen verenigden en kenmerkten uit het oog verloren (278).

  5. Poetin voerde een ‘machtsverticaal’ in die hij ‘geleide of geregisseerde democratie’ noemde (280), natuurlijk een contradictio in terminis.

  6. De trots op het Sovjetverleden werd weer ingevoerd, na de kritiek van de jaren negentig, die het land wilde opzadelen met schuldgevoelens. Daarom werden anti-patriottische elementen (een term die van Stalin komt) niet meer getolereerd. Critici van het neo-autoritaire regime werden als ‘buitenlands agent’ gebrandmerkt, ook al een term die onder Stalin gebruikt werd om buitenlandse spionnen mee aan te duiden. Ook de orthodoxe kerk schaarde zich achter de campagne om korte metten te maken met het ‘historisch masochisme’, ‘de gevoelens van schuld en minderwaardigheid die wortelden in het verleden van het land’ (284).

  7. De ondergang van de staat zou het werk zijn van liberalen, westerse marionetten (als Gorbatsjov en Jeltsin). Onder leiding van Poetin werd Groot-Rusland weer opgebouwd (285). Het verhaal sloeg aan – de Russen voelden zichzelf weer goed.

  8. De homo sovieticus was met de ondergang van de Sovjetunie niet uitgestorven, ‘hij was in een nieuwe gedaante opgestaan’ (286).

  9. De rechtvaardiging van de invasie in Oekraïne op 24 februari 2022 vond Poetin in de volgende gebeurtenissen:

  1. De NAVO die Kosovo steunde tegen de Serven in 1999, zonder steun van de VN. Dus weer die panslavische mythe: Slavische volkeren moeten elkaar steunen, blijkbaar ook als er een misdadiger (Milosević) aan de macht is.

  2. De uitbreiding van de NAVO richting Oosten, in tegenspraak met de (mondelinge) beloften van de Amerikanen aan Gorbatsjov dat niet te doen. Dat de vroegere Sovjetrepublieken daar zelf om vroegen en dat de buurlanden (Polen, Baltische landen) zich bedreigd voelden door Rusland, daar wordt niet over gepraat.

  3. In 2012 lanceerde Poetin het concept Roesski Mir (de Russische wereld, in concreto de ex-Sovjetrepublieken waar na de val van de USSR zo’n 25 miljoen etnische Russen woonden). Rusland zou het opnemen voor de rechten van de onderdrukte Russen in de buurlanden (het zgn. ‘nabije buitenland’).

  4. De evolutie in Oekraïne zelf dat koos voor een westerse koers, bij de Europese Unie wilde komen en aansluiting zocht bij de NAVO.

Figes stelt terecht dat de Russische wreedheden in de oorlog tegen Oekraïne niet zozeer voortkomen ‘uit het genocidale streven de Oekraïners groepsmatig uit te roeien, als wel uit de boosaardige drang hen te straffen, om hen met hun bloed te laten betalen voor hun onafhankelijkheid en vrijheden, voor hun vaste voornemen om bij Europa te willen horen – kortom, voor hun wil om als Oekraïne door het leven te gaan en niet als onderdanen van de “Russische wereld”’ (302). De auteur is resoluut en bondig in zijn slotoordeel: ‘Het is een onnodige oorlog, die het resultaat is van mythevorming en Poetins verwrongen kijk op de geschiedenis van zijn land.’ (307) en hij wijst er terloops op dat het ook anders had kunnen lopen, maar die momenten in de Russische geschiedenis zijn vergeten.

Figes schrijft in het laatste hoofdstuk dat ‘al te vaak de hedendaagse Russische politiek geanalyseerd wordt zonder voldoende kennis van de Russische geschiedenis’ (272). Dit kan van zijn boek niet gezegd worden. Het is een kritisch, goed afgewogen oordeel over de dominanten in de Russische politiek en cultuur, briljant geformuleerd en geschreven met grote kennis van zaken, voor al wie een poging wil doen de in onze ogen aberrante politiek van Poetin te begrijpen. Alhoewel de 19e-eeuwse dichter Fjodor Tjoettsjev al schreef dat ‘Rusland met het verstand niet te begrijpen valt’.

Gijs Kessler. Rusland land dat anders wil zijn. Vijfentwintig jaar van binnenuit.

Gijs Kessler. Rusland land dat anders wil zijn. Vijfentwintig jaar van binnenuit. Amsterdam, Prometheus, 2022, 239 p. ISBN 978 90 446 5032 7

Op een ogenblik dat Rusland zich afkeert van het Westen – na de invasie in Oekraïne op 22 februari 2022, omdat datzelfde Westen die broederlijke hulp van de Russen aan de Oekraïners maar niet wil begrijpen (hadden ze dan verwacht dat wij de oorlog zouden goedkeuren ?), is een boek met deze titel welgekomen lectuur. De auteur is goedgeplaatst om zich daarover uit te spreken : hij heeft van 2002 tot 2016 permanent in Rusland gewoond en was sinds 1996 regelmatig te gast in Moskou. Hij heeft het allemaal ‘van binnenuit’ zien gebeuren en is getuige geweest van een ontwikkeling die velen, zowel in de Sovjetunie als in het Westen, voor onmogelijk hielden. De auteur legde de laatste hand aan zijn boek vlak voor de invasie in februari en hij is zo verstandig geweest het niet te herschrijven in het licht van die dramatische gebeurtenissen.

Gijs Keller heeft in die kwarteeuw een grote evolutie meegemaakt – van ‘het overheersende gevoel dat ik hier waarschijnlijk nooit zou kunnen aarden’ (7) tot het inzicht dat er geen collectieve verantwoordelijkheid is en dat het de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu is die telt (225-226). De Nederlander heeft gezien dat het systeem heeft gefaald en dat het dan aankomt op het individu en in dit opzicht, stelt hij, is Rusland ‘waarschijnlijk veel meer dan wij, een “normaal land” in deze wereld’ (226).

