Recensies

Vladislav Zoebok. Dmitri Lichatsjov

Vladislav Zoebok. Dmitri Lichatsjov. Zjizn i vek. Sankt-Petersburg, Vita Nova, 2016, 608 p. ISBN 978-5-93898-592-6. Engelse vertaling: Zubok V. The idea of Russia. The life and work of Dmitry Likhachev (Londen, uitg. I.B. Tauris, 2017). Aan het boek werd meegewerkt door het Lichatsjov Fonds in Sint-Petersburg.

In 2013 verscheen in de populaire biografische serie «Zjizn zametsjatelnych ljoedej» (Het leven van Merkwaardige Mensen) een boek over de Russische 20e-eeuwse geleerde Dmitri Lichatsjov (1906-1999) van de hand van Valeri Popov. Popov was een typische ‘zestiger’ (man van de jaren 1960) die maar weinig sympathie of begrip kon opbrengen voor de in zijn ogen ouderwetse moralist Lichatsjov. Zelfs als auteur zag hij niet zo goed in waarom zijn ‘held’ dan wel zo merkwaardig was. Uitgerekend datgene wat hem zo bijzonder maakte, sprak de biograaf weinig of niet aan.

De Russische geleerde heeft nu een waardige biografie gekregen van de hand van de Russisch-Amerikaanse historicus Vladislav Zoebok, die sinds het begin van de jaren 1990 aan verscheidene Amerikaanse universiteiten gedoceerd heeft en sinds 2013 hoogleraar is aan de Londonse School of Economics. Hij is de auteur van de studie A Failed Empire: The Soviet Union in the Cold War from Stalin to Gorbachev (2007, Russische vertaling 2013) en Zhivago’s Children: The Last Russian Intelligentsia (2009).

Het is een indrukwekkende biografie, niet alleen door de omvang, maar ook door de reikwijdte van de gebruikte bronnen: niet alleen Russische studies, archiefstukken en getuigenissen van collega’s en tijdgenoten, maar ook talrijke westerse en Ruslandkundige studies over gedetailleerde onderwerpen (bv. de Goelag, de Stalinperiode, de liberalisering onder Chroesjtsjov). Dit alles maakt het boek, geschreven in een verzorgde taal en stijl, tot een waardige biografie van een van de grote figuren van de Russische 20e eeuw.

Vóór de lectuur van dit boek kende ik Lichatsjov vooral als literatuurhistoricus en specialist op het gebied van de Oudrussische literatuur, als uitgever van de Studies van de Afdeling Oudrussische Literatuur van het Poesjkin Huis in Sint-Petersburg en als hoofdredacteur van de indrukwekkende serie «Literatoernye pamjatniki», waarin alle grote werken van de Russische cultuur en wereldliteratuur werden uitgegeven. Ik kende hem als de auteur van o.a. De Russische kronieken, De wereld van de lach in het Oude Rusland, De poëzie van de tuinen en als redacteur van De literaire werken van het Oude Rusland. Daarom kan ook de vraag rijzen waardoor een specialist op zo’n beperkt gebied, dat toch niet iedereen interesseert, zo’n grote resonantie kon hebben in het intellectuele leven van Rusland in de 20e eeuw. Het boek van Zoebok geeft een antwoord op deze vraag.

Dmitri Sergejevitsj Lichatsjov werd in 1906 geboren in het gezin van een ingenieur, zijn grootouders waren kooplieden. Zijn moeder stamde uit een gezin van Oudgelovigen die de tradities van godvruchtigheid, waardigheid en beroepsethos hoog in het vaandel droegen. Zonder de Revolutie van 1917 was de familie zeker tot de middenklasse gaan behoren. Al van in zijn jeugd voelde Dmitri zich aangetrokken tot zijn stad Sint-Petersburg, die hij door en door kende en waarvoor hij het altijd zal opnemen. In de schitterende hoofdstad van het Russische Imperium viel hem de arrogantie van de Petersburgse aristocraten op, waar hij heel zijn leven een hekel aan had, en die hen gehaat maakten onder het volk, dat uiteindelijk hun adellijke cultuur zou vernietigen. Ook toen hij het ver geschopt had, bleef Lichatsjov zijn medeleven met en sympathie voor het gewone volk bewaren. Hij was niet het kind van de rijke adellijke landhuizen (met hun ‘kersentuinen’), maar van de stedelijke middenklasse die in de zomer een datsja huurde. In Kuokkale (in het noorden van Rusland, nu Repino) ontdekte hij de schoonheid van de Russische natuur. De herinneringen aan zijn gelukkige kinderjaren op het land hielden hem recht tijdens de zware beproevingen die hem te wachten stonden. Maar aan dat schitterende adellijke en middenstands-Petersburg kwam een eind in 1914, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

Heeft Rusland een toekomst?

In april 2019 heeft het Moskouse Levada Centrum de resultaten van een opiniepeiling gepubliceerd waaruit blijkt dat een meerderheid van de Russische bevolking de rol van dictator Stalin in de geschiedenis van het land positief waardeert. 71 % voelde ‘enthousiasme’, ‘respect’ of ‘sympathie’ voor Stalin. Uit een meerkeuzevraag van de enquête blijkt dat 46 % van de Russen van mening is dat Stalins misdaden te rechtvaardigen waren, omdat hij ‘grote doelstellingen en resultaten’ kon voorleggen.

Sjeng Scheijen. De avant-gardisten. De Russische Revolutie in de kunst, 1917-1935

Sjeng Scheijen. De avant-gardisten. De Russische Revolutie in de kunst, 1917-1935. Amsterdam, Prometheus, 2019, 587 p.

