Recensies

Kristen R. Ghodsee. Alledaags utopia. Wat tweeduizend jaar experimenteren ons kan leren over het goede leven.

Kristen R. Ghodsee. Alledaags utopia. Wat tweeduizend jaar experimenteren ons kan leren over het goede leven. Berchem, EPO, 2023, 399 p. ISBN 978 94 6267 435 6. Originele titel : Everyday Utopia. What 2,000 Years of Wilde Experiments Can Teach Us About the Good Life.

Ik werd getroffen en getrokken door deze titel, toen ik aan het snuisteren was in de Antwerpse boekenwinkel De Groene Waterman. Ik vond het een uitdagende titel, bijna een these : niet de grote utopieën (‘Kallipolis’, de mooie stad van Platos idele republiek, Thomas Mores Utopia (1516), Tommaso Campanella’s La Città del Sole <De stad van de zon, 1602)>), maar de utopie voor het alledaagse leven, dingen die je kunt halen uit deze grote utopische projecten en toepassen op je alledaagse leven. De lectuur heeft me niet ontgoocheld.

De auteur is een Amerikaanse professor Russische en Oost-Europese studies, wat soms tot uiting komt in het belichten van bepaalde figuren die bij ons minder of niet bekend zijn, maar die haar vertrouwd zijn vanuit haar studie van Russisch of Slavisch gedachtengoed, meer bepaald de visie van de Sovjetse feministe Aleksandra Kollontaj (die het moest afleggen tegen de conservatieve paternalist Lenin), Anton Makarenko (met zijn origineel pedagogisch concept van integratie van handenarbeid en geestelijke arbeid), de Bulgaarse bogomielen.

De centrale stelling van dit omvangrijke, goed gedocumenteerde boek is dat grensverleggend denken ons kan bevrijden (hoofdstuk 1). Na deze algemene inleiding behandelt Ghodsee een zestal belangrijke onderwerpen : het huis (de eengezinswoning – heeft die nog recht van bestaan?), wie moet de kinderen opvoeden, wat is een goede school, is bezit nu echt nodig, moeten we echt in kerngezinnen leven en zouden we niet beter onze ‘netwerken van liefde en zorg uitbreiden’ ? Al deze vragen worden uitgewerkt in uitvoerige hoofdstukken, met soms hier en daar overlapping, maar dat stoort niet in deze vertellende encyclopedie van alternatief denken. ‘In dit boek verken ik alternatieve manieren om onze huizen te bouwen, onze kinderen op te voeden, onze jeugd te vormen, ons bezit te delen en te bepalen wie eigenlijk tot onze familie behoort.’ (46)

De auteur beseft goed dat het woord ‘utopisch’ zwaar beladen is en door conservatieven zwart gemaakt wordt. Haar definitie van utopisch luidt : ‘Utopisch, zoals ik het gebruik, verwijst gewoon naar denkers en bewegingen die probeerden de huiselijke sfeer opnieuw in te richten op manieren die aanzienlijk afweken van de heersende tradities van hun samenlevingen, met als doel in grotere harmonie samen te leven bij het nastreven van seculiere of spirituele doelen’ (11). Haar spectrum is breed, ze beperkt zich niet tot voorbeelden uit de Verenigde Staten (vooral dan de hippiecommunes van de jaren zestig), maar brengt experimenten aan het licht die overal ter wereld uitgeprobeerd werden (Frankrijk, Duitsland, Engeland, Rusland, Azië). Ze citeert daarbij een prachtig citaat van Oscar Wilde die in 1891 schreef : ‘Een wereldkaart zonder Utopia is het bekijken niet waard.’ (12) en in 1934 zei in dezelfde zin Albert Einstein : ‘Verbeelding is belangrijker dan kennis.’

