Recensies

Florian Illies. Liefde in tijden van haat.

Florian Illies. Liefde in tijden van haat. Amsterdam-Antwerpen, Atlas Contact, 2022, 368 p. ISBN 978 90 450 46037 (Originele titel ‘Liebe in Zeiten des Hasses. Chronik eines Gefühls, 1929-1939’).

Niet liefde in tijden van cholera, maar zo had dit boek ook kunnen heten. Of met een gedicht van Poesjkin ‘Een feest tijdens de pest’. Een intrigerende titel, het thema blijft intrigeren ook tijdens de lectuur, zelfs na het verwerken van het eerste van de drie delen van het boek : Ervoor, 1933 en Erna. Wat met ‘ervoor’” bedoeld wordt, is duidelijk : voor het uitbreken van de pest, in dit geval de bruine pest. In feite gaat het dus over de Weimarrepubliek, de voor velen verwarrende, chaotische periode direct na de Eerste Wereldoorlog en voor de machtsovername door de nazi’s (1933). Het eerste deel is een caleidoscoop van het liefdesleven van Europese intellectuelen in de jaren twintig. Een stoet van bekende en minder bekende intellectuele VIP’s trekt aan ons voorbij, de ene al gekker en extravaganter dan de andere. Soms duizelt het, soms krijg je een hele cultuurgeschiedenis van de roaring twenties voorgeschoteld. Aan het oog van de lezer trekken in een nooit ophoudende stoet voorbij : Theodor Adorno, Josephine Baker, Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre, Walter Benjamin en Gottfried Benn, Bertolt Brecht, Charlie Chaplin, Gabriele d’Annunzio, Marlene Dietrich, Alfred Döblin, Robert Musil, de familie Mann, Pablo Picasso, Leni Riefenstahl, en ga zo maar door, tientallen grootheden uit het artistieke en culturele leven van de jaren twintig en dertig. Omdat de auteur zich geconcentreerd heeft op de liefde, op het liefdesleven van deze sterren, krijgen we een dolgedraaide carrousel van emoties, liefdes die maar niet willen lukken, bedrog, overspel, driehoeksverhoudingen, vrije huwelijken, dit alles doordrongen van een buitengewoon grote portie drank en drugs.

De lezer verliest de draad en wordt overweldigd door deze wereld van promiscuïteit en zelfdestructie. Na de lectuur van het eerste deel vraag je je onwillekeurig af wat er nu gaat volgen. En waarom de auteur de cesuur maakt ?

Het tweede deel (1933, p. 163-246) is korter, maar even hevig en angstaanjagend. De nazi’s zijn aan de macht gekomen en intimideren, molesteren of vermoorden alle ongewenste Duitsers : homoseksuele kunstenaars, Joden (schrijvers, artsen, componisten), journalisten, uitgevers, sociaaldemocraten en communisten. Wie het gevaar op tijd ziet naderen, wacht het onheil niet af en slaat op de vlucht : naar Scandinavië (Bertolt Brecht), Frankrijk (de meesten), sommigen naar Italië, Zwitserland (dat in de oorlog neutraal zal blijven), Tsjecho-Slowakije, en natuurlijk Amerika. De eerste emigrant – de eerste van de 553 door de nazi’s afgeschreven Duitsers (174) uit het jaar 1933 is George Grosz : ‘Hij heeft de Weimarrepubliek in zijn tekeningen en schilderijen vereeuwigd : de dikke buiken, de hoge hoeden, de naakte danseressen, de waanzin, de armoede.’ (167) De pacifist Erich Maria Remarque, auteur van het antimilitaristische kassucces Im Westen nichts Neues, trekt naar Zwitserland. De taal van de nazi’s tegen al wie hen niet aanstaat, is vulgair en laat geen sprankeltje hoop over : ‘Thomas Mann is een francofiel, een streber, een marxist en een daartoe met het centrum flikflooiende figuur en bovendien ook nog pacifistisch en Joods verwant.’ (177) De voor de jaren twintig representatieve figuur Kurt Tucholsky wordt gek van wat er in zijn vaderland gebeurt ; vanuit Zuid-Frankrijk schrijft hij : ‘Dat onze wereld in Duitsland opgehouden is te bestaan hoef ik u vast niet te vertellen. En daarom zal ik voorlopig mijn mond houden. Tegen een oceaan valt niet op te fluiten.’ (229) Terwijl iedereen uit Duitsland naar Frankrijk vlucht, trekt Jean-Paul Sartre uit Frankrijk naar Duitsland – om er bij Edmund Husserl de fenomenologie te gaan bestuderen (zonder Duits te kennen). Maar ‘hij neemt volstrekt geen notitie van het tijdperk van de haat dat is begonnen’ (234).