Het boek is ingedeeld in vijf goed gedoseerde hoofdstukken : over de mens, het verleden, de markt, de macht en tenslotte de wereld. Toen hij in het jonge post-Sovjetrusland terechtkwam, was het voor iedereen zonneklaar waar jong Rusland voor ging : ‘Rusland moest een “normaal” land worden en dat betekende : goedgevulde winkels, een land waar je door niemand verteld werd wat je wel en niet moest doen en vinden, en een samenleving waarin de dingen ordentelijk, eerlijk en netjes geregeld waren’ (9). Wie het Rusland van vandaag kent, weet dat van dit alles niets terecht is gekomen, behalve dan van de overvloed aan basis- en luxeproducten, gesteld dat je er het geld voor hebt. Merkwaardig is dat die ‘droom van vrijheid, welvaart en welzijn’ in essentie a-politiek was (9). Ondanks het mislukken van deze droom is de auteur er toch van overtuigd dat er in Rusland in de afgelopen dertig jaar veel veranderd is (14).

Het eerste hoofdstuk (De mens) is boeiend en goed gestoffeerd. Gijs Keller kwam terecht in een wereld van leeftijdsgenoten die, net als hij, geloofden in verandering, in het recht op individuele, vooral culturele vrijheid en zich uitdrukkelijk a-politiek opstelden, want met politiek waren ze in hun Sovjetjeugd ‘doodgegooid’ (23). Maar velen voelden zich onzeker, een harde, onbeschofte manier met de mensen om te gaan was de norm (‘tranen in de ogen zag je zelden’, 30), het land was in een shocktoestand : ‘Een shocktoestand die meer dan tien jaar aanhield en teweeggebracht werd door de totale Umwertung aller Werte die het land die jaren in zijn greep had’ (31). Vooral voor de oudere generatie bleek alles nu ineens zinloos, want alles waar ze in hun leven voor gestaan hadden, hun idealen, hun onbezoldigd enthousiasme, de hele Sovjeterfenis – alles werd overboord gegooid (31). De oude wijsheid werd bewaarheid – homo homini lupus, oud tegenover nieuw, hervormingen tegenover stagnatie (maar met zekerheid wat werk, loon, pensioen e.d. betrof). In het eerste decennium van de nieuwe eeuw traden ‘gewenning en aanvaarding’ in, de mensen begonnen zich vrijer en zelfbewuster te voelen (40), de jaren van Poetins bewind staan in het teken van een ‘grote, diepgaande cultuuromslag’ (43). Rusland kwam uit zijn isolement, begon ander, afwijkend gedrag (lang haar, homo’s) te aanvaarden, het werd pluriform, subcultuur schoot uit de grond, slang drong in het algemeen-beschaafd Russisch door, ook de schuttingtaal (mat) kon nu min of meer door de beugel. Zelfs feminisme of feministisch gedrag (bv. van jonge huisvaders) werd nu als normaal ervaren.

Moeilijker was het gesteld met het verleden. Of men het nu wilde of niet, iedereen werd geconfronteerd met ‘die alomtegenwoordige overledene – de Sovjetunie’ (64). Het leek veel gemakkelijker de markteconomie in te voeren (alhoewel de Russen daar geen enkele ervaring mee hadden) dan een democratie en een rechtsstaat, maar dit wil niet zeggen dat de homo sovieticus bij de pakken bleef zitten (65). Een van de grote hinderpalen in de overstap naar een op privéconsumptie gerichte maatschappij was dat de Sovjetunie eigenlijk helemaal ingesteld was op een oorlogseconomie : er werden wapens, tanks, ijzer en staal geproduceerd, voor de alledaagse behoeften van de Sovjetburgers bestond geen belangstelling, de tertiaire sector was zo goed als onbestaande. En alhoewel de hele Sovjetperiode permanent gebrek heerste aan elementaire levensmiddelen (eten, tandpasta, wc-papier, fatsoenlijke kleding, lange rijen), leeft bij veel mensen nu toch nog heimwee naar die rustige, zorgeloze tijden van Brezjnev, tot het midden van de jaren tachtig, toen ze weliswaar weinig hadden, maar de staat zorgde voor het minimum. Ook dat is onrechtvaardig – Rusland heeft sinds de late jaren negentig, al voorbereid door Jeltsin (‘Poetin schoof aan een gedekte tafel aan’, 151), en de eerste tien jaar van de nieuwe eeuw wel degelijk veel gerealiseerd op gebied van welvaart. De Sovjetunie kan wel enige verdiensten opsommen (industrialisering van het land, alfabetisering van het platteland, hoog niveau van onderwijs en wetenschap), maar helaas was met veel van deze kennis en vaardigheden in de nieuwe markteconomie niets aan te vangen, wat vooral duidelijk werd in de sociale en menswetenschappen (79).

Rusland werd ook behekst door zijn imperiaal verleden, de auteur noemt het ‘koloniale blindheid’ (82) : na 1991 konden de Sovjetrepublieken zich afscheiden en voor die volkeren hield dat een ‘positieve belofte’ (81) in, maar de Russen zagen het met ledige ogen gebeuren. Zo werd de annexatie van de Krim in 2014 een splijtzwam binnen de Russische samenleving (83). Het uiteenvallen van de Unie bracht ook een stroom van migranten met zich mee : de terugkeer van etnische Russen uit de vroegere deelrepublieken, waar ze niet meer welkom waren, naar de Russische Federatie (zo’n drieënhalf miljoen etnische Russen) (87). De massaterreur onder Stalin was het grote lijk uit de kast (99). Na de jaren van glasnost en open debat in de media in de late jaren tachtig wilde eigenlijk niemand meer praten over het stalinistische verleden (105), men vond het heden belangrijker, dat leverde al genoeg problemen op. En iedereen was bang dat door openlijk te praten over de schuldigen aan de staatsterreur de doos van Pandora zou worden geopend (108), dus werd er over gezwegen en kwam er geen Neurenbergproces, een voor Rusland slechte zaak. De auteur vreest dat die ‘confrontatie met het verleden er nooit meer gaat komen’ (109) en de huidige machthebbers doen liever aan ‘toedekken, verhullen en ontkennen’ (110). Maar het zwijgen ‘draagt bij aan het basale wantrouwen waarvan de Russische samenleving doortrokken is’ (111). De meeste Russen voelen zich niet verantwoordelijk voor de Russische staat en willen op het gedrag van die staat ook niet aangesproken worden (112).