Interessant is de gedachte dat utopische dromen vaak geboren worden op momenten van politieke onzekerheid (19). Dat het boek van Thomas More Utopia al in 1516 gepubliceerd werd, toont dus aan dat al in de zestiende eeuw de toestand van de mensheid door sommigen als problematisch werd ervaren. Het prachtige woord betekent zowel het ontbreken van een plaats (u-topos), dus nergensland, als eutopia = goede plaats (19). In de loop der eeuwen is gebleken dat de door illustere denkers uitgedachte alternatieven als niet haalbaar in de ‘echte’ wereld werden gezien en dat er een ‘diepgaand wantrouwen tegenover politieke verbeelding’ bestond (27) en nog steeds bestaat. Over dat laatste gaat het uitvoerig in het laatste hoofdstuk (over ‘radicale hoop tegen dystopische wanhoop’). Ze baseert zich op de definitie van Karl Mannheim van ideologie : ‘de onzichtbare maar alomtegenwoordige sociale, culturele en filosofische structuur die een bepaalde ‘orde der dingen’ in stand houdt en de mensen beschermt die politieke en economische macht bezitten’ (28). Met deze definitie si het duidelijk dat de machthebbers zich met hand en tand verzetten tegen utopisten en hun ‘onrealiseerbare’ dromen. Soms hebben we een hekel aan de bestaande toestand, maar toch aanvaarden we de status quo, omdat velen van ons ‘te bang, te moe of te lui’ zijn om te dromen (29). Het zijn dan ook ‘meestal mannen, meestal blank en allemaal rijk’ die ons angst inboezemen voor politiek blue-skydenken (= baanbrekend of grensverleggend denken, 33-34).

Is onze eengezinswoning op een afgebakend terrein, gewoonlijk gezien als teken van sociaal en financieel succes, wel zo ideaal ? De auteur herinnert aan allerlei samenlevingsvormen in de loop van de geschiedenis : de middeleeuwse kloosters, de begijnen, de falanstère van Fourier (19e eeuw) of de familistère van Godin (1859, familiepaleis), ‘une utopie réalisée’ (72). Ze herinnert ook aan de gemeenschappelijke kommunalki in de Sovjetunie, maar ik denk dat die ervaring niet zo rooskleurig is als hier beschreven wordt. Uitvoerig staat de auteur stil bij utopische architectuur, nl. coliving en cohousing her en der in Amerika en Europa, die gezien wordt als een ‘reddingsgordel’ ‘voor de moderne mens in een poging om opnieuw zinvolle sociale relaties te creëren die niet langer automatisch door het kerngezin worden geboden’ (84). Volgens critici is dit systeem van cohousing, vooral in Amerika, verworden tot gesloten gemeenschappen voor linkse mensen (95). Een ander punt van kritiek is dat deze ‘linkse’, meestal uit begoede gezinnen stammende samenwoners in geval van mislukking kunnen terugvallen op hun ouders (326).

Hoofdstuk 3 gaat over kinderen - heeft het wel zin ze op de wereld te zetten ? Hoe moeten we ze opvoeden ? Binnen de vier muren van onze eengezinswoning of in een groter geheel, met andere gezinnen of groepen van mensen, al dan niet in familieverband ? In 1848 stichtte John H. Noyes de Oneida-gemeenschap, die het dertig jaar als utopische gemeenschap heeft uitgehouden in de VS, maar dat experimenteren met vrije seks, gezamenlijke opvoeding van kinderen, gelijkheid van man en vrouw e.d. werd niet gepikt in Amerika en de gemeenschap moest zichzelf opdoeken. Ook het Israëlische experiment met kibboetsen en hun niet-ouderlijke zorg komt uitvoerig aan bod (piek 1909-1948). De figuur van de Russische marxiste en feministe Aleksandra Kollontaj krijgt veel aandacht. Ze was invloedrijk in de jaren twintig, wel eens het utopische decennium van de Sovjetunie genoemd, maar Stalin maakte de verworvenheden van de bolsjevistische revolutie ongedaan (1936). Extreem vernieuwend was ook de figuur van de president van Tanzania Julius Nyerer (jaren zestig) die vond dat een school ook een boerderij moest zijn.

Hoofdstuk 5 behandelt de achillespees van ons individualisme – het bezit. Zou het niet beter zijn het bezit op te doeken ? Bezitsdrang verhindert gezond samenleven. Daarbij wordt natuurlijk verwezen naar de bijbel (‘Alle gelovigen waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk’, Handelingen 2:44). Deze ‘bijbelcommunisten’ hebben nu nog nazaten in de hutterieten (naar Jakob Hutter, eerste commune in 1528). En in 2022 zouden er over de hele wereld zo’n 238 doelbewuste ecodorpen bestaan (212) ; ze worden zo genoemd en niet aangeduid als commune, een term die eerder lijkt te verwijzen naar een sekte. Uit onderzoek blijkt dat mensen die leven in gemeenschappen die eigendommen delen meer tevreden zijn over hun leven (220) en dat terwijl juist dit aspect de meeste mensen afschrikt (221).

De auteur citeert William Godwin, de vader van het filosofisch anarchisme, die het huwelijk ‘het meest verfoeilijke van alle monopolies’ noemde en voorstelde om alle achternamen af te schaffen (270-271).