Maar al de ellende, het exil, de boekverbranding, de angst, de armoede die met verhuizen en vluchten gepaard gaat, beletten vele sterren niet om hun krankzinnig liefdesleven van voor 1933 voort te zetten. Bertolt Brecht valt van de ene affaire in de andere en ‘in zijn erotomanie laat Brecht zich ook door emigratie niet van zijn stuk brengen’ (186).

In deel 3 (Erna, p. 249-344) behandelt Illies wat er met al deze sterren na de machtsovername door de nazi’s gebeurd is. Wie niet op tijd de benen had genomen, moest zich in Duitsland zien te redden en ofwel laveren ofwel in de ‘binnenlandse emigratie’ gaan (innere Emigration, zoals Ernst Jünger) (304). Zo moet de anti-nazi Klaus Mann ervaren dat niet alleen grote auteurs als Robert Musil en Stefan Zweig, maar zelfs zijn vader niet meer willen schrijven voor zijn tijdschrift Die Sammlung, omdat ze beseffen dat ze het dan wel kunnen vergeten om nog iets in Duitsland zelf gepubliceerd te krijgen (354). Voor vele koppels geldt dat hun verhouding lijdt ‘onder de angst, de bestaansonzekerheid en het voortdurend verhuizen – en onder de alcohol waarmee ze daartegenin proberen drinken’ (265). Sommigen plegen zelfmoord (zo Kurt Tucholsky in Zweden), de beroemde auteur van Untergang des Abendlandes heeft geluk : hij sterft in 1936, zodat hij de catastrofe van de westerse cultuur niet hoeft mee te maken (285). Maar ook de thuisblijvers hebben het moeilijk en moeten schipperen of meedraaien, zoals de beroemde filmmaakster Leni Riefenstahl, die hier niet al te mooi uitkomt (286). De grote Joseph Roth sleurt de populaire schrijfster Irmgard Keun mee in een roes ‘van schrijven, leven en drinken’, volgens Illies ‘het wonderlijkste en ontroerendste paar van de Duitse emigratie’ (292).

Ook in deze periode weer extravagante liefdesaffaires (zo tussen Marlene Dietrich en Ernest Hemingway), die zich weinig gelegen laten liggen aan wat er in Duitsland gebeurt of in de rest van Europa – zoals Sartre die ook in Parijs niet doorheeft dat het er vol geëmigreerde Duitsers loopt. Een Duitse in Frankrijk hoort rondom zich almaar Duits praten en ‘iedereen die hier Duits spreekt is een Jood of communist’ (317).

Het boek sluit af met de verhuis van de familie Mann naar Amerika (herfst 1938), zij hebben ‘hun vertrouwen in de veiligheid van Europa verloren en leven met de wetenschap dat zij ‘Duitsland’ altijd zullen belichamen, waar dan ook.’ (323) 1939 maakt ‘de laatste zomer van het oude Europa’ (327) mee.

Het boek leest als een fascinerende ‘kroniek van een gevoel’, zoals de ondertitel in het Duits heet, het is de vraag wat dat gevoel is : liefde of het ontbreken van liefde, nervositeit, ondergangsgevoel, pessimisme, promiscuïteit, bedrog, excessen, alles op het spel zetten in het aangezicht van de catastrofe ?

Het boek werkt ook een beetje vermoeiend, er komt geen einde aan de avonturen (of beter avontuurtjes) van de hoofdfiguren, aan de uitspattingen, de alcohol en de drugs, aan verslavende seks, overspel, bedrog, huwelijken en scheidingen. Wanneer de redundantie toeslaat, moet de lezer het boek even terzijde leggen om te bekomen van de wervelstorm van destructieve gevoelens.

Graag had ik wat meer gelezen over de Duitse emigranten in Nederland, meer bepaald over Allert de Lange en Querido. De meest macabere en minst tot de verbeelding sprekende figuur in dit boek over de liefde is de Russische dictator Jozef Stalin (257).