In hoofdstuk 3 (De markt) zet de auteur gedetailleerd uiteen hoe de marktmechanismen in Rusland werken (of niet werken) en stelt terecht dat het niet de bedoeling van Gorbatsjov was het Sovjetbestel te laten ontploffen, maar hete hervormen, op te lappen. Waar velen van droomden, was niet het wilde kapitalisme, maar het sociaal-democratische model van Duitsland of Zweden (146). Interessant is ook de stelling dat Rusland voor het kapitalisme gekozen heeft niet uit overtuiging, maar uit het feit dat alle andere middelen gefaald hadden (118). In de jaren negentig kende emigratie een hoge vlucht - jonge(re) mensen die niet bang waren om een nieuw leven te beginnen en hoogopgeleid waren, namen de benen naar het Westen en Amerika en zegden het in hun ogen hopeloze Rusland voor goed vaarwel. De falende markt kende als enige reddingsboei het gezin : samenhokkend met twee-drie generaties de crisis overleven, met groenten op de datsja, in kleinbehuisde appartementjes.

In hoofdstuk 4 (De macht) bespreekt de auteur het einddoel van wat de mensen in december 1991 verwachtten : ‘een liberale democratie naar westers voorbeeld, met een bescheiden rol voor de staat en een sterk maatschappelijk middenveld’ (164). Het bewind van Poetin heeft die droom de bodem in geboord : van democratie kan geen sprake zijn in de ‘presidentiële republiek’, het middenveld heeft geen stem meer, corruptie heerst op alle niveaus, scheiding van machten is onbestaande, misdaad (‘als alternatieve staat’, 171) reguleert het openbare leven, politieke en economische macht is verstrengeld. Onder Poetin ging het in de politiek alleen om de macht en niet om de inhoud of beleid, laat staan om een visie op de toekomst (173). De mensen gingen politiek zien als een vies spelletje (174) en dat verklaarde hun afkeer van de politiek en hun a-politieke opstelling, waarvan Poetin dankbaar gebruikt heeft gemaakt. Toen de a-politieken wakker schoten (2012), was het al te laat, Poetin zat al te stevig in het zadel (195). De auteur citeert de these van Catherina Beltin in haar boek Putin’s People dat de KGB al in de late jaren tachtig een strategie zou hebben uitgewerkt om macht en invloed te behouden na een eventuele val van het communisme (178). De auteur vat de hele problematiek samen met het mooie Russische gezegde ‘de vis rot vanaf de kop’ (188). Zijn oordeel is niet mals : ‘De Russische staat kan Syrië bombarderen, overlopers vergiftigen met novitsjok en oligarchen en oppositiepolitici gevangenzetten, maar is niet in staat een goed functionerende gezondheidszorg op te zetten, het grondwettelijke recht op gratis onderwijs te garanderen, de wegen ordentelijk te onderhouden, of zelfs maar een samenhangende visie te formuleren op de langetermijnontwikkeling van het land. En daarmee schiet die staat fundamenteel tekort waar het de verwachtingen van de eigen burgers betreft.’ (197)

Het laatste hoofdstuk (De wereld) behandelt ook een cruciaal probleem in het hedendaagse Rusland : hoe staat het land tegenover de rest van de wereld ? Pas in 1991-93 konden Russen vrij reizen naar het Westen, waar ze zich ervan konden vergewissen hoe Rusland zelf nog een lange weg af te leggen had ‘naar die “normale” wereld waar iedereen zo naar verlangde’ (213). Men voelde zich ook niet begrepen of welkom en Poetin speelt handig in op die gevoelens van minderwaardigheid, niet aanvaard worden.

Na vijfentwintig jaar onder Russen te hebben geleefd, maakt de auteur de balans op. Het land is welvarender geworden, maar politiek gezien steeds onvrijer, terwijl de persoonlijke vrijheid juist toenam. Dit is een regelrecht ‘culturele omwenteling’. De Rus is wereldwijzer geworden, hij heeft een en ander gezien en begint het eigene te herwaarderen (een soort patriottisme) (222-223).

Dit is maar een kleine greep uit de overvloed van deelaspecten die de auteur behandelt en de massa’s voorbeelden die hij geeft, allemaal gebaseerd op eigen ervaring. Voor wie inzicht wil krijgen in de moeilijke, pijnlijke transitie die het land heeft doorgemaakt van een dictatoriale staat naar een neo-totalitaire staat is dit boek warm aanbevolen.

Arthur Langeveld. Tussen geld en God. Dostojevski voor beginners.

Arthur Langeveld. Tussen geld en God. Dostojevski voor beginners. Amsterdam, Van Oorschot, 2022, 317 p.

Wie durft het anno 2022 in godsnaam nog aan een boek over Dostojevski te schrijven? Een Russische schrijver over wie honderden, duizenden boeken en studies zijn verschenen, van wie alle aspecten zijn onderzocht. Alleen al de editie van zijn verzameld werk in tien kloeke boekdelen telt rond de 9.000 pagina’s, waarvoor je minstens een heel jaar nodig hebt om het allemaal gelezen te krijgen, en dan hebben we het nog niet over de academische editie in dertig delen. Een onbegonnen werk. Zelf heb ik een groot deel van zijn werk gelezen toen ik nog op de middelbare school zat en later tijdens mijn studie Slavistiek en het heeft me nooit tegengestaan, laat staan verveeld. Ik ben niet de enige slavist die er door Dostojevski ‘ingeluisd’ is.