In haar soms aanstekelijk engagement voor een utopische ingesteldheid omarmt de auteur de idee van de Duitse filosoof Ernst Bloch (Das Prinzip Hoffnung) van ‘militant optimisme’, ‘een sociaal en psychologisch engagement om zich een betere wereld voor te stellen en ernaar te streven die ook te realiseren’ (303). De populaire cultuur heeft volgens Ghodsee een nefaste invloed op het denken van jonge mensen : er is ‘een overvloed aan dystopische films, boeken en televisieprogramma’s die ons bombarderen met de boodschap dat elke afwijking van onze huidige manier van leven ons onvermijdelijk de dieperik in stort’ (311). Zo worden Brave New World, 1984 en Animal Farm in scholen in Amerika aangeboden om aan te tonen dat socialistische ideologieën gevaarlijk zijn (315) : de beloofde betere wereld blijkt altijd slechter te zijn dan de wereld die hij vervangt (317). Is het dan niet beter, veiliger de status quo te aanvaarden ? De auteur besluit met : ‘Radicale hoop is het krachtigste wapen dat we hebben. Het wordt tijd dat we dat benutten.’ (339).

Een interessant, leerrijk, inspirerend boek.

Vladimir Ronin. Het beeld van het Westen bij de “gewone Rus”

Vladimir Ronin. Het beeld van het Westen bij de “gewone Rus”

Antwerpen, KULeuven, campus Antwerpen, 28 februari 2024

De campus Antwerpen van de faculteit Letteren van de KU Leuven organiseert in samenwerking met Pax Christi Vlaanderen een cyclus lezingen naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne. De eerste lezing werd gegeven door Emmanuel Waegemans, emeritus Slavistiek, over de Krim, waarvan de annexatie in 2014 het begin van de oorlog in / tegen Oekraïne was. De kern van die lezing zou je kunnen samenvatten in de stelling dat de invasie van het buurland van Rusland een oorlog om een lidwoord is: is het de Oekraïne of Oekraïne ? Is Oekraïne een deel van (een provincie) Rusland of een onafhankelijk land. De tweede lezing in deze cyclus, door Vladimir Ronin, behandelde de belangrijke vraag hoe (de) Russen de dag van vandaag tegen het Westen aankijken en wat daarbij de invloed van de propaganda is.

De spreker begon met te stellen dat de ‘speciale militaire operatie’ die nu aan de gang is een proxyoorlog is, niet zozeer tegen Oekraïne als wel tegen het Westen. Wat dienen we te verstaan onder ‘Westen’ ? Tot voor kort verstond men daar in Rusland de Verenigde Staten en West-Europa onder, maar sinds 2022 is het iedereen die zich uitspreekt tegen de oorlog van het Kremlin tegen zijn buurland, m.a.w. alle vijandige landen. Men spreekt de laatste tijd ook steeds meer over ‘het collectieve Westen’, dat gezien wordt als één pot nat. Ook landen die vroeger in de Sovjetinvloedssfeer zaten, maken daar deel van uit (Polen, Litouwen…). Dit collectieve Westen zou gedicteerd worden door de USA, wij zijn de lakeien van de Amerikaanse vazallen

De spreker denkt dat 90 % van de Russische bevolking de mening van de Russische televisie deelt en dat slechts 10 % kritisch is of tot de oppositie behoort. Het beeld van het Westen bevat zowel elementen van de traditie als nieuwe, waarbij geldt dat de staatspropaganda zeer intens en alomtegenwoordig is. De mensen die twijfels hebben bij wat op de TV beweerd wordt, proberen een modus vivendi te vinden, ze passen zich aan of doen er het zwijgen toe. 

Heeft de kennismaking met het Westen sinds het einde van de Sovjetunie dan geen invloed gehad op het beeld van het Westen? De spreker schat dat ca. 15 % van de bevolking de kans heeft gehad om met eigen ogen kennis te maken met het Westen – als toerist of voor het werk. Maar dit directe contact heeft z.i. geen rol gespeeld in hun beeld van het Westen, zo heeft men er wel genoten van de toeristische attracties, van het comfort e.d., maar voor democratie bv. had men geen oog (net zoals Peter de Grote het niet de moeite vond het Engelse parlement te bezoeken).

De spreker geeft dan een overzicht van het beeld van het Westen in de 19e en 20e eeuw. In de 19e eeuw zagen heel wat Russen positieve dingen in de westerse beschaving: de techniek, de snelheid, minder chaos, maar ze waren niet blind voor de in hun ogen negatieve aspecten: westerlingen zouden te gehoorzaam zijn aan de wetten, ze zijn materialistisch, zetten een domme, nietszeggende glimlach op, alles is er gepland, zodat ze hulpeloos / reddeloos zijn bij grote drama’s. Er heerst te veel politieke instabiliteit, men is te gehecht aan comfort. 