Bill Browder. Achtervolgd door de staatsmaffia.

Bill Browder. Achtervolgd door de staatsmaffia. Het waargebeurde verhaal van Russische witwaspraktijken, louche moordaanslagen en de lange arm van Poetin. Amsterdam-Antwerpen, Atlas Contact, 2022, 336 p. ISBN 978 90 450 4257 2 (oorspr. titel : Freezing Order. A True Story of Money Laundering, Murder, and Surviving Vladimir Putin’s Wrath).

Dit boek is het vervolg op Vijand van de Russische staat (zelfde uitgever, 2015), ook toen al een fors boek. Het vertelt met alle details en in geuren en kleuren, zonder enige literaire opsmuk, het spannende verhaal van hoe een buitenlander zich de haat van de machtigste man van Rusland op de hals haalt en er bijna onderdoor gaat. In de grond vertelt het niets nieuws, maar het zet het verhaal voort waar het gestopt was in het eerste boek. Ook deze spannende jaren tonen aan dat het regime in Moskou er alles aan wilde doen om die vervelende buitenlander kaltzustellen. En dat het belangrijk was om diens getuigenis ongeloofwaardig te maken en Browder af te schilderen als een dief, fraudeur en belastingontduiker, toont aan dat hij gênante feiten wereldkundig had gemaakt die Rusland veel schade berokkenden. Bill Browder is namelijk de man die ervoor gezorgd heeft dat de Verenigde Staten de Magnitski-Wet hebben aangenomen. Die stelt dat Russen die op de zwarte lijst van criminelen, witwassers, mensenrechtenschenders terechtkomen, de VS niet meer in mogen en dat hun activa bevroren worden. In het vervolg op zijn eerste boek beschrijft Browder in detail hoe hij er ook in geslaagd is deze wet door heel wat westerse landen te laten goedkeuren. Hoe is een individu erin geslaagd zo’n belangrijke wet erdoor te krijgen?

Browder was een Amerikaanse belegger die in de jaren negentig in Rusland werkte en daar veel geld verdiende aan het opkopen van aandelen van net geprivatiseerde (vroegere staats-) bedrijven die in korte tijd enorm in waarde stegen. Big business, zowel voor Russen, oligarchen, als handige buitenlanders. Maar het begon mis te lopen, toen een van de bedrijven waarvan Browder aandelen had gekocht die terug wilde krijgen en allerlei malafide praktijken ging bedenken. Browder besloot daarop de strijd aan te binden tegen een oligarch die er dan op zijn beurt alles aan deed om de Amerikaan dwars te zitten. Daarbij werd Browder gesteund door de advocaat Sergej Magnitski, die er een erezaak van wilde maken deze onrechtvaardige gang van zaken recht te zetten. Maar dat was zonder de waard gerekend. Op een bepaald ogenblik mocht Browder het land niet meer in en werd hij door de Russische staat van fraude beschuldigd. Later kwam daar de beschuldiging van belastingontduiking bij: Browders firma zou 230 miljoen dollar belastingen ontdoken hebben. Het rare is dat dat precies het bedrag was dat hij over het laatste jaar van zijn activiteiten in Rusland betaald had. Na veel speurwerk in binnen- en buitenland bleek dat enkele corrupte heren die 230 miljoen dollar lekker op hun bil hadden geslagen, maar nu wel Browder beschuldigden van ontduiking. Browder schakelt Magnitski in, die aan veel informatie raakt en onweerlegbaar kan aantonen dat er sprake is van bedrog, corruptie, diefstal van overheidsgelden door de staat. Als Browder alles in de internationale pers brengt en filmjes op you tube plaatst over de corrupte ambtenaren en politierechercheurs is het hek van de dam en beslist de Russische regering af te rekenen met de Amerikaanse pottenkijker. Het tragische einde van het verhaal is dat de Russische advocaat Magnitski crepeert in een smerige Russische gevangenis. Ook dat haalt het wereldnieuws. Geïnterpelleerd door ambassadeurs en journalisten, proberen de Russische autoriteiten – inclusief Poetin en Medvedev - er zich met veel ongeloofwaardige leugens uit te praten, maar de Amerikaanse politieke wereld slikt het niet en uiteindelijk zullen alle misdadigers betrokken bij deze zaak op de zwarte lijst komen en inreisverbod voor de VS krijgen en zullen hun activa bevroren worden.