De auteur van dit boek, de Nederlandse slavist en vertaler Arthur Langeveld, heeft ooit tot de anti-dostojevskianen behoord, een club van snobistische filologen als Vladimir Nabokov en Karel van het Reve die (samen met Toergenjev) een hekel hadden aan Dostojevski, ‘de pukkel op de neus van de Russische literatuur’. Wellicht had de aristocraat Toergenjev de pest aan de ‘literaire proletariër’ zoals Dostojevski zichzelf graag noemde (105). Die anti-houding bij Langeveld komt waarschijnlijk van zijn leermeester prof. Karel van het Reve, die in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur hier en daar wel iets positiefs over Dostojevski weet te vertellen, maar die toch geen hoge pet op had van diens taal en stijl. Toen Langeveld zich aan een nieuwe vertaling van Brat’ja Karamazovy zette, op verzoek van uitgeverij Van Oorschot, begon hij de door velen verguisde schrijver te appreciëren en dit is geresulteerd in een nieuwe, verdienstelijke vertaling (De broers Karamazov) en in dit boek – een liefdesverklaring aan Dostojevski.

Dit boek heeft alle kwaliteiten om de ‘beginner’ voor Dostojevski warm te maken en dit niet in zweverige, idolatrische bewondering voor de schrijver, maar zakelijk, bondig, overtuigend, en dit alles in modern taalgebruik dat de jonge lezer zeker zal aanspreken. Als product van de coronaperiode mag dit er zijn.

Het is bijna onbegonnen werk de vele verdiensten van dit boek op te sommen. Ik pik er enkele uit. Langeveld doorprikt een aantal hardnekkige mythes die over Dostojevski de ronde doen. Zo bv. dat zijn vader door zijn boeren vermoord zou zijn, volgens sommigen de oorzaak van zijn epilepsie. Hij citeert Ljoedmila Saraskina die in haar biografie van de schrijver in de prestigieuze serie ‘Het leven van merkwaardige mensen’ deze hypothese naar het rijk der fabeltjes verwijst (25). Of hij toont aan de hand van vele citaten uit allerlei werken aan dat de stelling dat Dostojevski slecht schrijft, niet klopt. Volgens Langeveld deed hij dit ‘altijd met opzet, als komisch element, en om de indruk van ‘literatuursheid’ te vermijden’ (210). Deze opvatting is bij vele lezers / critici terug te vinden : Henry James noemde zijn romans ‘baggy monsters’, velen vinden zijn boeken chaotisch, ongeorganiseerd, Gothic en vol goedkope effecten (290). Al deze tegenargumenten weerlegt Langeveld met verve. Of de overtuiging dat Dostojevski slordig schreef, omdat hij ‘altijd haast had en voor deadlines zat’ (304), een bewering die door de bekende literatuur- en cultuurhistoricus Dmitri Lichatsjov weerlegd werd.

De omgang van Dostojevski met geld staat centraal in dit boek. Hij ging er ‘lichtzinnig’ mee om (29) en een groot deel van zijn correspondentie bestaat uit bedelbrieven (24). Het is zijn tweede vrouw, Anna Snitkina, die hem van de bedelstaf heeft gered (29). Maar Langevelds boek gaat niet alleen over geld, in feite is het een afgeronde biografie, waarin privé- en openbaar leven, het literair werk, de receptie ervan en de historische, culturele en ideologische context uitvoerig worden behandeld. Met verve. Van zo goed als alle werken die ter sprake komen, geeft Langeveld een ter zake doende samenvatting, zonder zich in details te verliezen.

Zelfs bij doorgaans minder hoog aangeslagen werken van Dostojevski (zo bv. Vernederd en gekrenkt, een nieuwe, m.i. minder optimale vertaling i.p.v. het ingeburgerde Vernederden en gekrenkten) is Langeveld positief : ‘Laten we zeggen dat het niet zijn beste roman is, maar dat een wat mindere Dostojevski nog steeds het lezen waard is.’ (106) Over De speler, een roman over een gokverslaafde, zegt de biograaf dat het natuurlijk maar een ‘tussendoortje’ is, ‘maar wat een juweel van een tussendoortje !’ (167) Vaak brengt Langeveld een raak oordeel uit : het aan Der Steppenwolf (Herman Hesse) herinnerende Ondergrondse notities noemt hij, terecht, ‘een van zijn beste en origineelste werken’ (135), pas na zijn dood erkend als ‘een van de mijlpalen in de moderne literatuur’ (156). Tegenover de grote schrijver stelt hij de ‘financiële en zakelijke analfabeet’ (140). Raak is de omschrijving van Dostojevski als een ‘dialogische auteur’ (151), wat hij aan de hand van talrijke voorbeelden illustreert. Nieuw is ook de visie dat veel van Dostojevski’s ‘weerzin tegen Europa’ te wijten was aan het rotweer tijdens zijn eerste reis (165). Wie Langevelds beschrijving van Misdaad en straf leest (190) krijgt meteen goesting om het boek te gaan lezen of te herlezen. Ook de chaotische roman Duivels (Besy) wordt bevattelijk beschreven en geanalyseerd en de profeet die Dostojevski is, komt hier goed uit de verf. De auteur van Dagboek van een schrijver, waarin hij alles kwijt wilde wat hem in het leven van Rusland bezighield, noemt de biograaf ‘de eerste blogger van de geschiedenis' (235).