In de opdracht van zijn boek over de geschiedenis van de avant-garde in Rusland citeert Sjeng Scheijen Nikolaj Poenin, iemand die zich altijd voor de avantgardistische kunstenaars heeft ingezet: ‘Hoe wij allen ten onder gingen, eens zal iemand dat begrijpen’. Poenin ging er dus van uit dat die ondergang niet te begrijpen viel, en dat hoeft niet te verwonderen, want waarom zou een boeiende, grote kunst ten onder moeten gaan? Scheijen is er perfect in geslaagd ons de achtergrond van de ondergang van deze schitterende groep mensen, denkers, schrijvers en kunstenaars in Sovjet-Rusland te beschrijven. Zijn boek is magistraal: verzorgd geschreven, met een overvloed van getuigenissen, heel gedetailleerd, maar zonder dat het onleesbaar of vermoeiend wordt. Hij heeft het epos van het avant-gardisme geschreven dat pas bevattelijk wordt omdat het zo gedetailleerd en in geuren en kleuren verteld wordt. De bibliografie alleen al is indrukwekkend, niet alleen door de omvang, maar ook door de verscheidenheid van de geciteerde bronnen en getuigenissen. Dit is een krachttoer die alle lof verdient. En vertalingen naar grote talen.

Het boek gaat over ‘de confrontatie en de verbintenis van de avant-gardisten met de revolutie, en de doem en magie die dat opleverde’ (13). Het tragische is dat met name de vooruitstrevende, met het verleden brekende kunstenaars, die dan ook nog eens achter de revolutie stonden, door diezelfde revolutie verslonden werden (‘die Revolution entlässt ihre Kinder’). En dit alleen al zegt veel over die zogenaamde revolutie: ze was niet revolutionair, vernieuwend, maar integendeel conservatief en vernietigde genadeloos alles wat op haar weg stond of waarvan zij dachten dat het op hun weg stond. Samen met de andere grote kunstenaars van die tijd (Zilveren Tijdperk) – Majakovski, Achmatova, Mandelstam, Pasternak, Chlebnikov, Tsvetajeva e.v.a. - werden de avant-gardisten het slachtoffer van een bekrompen, behoudende, bange revolutie. In de euforie van Februari 1917 dachten velen dat er een werkelijk ‘utopische samenleving kon aanbreken’ met ‘de verbeelding aan de macht!’ (13). Het lag dus voor de hand dat velen zich bij de revolutie aansloten.

Nikolaj Gogol. Hanz Küchelgarten.

Nikolaj Gogol. Hanz Küchelgarten. Amsterdam, De Wilde Tomaat, 2014, 85 p. Vertaling, inleiding en nawoord van Arie van der Ent. ISBN 978 90 820255 4 5.

Het werk van een van de groten van de Russische literatuur Nikolaj Gogol is goed vertegenwoordigd in ons taalgebied. Maar opvallend is dat twee teksten ontbreken: zijn literaire eersteling Hanz Küchelgarten en Uitgekozen passages uit mijn briefwisseling met vrienden. Dat dit laatste niet de grote voorkeur van russofielen wegdraagt, is begrijpelijk: de ‘brieven’ zijn wellicht door de brave auteur goedbedoelde, maar kwezelachtige opstellen, richtlijnen voor een ideaal leven – als huisvrouw, landheer, onderdaan, orthodoxe gelovige e.d. Taaie lectuur. Door niet-orthodoxe lezers wordt hij als onleesbaar ervaren (ikzelf heb er me twee keer met professionele volharding proberen doorheen te ploeteren), maar misschien moet het werk gezien worden als Gogols bijdrage aan de officiële doctrine van Nicolaas I ‘orthodoxie, autocratie en volksverbondenheid’. Je zou het zelfs als een soort utopie kunnen zien. Na het instorten van de communistische heerschappij en ideologie werd het in de jaren 1990 opgerakeld als een belangrijk orthodox document. De vertaler Arie van der Ent vermeldt in zijn informatief nawoord ‘deze diep trieste verzameling ‘levenslessen’ aan vrienden en bekenden’ (p. 83), misschien is dit een tip voor een van zijn volgende vertalingen?

In diezelfde tijdsgeest is ook Gogols interpretatie van de Goddelijke Liturgie van onder het stof gehaald en uitgegeven. Veel meer dan wat orthodoxe gelovigen zal dit boek niet bereikt hebben.

De kleine uitgeverij De Wilde Tomaat heeft nu de literaire eersteling van Gogol uitgebracht – in de voortreffelijke vertaling van Arie van der Ent, een zeer lovenswaardig en toe te juichen initiatief, ook al was het product van Gogols ‘achttienjarige jonkheid’ (29) tot mislukken gedoemd en werd het op hoon en spot onthaald, of nog erger - op stilzwijgen. De auteur zegt in zijn ten geleide dat veel van de taferelen van zijn idylle niet behouden zijn gebleven (29), wat de stuntelige overgangen verklaart, maar ook moet anticiperen op mogelijke kritiek (een welbekende truc), die niet uitbleef. In de uitgave van dit poëem (lang gedicht) heeft de vertaler een procedé gebruikt dat hij ook in zijn boek over Poesjkin heeft toegepast: getuigenissen van tijdgenoten en de auteur zelf samenbrengen die de ontstaansgeschiedenis van het werk schetsen (p. 10-28). Een recensent schreef vernietigend: ‘Hanz Küchelgarten staat zo bol van de ongerijmdheden, de taferelen zijn dikwijls zo bizar en het lef van de auteur, in zijn poëtische ornamenten, zijn stijl en zelfs zijn prosodie, is zo onverantwoord, dat de wereld er niets aan verloren had als deze eerste poging van dit jeugdige talent onder de korenmaat was gehouden.’ (19-20)

Pagina's