Dit is in een notendop de kern van het verhaal van Browder. Wie geïnteresseerd is in het verhaal, dat goed en spannend verteld wordt, moet dit boek lezen. Het schetst een schrijnend beeld van hoe in Rusland met de waarheid, het recht én de mensen wordt omgesprongen. Als dit het resultaat van 25 jaar post-sovjet politiek is, die toch de ambitie had te breken met de wanpraktijken van het Sovjetsysteem, dan is dat project grandioos mislukt. Het meest onthutsende is dat ook de hoogste regionen – de president, de premier – mee doen aan deze maskerade van democratie. Want dat is de enige schijn die ze willen ophouden – naar de buitenwereld moet Rusland overkomen als een democratische rechtsstaat. De lezer kan zich vergewissen hoeveel van dit sprookje waar is.

Stefan Creuzberger. Das deutsch-russische Jahrhundert. Geschichte einer besonderen Beziehung.

Stefan Creuzberger. Das deutsch-russische Jahrhundert. Geschichte einer besonderen Beziehung. Hamburg, Rowohlt, 2022, 670 pag. ISBN 978-3-498-04703-0

De auteur is goedgeplaatst om over dit complexe probleem te spreken. Hij doceert geschiedenis aan de universiteit van Rostock, heeft gepubliceerd over de Duitse en Russische geschiedenis in de 20e eeuw en is lid van de Gemeenschappelijke Duits-Russische Historische Commissie.

Zijn dik boek beschrijft heel uitvoerig, maar niet langdradig de turbulente geschiedenis van de betrekkingen tussen twee grote landen, in feite tussen twee dictaturen. Hij begint zijn boek met het verhaal over Ferdinand Theodor von Einem die in Moskou de beste chocolade- en pralinenfabriek van Rusland had opgericht en het tot hofleverancier bracht. De tweede figuur die hij belicht, is die van de ‘Grenzgänger’ (11) Klaus Mehnert, een in Rusland geboren Duitser die vooral in de jaren ’50 en ’60 veel heeft bijgedragen tot een (beter) begrip van de Rus (ik herinner me zijn boek Der Sowjetmensch (1958), dat een bestseller werd). Het is een prelude op de niet gestelde vraag : hoe is het toch verkeerd gelopen tussen beide landen, waarom hebben ze niet constructief kunnen samenwerken ?

In zijn inleiding stelt Creuzberger dat de 20e eeuw op het eerste gezicht de indruk mag wekken dat het de Amerikaanse eeuw is geweest, maar in feite werd al in de 19e eeuw duidelijk dat van de twee buurlanden Duitsland en Rusland een enorme invloed uitging (18). De hele geschiedenis door heeft Rusland enorm veel Duitsers gehad die het land grote diensten bewezen hebben (de chef van de geheime politie onder Nicolaas I Alexander von Benckendorff – het is natuurlijk de vraag of dit zo lovenswaardig is), er waren talrijke dynastieke banden met Duitse vorstenhuizen (de laatste tsaar – Nicolaas II – was getrouwd met een Duitse prinses – ook dat heeft nare gevolgen gehad), de industrie in de late 19e eeuw werd gedomineerd door Duitse ondernemers en firma’s (Siemens, AEG, Thyssen, Krupp), men sprak wel eens over Rusland als een soort ‘Duitse kolonie’ (31). Maar alhoewel de aanwezigheid van Duitsers in tsaristisch Rusland dominant was, zagen veel Russen Duitsland als het ‘Hort autoritärer Großmannssucht und des preußischen Militarismus’ (32). Van de vroegere ‘Wahlverwandtschaft’ bleef aan de vooravond van WO I niet veel meer over (34), germanofobie was schering en inslag. Een rol daarin speelde ook de gerussificeerde Duits-Baltische adel, die hoge posten bekleedde in Rusland, maar die een uitgesproken reactionaire politiek vertegenwoordigde en tegen hervormingen was. De vooruitstrevende krachten in Rusland zagen het wilhelminische Duitsland als het bolwerk tegen liberalisme en revolutie en dus de natuurlijke alliantiepartner van de tsaristische autocratie (39). De Duitsgezinde fractie in de politiek was politiek conservatief. De anti-Russische geschriften van Marx en Engels speelden ook een rol in de anti-tsaristische gevoelens in Duitsland tegen het einde van de 19e eeuw. Voor veel Duitsers was het tsaristische Rusland een achterlijk, barbaars en despotisch geregeerd land, een door knechting en corruptie getekend Aziatisch imperium (42). In het begin van de 20e eeuw kwam daar het slagwoord ‘Russisch gevaar’ bij, vooral het gevolg van de Balkanoorlogen (1912-1913).