Wat opvalt in deze biografie is dat de auteur, zelf vertaler, ook zijn nek uitsteekt wat vertalingen betreft. Voor zijn keuze voor De broers Karamazov in plaats van het ingeburgerde ‘De gebroeders Karamazov’ (261) geeft hij een tamelijk plausibele uitleg, maar waarom nu Djadjoesjkin son vertaald moet worden met Wat oom had gedroomd en wat er tegen de bestaande vertaling Oompjes droom is, is me niet erg duidelijk (97). Dostojevski had dat toch ook kunnen zeggen : Что приснилось дядюшке. En of ‘emoties’ een ideale vertaling is van надрывы, durf ik te betwijfelen (272) : het kan ook zenuwinstorting, hysterische uitbarsting, hysterie, spanning e.v.a. zijn.

Het is duidelijk dat de vertaling van Dostojevski’s romans de vertaler voor heel wat problemen stelt. Een ervan is het vervelende woord zjid (жид), dat in de late 18e eeuw door Catherina de Grote verboden werd, maar in de 19e eeuw het volkse woord voor Jood (jevrej / еврей) was. Vooral het afgeleide adjectief zjidovski (жидовский) is negatief geladen. Langeveld vertaalt het door ‘jids’, een mij onbekend woord, wellicht ontleend aan het Amsterdams jargon, waar Hollandse vertalers niet voor terugschrikken. Een ‘gesjochten’ (95) schrijver is bij ons onbekend.

Naast al deze indrukwekkende positieve eigenschappen van dit boek moet toch gewezen worden op enkele punten van kritiek. Langeveld citeert het wat onderschatte Uitgezochte plaatsen uit brieven aan vrienden van Gogol, een brief die noodlottig werd in het leven van Dostojevski, maar hij geeft geen enkel significant citaat uit deze mijlpaal uit de Russische cultuurgeschiedenis (70). Over Dostojevski’s executie zegt hij dat hij er kort over zal zijn, omdat het ‘al zo vaak verteld’ is (72), wat niet ter zake doet in een boek voor ‘beginners’ (titel). Over het verhaal Het dorp Stepantsjikovo en de mensen die er woonden (i.p.v. ‘en zijn bewoners’) zegt Langeveld dat Foma Fomitsj een ‘universeel personage’ (101) is, maar hij had ook Joeri Tynjanov kunnen citeren die stelt dat Dostojevski hier een satire tekent van zijn leermeester Gogol. De vergoelijking van het verhaal ‘Een Russische monnik’ (deel 6 van De broers Karamazov) is zwak : dit is echt een fremdkörper in deze roman, een traktaat over een heilige monnik, tientallen bladzijden lang, eigenlijk een hagiografie.

Maar dit zijn kleine smetten op een voortreffelijk en aanstekelijk werk. Onbegrijpelijk is het ontbreken van twee werken die over het thema van dit boek gaan : de studie van Charles Timmer Geld en goed bij Dostojevski (1990), de eerste studie in ons taalgebied die op dit probleem wees, en de recent verschenen studie van Andrew Kaufman. De muze van de gokverslaafde. De vrouw die Dostojevski van de ondergang redde (Nederlandse vertaling 2021). In een taalgebied waarin veel vertaald wordt uit het Russisch, maar weinig studies over de Russische literatuur en cultuur verschijnen, kan dit boek de auteur natuurlijk niet ontgaan zijn.

Igor Wladimiroff. Hollandse datsja’s. Hollandse en Utrechtse buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden op Rusland, circa 1600-1800.

Igor Wladimiroff. Hollandse datsja’s. Hollandse en Utrechtse buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden op Rusland, circa 1600-1800. Heemstede, Kantoor Verschoor, 240 p. ISBN 978-90-825893-4-4.

De titel mag bij de eerste oogopslag raar overkomen, het een is Hollands, het ander Russisch, maar de lectuur van dit onderhoudende boek maakt duidelijk dat dit een goed doordachte titel is: het gaat om buitenhuizen (landgoederen) van Hollandse kooplieden die handel dreven op Rusland en daar rijk van geworden zijn, om niet te zeggen soms stinkend rijk. De behandelde periode was niet alleen de periode van grote bloei en welvaart van de Republiek, maar ook van intensieve handel op Rusland, een tijdperk van ontdekkingsreizen en ontginnen van buitenlandse markten waarin veel geld te verdienen viel. Het is de grote verdienste van de auteur dat hij al deze rijke Hollanders in één boek heeft samengebracht en daardoor een ‘weinig bekend aspect in de geschiedschrijving van de Nederlandse buitenplaatsen’ (9) heeft uitgediept.

Het boek begint met een noodzakelijke historische context van de Nederlandse handel op Rusland: aanvankelijk via Archangel(sk), helemaal in het noorden van Rusland, later – na de stichting van Sint-Petersburg in 1703 – naar de nieuwe hoofdstad. Het begon met het beleggen van overbodig geld in onroerend goed, maar het draaide uit op het bouwen van comfortabele en soms luxueuze buitenplaatsen, meestal aan een rivier (de Vecht, de Amstel, de Angstel, het Spaarne). Zo werd de aanvankelijke boerderij, waar de Amsterdamse koopman een onderkomen zocht voor de warme zomer en de stinkende grachten van Amsterdam, een hofstede, een ‘herenhuysinge’ (in de stijl van een stads herenhuis). ‘Hofstede’ werd geleidelijk aan vervangen door ‘buitenplaats’ (later door buiten), maar het poëtische woord hofstede bleef toch nog in gebruik (33-34). In deze ‘buitenresidenties’ konden de rijke Amsterdammers genieten van hun door hard werken, onverwacht geluk en wijdvertakte connecties vergaarde rijkdom. Nog later kwamen er ‘lusthoven’, buitenplaatsen die verfraaid werden met een tuin, meestal geometrisch aangelegd, met allerlei decoraties (36). Joost van den Vondel moet zo’n lusthof bezocht hebben, want hij schreef in 1644: ‘… men danst, banketteert in ’s koopmans rijke buurt, hier lacht de gouden tijd, in lieve lustprieelen’. Het is sinds kort taboe in Nederland om nog van de ‘gouden eeuw’ te spreken, maar dit boek gaat wel voor een stuk over deze schitterende periode in de Nederlandse geschiedenis.