Marc Jansen. Belaagd paradijs. Een geschiedenis van Georgië.

Marc Jansen. Belaagd paradijs. Een geschiedenis van Georgië. Amsterdam, Van Oorschot, 2021,195 p.

In 2014 kwam de Nederlandse historicus en Ruslandkenner Marc Jansen met een geschiedenis van Oekraïne (Grensland. Een geschiedenis van Oekraïne. Amsterdam, Van Oorschot). De timing kon niet beter : in 2014 werd het schiereiland de Krim door Rusland bezet en geannexeerd. Daarmee wilde de imperiaal ingestelde Poetin de historische vergissing van Chroesjtsjov van 1954 ongedaan maken: toen besliste de partijleider om het schiereiland, dat ыштвы 1783 bij Rusland had behoord, aan ‘de’ Oekraïne te ‘schenken’ en dat in het teken van 300 jaar ‘vriendschap’ tussen Rusland en Oekraïne (1654 – na de bloedige burgeroorlog van de 17e eeuw, die het land in tweeën verdeelde). Met deze beslissing is Chroesjtsjov inderdaad over één nacht ijs gegaan, maar dit geeft natuurlijk Rusland nog niet het recht om dit stuk grond van een buurland zomaar in te pikken. Nu, acht jaar later, blijkt deze invasie slechts de eerste stap te zijn in een groter plan – de inname / bezetting / ‘pacificatie’ / onderwerping van het op het Westen gerichte Oekraïne, met de bedoeling het land weer in de armen van Rusland te drijven. Of Poetin daarin zal slagen, zal de toekomst uitwijzen, in elk geval is de tol groot : duizenden slachtoffers, honderdduizenden vluchtelingen, vreselijke en onmenselijke militaire en burgerlijke doelwitten, maar vooral veel stof voor generaties haat van de Oekraïners jegens de Russen, die hun geen vrijheid of onafhankelijkheid of eigen koers gunnen. We beseffen nu wat Poetin bedoelde met zijn bekende uitspraak dat het uiteenvallen van de Sovjetunie ‘een bijzonder grote catastrofe van de XXe eeuw’ was (meestal wordt vertaald ‘de grootste catastrofe’, maar dat klopt niet – in het Russisch heet het величайшая катастрофа en dat betekent niet de grootste, maar een heel grote). Dit taalkundige detail is niet zonder betekenis : indien Poetin echt 'de ‘grootste’ bedoeld zou hebben, zou hij de Holocaust pijnlijk minimaliseren.

Na dit hoogst noodzakelijke boek komt Marc Jansen nu met een geschiedenis van Georgië. Het is een even onontbeerlijk boek als dat over Oekraïne. Het is compact (150 p. over de geschiedenis), aangenaam leesbaar, het vervalt niet in voor leken onbelangrijke details of discussies, maar het geeft toch een goed beeld van de complexiteit van Georgiës geschiedenis en cultuur. De eerste helft van het boek beschrijft de geschiedenis van het land tot 1917, het tweede deel behandelt de Sovjetperiode en de tijd der troebelen die daarop volgde, tot de dag van vandaag. Het bevat ook enkele nuttige aanhangsels : een tijdtafel, een verklarende woordenlijst, een bibliografie en twee indexen (van geografische namen en een personenregister). De cover – net als de titel – is goed gekozen : een idyllisch tafereel van de bekende naïeve Georgische schilder Niko Pirosmani over feestende, tafelende Georgiërs. Hiermee begint de auteur ook zijn boek : een korte schets van de sympathieke tafelcultuur (die voor buitenlanders meestal op alcoholterreur neerkomt). In zijn slot (147) stelt de auteur dat Georgië wel eens vergeleken is met de hof van Eden, alhoewel de geschiedenis ‘lang niet altijd paradijselijk’ met het land omgesprongen is. En hij begint het slot van zijn boek met een citaat van mijn landgenoot Jacques Brel die in 1965 het land bezocht : ‘Georgiërs zijn mooie mensen. Ik was er helemaal niet op voorbereid met zulke tegemoetkomende en tedere wezens te maken te krijgen. De Georgiërs mixen droom en realiteit tot een buitengewone cocktail. Die mensen worden niet opgejaagd door de tijd, zitten niet onder de knoet van het geld. Op zo’n cultuurschok zat ik al twintig jaar te wachten. Ik heb daar broers achtergelaten.’ (147)