Helaas is van veel van deze buitenplaatsen niet veel bewaard gebleven: tegen het einde van de 18e, begin 19e eeuw waren veel hofstedes vervallen, onderkomen, verlaten, verwoest. Ze werden afgebroken en het puin werd verkocht. Maar wat overeind staat, is door Igor Wladimiroff bij elkaar gebracht. Het boek is geïllustreerd met honderden tekeningen, schilderijen, ontwerpen van architecten, portretten van de eigenaars (door niet geringe kunstenaars als Frans Hals). De prachtige illustraties geven het boek een onmisbare meerwaarde en tonen de belangstelling voor lokale en vaderlandse geschiedenis, voor de geschiedenis van de Nederlands-Russische betrekkingen van de auteur, die zelf van Russische herkomst is en goed vertrouwd is niet alleen met de Russische geschiedenis, de betrekkingen tussen beide landen, maar ook met cartografie. In zijn dissertatie De kaart van een verzwegen vriendschap (Groningen 2008) heeft hij de vriendschap van twee grote actoren in deze geschiedenis – Nicolaas Witsen (burgemeester van Amsterdam, bewindvoerder van de VOC en de eerste Nederlandse ‘ruslandkundige’) en Andrej Winius (de eerste in Rusland geboren Nederlander) – uitvoerig belicht. Hij was dus de ideale man om van dit thema een leesbaar en goed gedocumenteerd boek te maken.

De auteur behandelt niet alleen bekende namen in de geschiedenis van de Nederlands-Russische betrekkingen – Isaac Massa, Nicolaas Witsen, Christoffel Brants, Jan Lups, maar ook zo goed als onbekende Hollanders. Allen hebben ze één ding gemeen: ze wilden geld verdienen door relaties aan te knopen met Rusland. Er werd van alles en nog wat verhandeld: graan natuurlijk, potas, vlas, ijzer, maar ook wijn, kaviaar, luxeproducten. Een pikant detail in deze betrekkingen is de periode van de Grote Noordse Oorlog (1700-1721) tussen Rusland en Zweden. Rusland kon het niet halen van de Zweden (Karel XII) en moest een beroep doen op Hollandse kooplui die wapens wilden leverden. Maar de Staten-Generaal verboden deze wapenhandel, om de eenvoudige reden dat de Republiek aan de zijde van Zweden stond (149). Maar de Amsterdamse kooplui lapten die politieke beslissing aan hun laars en exporteerden stiekem wapens naar Rusland. Het is niet uitgesloten dat Rusland de oorlog tegen Zweden heeft kunnen winnen dankzij de levering van tonnen wapens door Amsterdamse op geld beluste kooplieden, die daar grof geld aan verdienden waarmee ze luxueuze datsja’s konden bouwen. Het fenomeen van verboden wapenhandel is dus duidelijk niet van gisteren.

Terloops vertelt de auteur ook het verhaal van Nederlanders die naar Rusland getrokken zijn om Peter te helpen met de uitbouw van zijn nieuwe hoofdstad Sint-Petersburg. Honderden vaklui trokken voor enkele jaren, sommigen voor de rest van hun leven, naar Rusland als specialisten in handwerken die in Rusland zo goed als onbekend waren en die vorstelijk betaald werden voor hun diensten. Tsaar Peter verplichtte hen om minstens één Russische leerling op te leiden. Ook heel wat architecten vonden de weg naar Rusland en exporteerden Hollandse tuinen en landschappen naar Rusland (zo bv. Steven van Zwieten). Een aantal vooraanstaande Hollanders lieten een huis of een datsja aanleggen (Vinius, Nicolaas Bidloo, Cornelis Cruys), een thema dat nog verder moet worden uitgediept (205). Wladimiroff behandelt de buitenplaatsen van Andries Winius en Nicolaas Bidloo en de ‘Hollandse Manifaktura’ van Jean Tamesz in Jaroslavl.

Het is onmogelijk al de buitenhuizen van rijke Amsterdammers en hun lotgevallen op te sommen, maar één ding is zeker: ze moeten in Rusland geloofd hebben als een interessante en betrouwbare handelspartner, waaraan veel geld te verdienen viel. Het is de verdienste van Igor Wladimiroff dat hij al deze buitens verzameld en beschreven heeft en aldus een boeiend portret heeft geleverd van een verloren gegaan stukje vaderlandse geschiedenis.

Anatoli Mariëngof. Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen.

Anatoli Mariëngof. Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen. Amsterdam-Antwerpen, Arbeiderspers, 2022, 394 p. Vertaald en bezorgd door Robbert-Jan Henkes (titel origineel: Moj vek, moi droezia i podroegi. Vospominanija).