In het licht van deze door alle bezoekers gedeelde mening is wat de Russen deze Kaukasiërs hebben aangedaan wreed. Aan de andere kant heeft Georgië natuurlijk ook Rusland voor generaties kapot gemaakt : de dertig jaar durende dictatuur van de Georgiër Dzjoegasjvili ofte Stalin, de ex-seminarist en terrorist die erin slaagde na de dood van Lenin (1924) de macht te grijpen en het land een generatie lang aan een ijzeren dictatuur te onderwerpen. Dat de man in zijn geboorteplaats (Gori) nog altijd een museum en een standbeeld heeft, pleit niet voor zijn volk en toont aan dat het verleden van Rusland nog altijd niet verwerkt is, ook al kon in de late jaren tachtig zo goed als alles uit de Sovjetse beerput naar boven komen. Wat we de laatste jaren van Poetin te zien hebben gekregen, toont aan dat zelfs voor ontwikkelde mensen (de president heeft rechten (!?) gestudeerd aan de universiteit van Leningrad) het verleden niet op een fatsoenlijke manier verwerkt is en zelfs bewust gemanipuleerd wordt. Zo pleitte Jevgeni Dzjoegasjvili, de kleinzoon van Stalin, voor de rehabilitatie van zijn grootvader en het herstel van de Sovjetunie (133). Rusland zou hier veel kunnen leren van het na-oorlogse Duitsland, dat tenminste veel moeite heeft gedaan om te denazificeren, terwijl in het postcommunistische Rusland zo goed als geen serieuze pogingen zijn ondernomen om het land en het bewustzijn van de mensen te de-sovjetiseren. Oud-communisten noemden zich na 1991 van vandaag op morgen ‘democraten’ en daarmee was voor hen de kous af.

Het historische gedeelte van het boek is noodzakelijk om te begrijpen wat in de late XXe en in de jonge XXIe eeuw in Georgië is gebeurd. Door uitvoerig stil te staan bij de evolutie van de postcommunistische tijd leren we en passant veel over de huidige situatie in Oekraïne : Rusland steunt separatistische gebieden in Georgië (Abchazië en Ossetië), destabiliseert daardoor het land en verschaft zich daardoor de rechtvaardiging van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Georgië.

De auteur stelt terecht dat in de XIXe en XXe eeuw het Russisch de lingua franca in de Kaukasus was, maar dat dit nu niet langer het geval is en dat het Russisch verdrongen wordt door het Engels (121). Dus derussificatie en europeanisering gaan hand in hand, twee doornen in het oog van de imperiale ex-grootmacht. Als het land bovendien geïnteresseerd bleek in lidmaatschap van de NAVO en de EU, was het hek helemaal van de dam en meende Rusland te moeten ingrijpen. L’histoire (weliswaar de zeer recente) se répète dus.

Dit zijn maar een paar bedenkingen bij het interessante boek van Marc Jansen dat onmisbaar is voor wie zicht wil krijgen op de Russische politiek van de laatste twintig jaar. De ‘logica’ in Poetins bewind ten overstaan van de ex-Sovjetrepublieken laat het ergste vrezen voor de nabije toekomst.

Leuk in het boek is ook dat de auteur er de literatuur bij betrekt : het middeleeuwse epos van Roestaveli, getuigenissen van de in Nederland populaire Konstantin Paoestovski, van Fazil Iskander (de in het Russisch schrijvende Abchaziër) en van de hedendaagse schrijfster Nino Haratischwili (met haar schitterende bestseller over het twintigste-eeuwse Georgië Das achte Leben).

Kristina Sabaliauskaitė. Peters keizerin.

Kristina Sabaliauskaitė. Peters keizerin. Amsterdam, Prometheus, 2022, 352 p. Vert. uit het Litouws door Anita van der Molen (orig. titel Petro imperatorė).