Mariëngof was lange tijd een illustere onbekende in ons taalgebied, dat toch veel doet aan de ontsluiting van waardevolle Russische literatuur, maar daar is verandering in gekomen door het initiatief van vertaler Robbert-Jan Henkes, die zich sinds het midden van de jaren negentig inzet voor de bekendmaking van zijn werk. Van zijn hand verschenen drie vertalingen: Cynici, De geschoren mens, Roman zonder leugens. De herinneringen zijn de vierde. Anatoli Borisovitsj Mariëngof (1897-1962, met een duidelijk on-Russische naam, zijn grootvader stamde uit Koerland) was een dichter-imaginist, een van de toonaangevende, vooral herrie schoppende dichters van de jonge Sovjetunie, de ‘enige dandy van de republiek’, verder ook nog toneelschrijver en memoiresschrijver. Zijn grootste bekendheid heeft hij te danken aan zijn vriendschap met de tragische dichter Sergej Jesenin, eveneens ‘skandalist’, visionair, dichter van de revolutie (naast de concurrent Majakovski), die in 1925 een eind maakt aan zijn leven, amper dertig jaar oud. In feit draait dit boek herinneringen hoofdzakelijk rond twee zelfmoorden: die van Jesenin en die van de enige zoon van de auteur Kirill, een intelligente, superbegaafde jongen, die met zijn vader een goede relatie heeft, dat denkt de vader althans, tot blijkt dat hij de stommiteit heeft begaan de dagboeken van de jongen niet te lezen. Ontroerend in het eerste stuk is de beschrijving van de vriendschap tussen Anatoli Mariëngof en zijn vader, die hem vrijliet, stimuleerde en niet terechtwees: ‘Jij was mijn eerste vriend. Een schitterende vriend. (…) Dat was een verbazingwekkend gelukkige en zeer zeldzame samenloop: vader en vriend.’ (94)

Het boek is belangrijk als getuigenis over de vijf woelige jaren van de jonge Sovjetstaat (1918-1923), ‘een interessante tijd ! Jong, vurig, stormachtig en filosofisch’) (157), over ‘de lyriek van die weergaloze jaren’(338), toen bijna alles nog mogelijk was en de communistische autoriteiten nog geen tijd hadden om zich met de literatuur bezig te houden. Daar zou verandering in komen vanaf 1925, toen de Partij zich meer en meer begon te moeien met en te mengen in het artistieke bedrijf. Maar toen was de poëtische woede van de jonge herrieschoppers (Jesenin, Mariëngof, Sjersjenevitsj, Majakovski) al uitgeraasd. Het laatste deel van Mariëngofs herinneringen raast, helaas, te snel door de tijd: het eindigt met de oorlog, de inval van de Duitsers (1941) en de evacuatie van schrijvers en toneelschrijvers ver weg van het front. Hier worden in een (te) snel tempo enkele trieste lotgevallen afgehaspeld, zoals de dood van een van de grootste toneelspelers van de 20e eeuw Vasili Kotsjalov, mooi en ontroerend, zonder devoot of sentimenteel te worden.

Dit boek is één groot plezier om te lezen, er zitten zoveel leuke elementen in dat je op elke bladzijde iets interessants, onverwachts, origineels vindt. Over het begin van de dichtersloopbaan vernemen we dat dit meteen ook het begin van ‘het literaire lijden’ (23) is en dat burgermannetjes weinig ophebben met de schrijvers van gedichten: ‘Het is een gestoord slag mensen, de bedenkers van rijmende regels.’ (33) Of het is ijdele hoop dat onze poëzie een lang leven beschoren is: ‘Wat kan het tegen domheid opnemen ? Alleen die is onsterfelijk.’ (68) Heel modern klinkt de uitspraak ‘De leren voetbal adoreerde ik bijna even hartstochtelijk als de poëzie van de symbolisten en de tragedies van Shakespeare.’(31) Filosofische vragen of levenswijsheden worden gretig uitgestrooid over heel het boek: ‘Waarvoor leven ? Hoe te leven ? Waarvan leven ? En de hoofdzaak - met wie ? Met het kamermeisje, de prostituee of met de vrouw van een ander ?’ (51)

Mariëngof heeft drie oorlogen meegemaakt (WO I, de burgeroorlog, WO II) en moet er zich wel over uitspreken: ‘Oorlog ! Een grote smeerboel ! Maar wij achterlijke idioten roepen enthousiast: ‘Hoera-a-a !... Hoera-a-a !... Hoera-a-a !...’ (56, dit laatste klinkt helaas heel actueel) of ‘We dachten dat we in een tijdperk van beschaving en geestelijke cultuur leefden… Lachwekkend ! Terwijl we met volle verstand op elkaar schieten als op patrijzen en elkaar afslachten als haantjes… Die zijn daarna tenminste nog goed voor de soep.’ (58). Poëtisch geformuleerd: ‘Onze eeuw verdient iets scherpers / Dan steeds maar weer die bommenwerpers.’ (332)

Het hoeft geen betoog dat dit groepje herrie schoppende jonge dichters op weinig sympathie van de nieuwe machthebbers kon rekenen. Lenin vond de poëzie van Mariëngof die van ‘een ziek jongetje’ (105) en een criticus fulmineerde ‘Futurisme, imaginisme is poëzie van ontaarden ! Jawel, van ontaarden’, maar hij moest toegeven ‘Helaas van getalenteerde ontaarden.’ (138)

Mariëngof is ook goed in sterke, vaak gebalde uitspraken. ‘De socialistische revolutie had alle petroleumlantaarns in onze straat al gedoofd.’ (88) en het afgezaagde maakt hij oorspronkelijk: ‘De wegen Gods en die van smeerlappen zijn ondoorgrondelijk.' (213) Toen iemand wilde zweren bij de Almachtige God, poneerde de tegenspreker spitsvondig ‘Uw God, schatje-patatje, hebben de bolsjewieken geliquideerd, als klasse !’ (252-253) en de auteur noemt zijn wederhelft niet ‘mijn betere helft’ (zoals Russen ironisch doen), maar ‘mijn betere driekwart’ (292).

Lezenswaardig, getuigend van inlevingsvermogen en informatief zijn de bladzijden over de zelfmoord van twee grandes van de Russische revolutionaire literatuur Sergej Jesenin (246 e.v.) en Vladimir Majakovski (305 e.v.). Maar in beide gevallen gaat hij voorzichtig voorbij aan het mogelijks politieke motief van deze wanhoopsdaad. Jesenin was niet alleen vertwijfeld aan het leven en de liefde, maar ook ontgoocheld in de revolutie, die niet de boerenutopie bracht waarvan hij had gedroomd. Majakovski had een turbulent liefdesleven achter de rug, maar was eveneens ontgoocheld als verworpen en slechts door een minderheid erkende dichter der revolutie. Hij wilde per se dé dichter van de revolutie worden, maar Lenin moest niets van hem en zijn poëzie hebben, ook al stond die dan ten dienste van zijn revolutie. Het is pas Stalin die vijf jaar na de dood van de dichter Majakovski zal uitroepen tot ‘de dichter van de revolutie’ en aldus, in de woorden van Pasternak, hem gedwongen invoerde in Rusland zoals Catharina II in de 18e eeuw de aardappel. Mariëngof besluit: ‘En waren het alleen de liefdesboten die schipbreuk leden ? En toch begrijp ik het dodelijke schot van Majakovski niet. Ik begrijp het nu niet. En ik begreep het toen niet.’ (311) Dit laatste komt me weinig geloofwaardig over. In de jaren vijftig, toen Mariëngof zijn memoires schreef, kon of durfde hij het hele verhaal niet te vertellen. Het herinnert me aan de memoires van Ehrenburg (‘Jaren, mensen, jaren’, gedeeltelijk vertaald als Ik ben nooit onverschillig geweest). Ze werden gepubliceerd in de dooi-periode van liberalisering onder Chroesjtsjov (begin jaren zestig), maar werden aan censuur onderworpen. Voor veel tijdgenoten kwamen ze desalniettemin als gewaagd over. Toen na de opheffing van de censuur in de jaren negentig de volledige, ongecensureerde editie verscheen (drie kloeke delen), bleek dat de durf van Ehrenburg toch niet zo groot was en dat hij over de terreur van de Stalinperiode zedig gezwegen heeft. Niet ten onrechte zegt de vertaler in zijn nawoord dat de kracht van Mariëngofs memoires ook steekt in wat ongezegd gebleven is, wat geïmpliceerd werd, wat ‘tussen de regels geschreven en voelbaar’ is (391).

Net als de bladzijden over zijn vader zijn de regels gewijd aan zijn zoon Kirill indrukwekkend ingetogen, krampachtig proberend inzicht te krijgen in de wanhoopsdaad van de nog niet zeventienjarige jongen, die in zijn dagboek had geschreven ‘Alleen heb ik het gevoel dat zelfmoord een en al literatuur is en dat ik zoiets nooit zal doen.’ (324) Die hyperintelligente jongen zag op een dag zijn vader zitten schrijven: ‘Je blijft maar schrijven en schrijven ? Wat ben je toch naïef, papa ! Ontzettend naïef.’ ‘Echt, papa, snap je dan niet dat je met HEM niet kunt schrijven ? Dat er met HEM geen echte literatuur mogelijk is ?’ (299) We schrijven 1937-1938, de donkerste jaren van de stalinistische terreur. De jongen noemde die Stalinjaren ‘het tijdperk van onverlicht absolutisme’ (299).

Zowel de in deze memoires aan bod komende figuren als het beschreven tijdperk hebben nood aan toelichting. Dat doet de vertaler uitstekend. De noten sprankelen van lees- en vertaalplezier en maken duidelijk waarom een bepaald personage of citaat voorkomt in de tekst. Een mooi voorbeeld is de toelichting bij de militaire wals Op de heuvelen van Mantsjoerije (41) of de rechtzetting van het auteurschap van de regels ‘Ik vroeg de Heer helaas om een licht leven ; / Ik had hem moeten vragen om een lichte dood.’ (288). Te betreuren valt dan wel dat de ‘sardonische Petsjorinlach’ (28) een nietszeggende noot krijgt of dat Dahl (113) helemaal geen toelichting waard is: de éénmansauteur Vladimir Dal van een vierdelig, maar liefst 200.000 woorden tellend Verklarend Woordenboek van de gesproken Groot-Russische taal, als emigrant van Deense ouders toch geen geringe prestatie !

Maar dit is een petieterig kleine tache de beauté op dit mooi en creatief vertaald stuk proza, dat de vertaler vaak voor niet al te gemakkelijke keuzes plaatst. Hier en daar vergaloppeert hij zich evenwel en maakt hij het Nederlands sterker of vulgairder dan het origineel. Het Russisch ‘die bolsjewieken hebben mijn privéfamiliegoed geconfisqueerd’ wordt ‘De pestpokkentering voor die kutbolsjewieken !’ (179) en waarom ‘idioty-kritiki’ nu ineens ‘kritikloten’ (223) moeten worden, is me niet zo duidelijk. Waarom niet kritioten ? ‘Gadina’ (283) is al denigrerend genoeg voor een vrouw (serpent, secreet, rotwijf), waarom moet het dan nog erger worden (‘de trut, de kut’, 283). En tenslotte: als het in de doeltaal dan toch pikanter, pittiger, schilderachtiger mag, waarom mag dan het brave с кем поведёшься, от того и наберёшься niet weergegeven worden met ‘wie met de hond slaapt, krijgt er de vlooien van’ i.p.v. het makke ‘Waar je mee omgaat, daar word je mee besmet’ (225). Maar mijn variant is wellicht te Vlaams ?

Dit alles neemt niet weg dat deze vertaling een hoogst verdienstelijk werk is dat ons de jaren twintig in de woelige Sovjetunie, voor het ijzeren gordijn definitief nederdaalde, toch een stukje dichterbij brengt. De keuze voor deze memoires is gerechtvaardigd ; misschien werpt de vertaler zich binnenkort op nog een van de vele onvertaalde herinneringen van Russische schrijvers ? Ik wil hem graag enkele tips aan de hand doen: Aleksandr Blok Op de grens van twee eeuwen, Benedikt Livsjitsj De anderhalfogige boogschutter, Valentin Katajev Mijn kroon van diamanten. Russland, Russland und kein Ende!

Pagina's