In 2019 verscheen in Litouwen de historische roman Peters keizerin van de jonge kunsthistorica Kristina Sabaliauskaitė. Er werden al meer dan honderdduizend exemplaren van verkocht, een hele prestatie als je weet dat Litouwen nog geen drie miljoen mensen telt. Het succes is verdiend. De auteur neemt een origineel standpunt in: ze beschrijft het leven van de Russische tsarina / keizerin Catherina I (1725-1727) vanuit het gezichtspunt van de op sterven liggende vrouw. Catherina vertelt haar leven in een terugblik, maar dan een lange van meer dan 300 bladzijden. De monologue intérieur verveelt geen ogenblik.

Sabaliauskaitė vertelt met veel details het ongewone leven van deze ‘Assepoester van de 18e eeuw’ (zoals Voltaire haar noemde). Ze schopt het van ‘zielenpoot, wees en oorlogsgevangene’ (83), misschien van Litouwse lage adel afkomstig (186), tot de vrouw van de machtige Russische tsaar Peter I en na diens dood tot zijn opvolgster als Catherina I. Ze noemt zichzelf ‘dom’ (196), kan niet lezen en moet haar (liefdes-) brieven aan Peter dicteren, ze wil niet aan politiek doen, maar wel de man veroveren en liefhebben die haar ‘genomen’ heeft. Dat laatste natuurlijk zonder haar te vragen, nadat ze eerst door de legeraanvoerder Sjeremetjev in Lijfland tot zijn bijslaap gemaakt en daarna bij Peter I’s machtige favoriet Aleksandr Mensjikov terechtgekomen was, die haar tenslotte ‘afstond’ aan zijn vriend Peter, die viel voor haar charme. Ze was enkele dagen getrouwd met een trompetter in het Zweedse leger (Johan Cruse, die om een of andere reden een ‘Brabantse trompetter’ (29) wordt genoemd, maar die echtverbintenis zal Peter er niet van weerhouden haar tot zijn vrouw te nemen, ook al was hijzelf nog altijd getrouwd met Jevdokia, zijn eerste vrouw, die hij na zijn terugkeer uit Nederland (1698) in het klooster had gestopt. Dubbele bigamie dus.

Het interessante in dit levensverhaal van Ekaterina Aleksejevna, zoals Marta Skawronska orthodox werd gedoopt, is dat ze vertelt hoe ze erin slaagt zelfstandig te blijven. Ze zegt over zichzelf ‘soms was ik een slavin, andere keren een veeleisende soeverein’ : ‘Ik wist dat ik liever mijn tong zou afbijten dan hem ooit batjoesjka, vadertje, te noemen’ (71) en ‘Ik was eigenzinnig, zelfverzekerd’ (112). Tijdens een van Peters alcoholische bacchanalen trok ze het uniform van het Preobrazjenski-regiment aan, waarom ze ‘de amazone’ genoemd werd (135), wat de feministe avant la lettre natuurlijk vleiend vond.

Het leuke aan dit boek is dat je door het levensverhaal van Catherina eigenlijk heel de geschiedenis van het ontstaan van Sint-Petersburg krijgt geserveerd. Haar raadsman en eerste (vrijwillige) minnaar is Aleksandr Mensjikov, de rechterhand van de tsaar die de gouverneur-generaal van de nieuwe stad Sint-Petersburg is en die zijn uiterste best deed om ‘die nieuwe Europese Rus’ te zijn die zijn tsaar wilde creëren’ (81), maar ‘zijn hebzucht, zijn honger naar invloed, de schaamteloosheid van zijn dromen waren ronduit grenzeloos’ (95). Deze boezemvriend van Peter, die een onvermoeibare energie aan de dag legde en de droomstad van zijn baas en weldoener uit de grond stampte, moest wel elk moment vrezen voor de toorn van de tsaar – ‘hij liep zijn hele leven lang op eieren’ (109). Dat deze dief en maffioso uiteindelijk toch niet tegen de lamp liep en verscheidene keren kon rekenen op de gratie van Peter, ook al was zijn diefstal, zijn corruptie en gesjoemel overduidelijk, heeft hij te danken aan zijn ex-minnares Catherina. Na de dood van Catherina evenwel gaat hij voor de bijl en wordt hij door de nieuwe machthebbers verbannen naar Siberië.

Pagina's