Over de Stalinperiode spreken heeft weinig zin – alles stond in het teken van de marxistische propaganda. Na de dood van Stalin komt er verandering : het beeld van het Westen wordt ten dele positief – het is er chique, het leven is er vrij(er), men had weet van de manifestaties van de jaren 1960-70, alle -ismen kwamen uit het Westen, er heerste belangstelling en ontzag voor de westerse cultuur (gotiek, renaissance, barok), men had schrik voor China (niet voor het Westen), men was het erover eens dat men van het Westen (veel) kon leren. 

Dit beeld is de laatste jaren fundamenteel veranderd. Nu is het Westen de tegenstander, let wel: het zijn niet de gewone mensen die tegen Rusland zijn (die beseffen immers dat Rusland het goed voorheeft), maar wel de militaire elite en de politici, de agressieve erfvijand. Daarom moet Rusland het zelf doen, niet terugvallen op het Westen, maar wel anders. Het moet zich afzetten tegen het westerse virus van de liberale waarden en tegen de russofobie, die genetisch zou zijn. Die liberale waarden zijn goddeloosheid, islamisering, multiraciale samenleving, ‘op hol geslagen’ feminisme (abortussen), “childfree” ideologie, satanisme, hameren op kinderrechten (‘juvenale justitie’), LGBTQ+ en gender-toiletten. Dit laatste wordt de laatste tijd op TV besproken als het summum van het doorgedraaide, liberale Westen. Aan dit alles wil Rusland niet meedoen

Het Westen exporteert die liberale waarden naar de gehele wereld en ook naar Oekraïne. De oorlog die nu gevoerd wordt, is dus niet zozeer gericht tegen Oekraïne, als wel tegen het ‘globale kwaad’ dat van het Westen komt.

De voor de hand liggende vraag is of Rusland zich dan oostwaarts keert? De spreker ziet geen toegenomen belangstelling voor het Oosten (bv. is er geen toename aantal studenten die Chinees of andere oosterse talen willen studeren), Russen liggen niet wakker van / kijken niet naar China, Indië e.d., maar blijven geobsedeerd door het Westen, ook al wordt het integraal verworpen. Merkwaardig is dat ook oppositioneel ingestelde Russen veel van die kritiek op het Westen delen. 

Na deze boeiende en met humor en recente moppen gelardeerde uiteenzetting kwamen heel wat vragen uit het publiek. De avond werd afgesloten door de vertegenwoordigster van Pax Christi Vlaanderen, die stelde dat niet iedereen zwijgt of volgzaam is in Rusland. Als bewijs haalde ze de oprichting aan van de Zachte Kracht (van Svetlana Oetkina) twee dagen voor het begin van de oorlog. Zij stelt : ‘Met onze beweging ‘De zachte kracht’ gaan we horizontale relaties aan met mensen die het belang van een burgermaatschappij begrijpen. De kracht van een staat ligt in zijn burgers, niet in wapens. Samen denken we na hoe we ons land willen opbouwen na de economische ravage die onze van de realiteit vervreemde dictator aanrichtte.’ Op dit optimistische geluid werd de avond afgesloten.

Antoon Vrins. De afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945.

Antoon Vrins. De afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945. [Deurne] 2024, Ertsberg, 333 p.

Toen de Duitse bezetter zich op het einde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog uit Antwerpen terugtrok, rekende het volk af met degenen die met de bezetter samengewerkt hadden, de collaborateurs. Die afrekening ging meestal gepaard met veel geweld: de huizen van de collaborateurs – echte of vermeende – werden in brand gestoken, de gevels werden besmeurd, er werden hakenkruisen op geschilderd, de inboedel werd de straat op gegooid en vernietigd, in brand gestoken of gestolen, collaborateurs werden naar interneringskampen gebracht door de zgn. Witte Brigade, ze werden vernederd, geslagen, uitgejouwd, de collaborerende vrouwen werden kaalgeschoren. Dit alles onder luid geroep en gejuich van de omstanders. 

In het naoorlogse discours over WO II wordt deze episode – in Antwerpen was dat 4 en 5 september 1944 en de meidagen 1945 – voorgesteld als een in se betekenisloze uiting van blinde agressie, uitgaande van ‘monsters’ (9). De auteur weigert deze visie te volgen en probeert het ‘als een verschijnsel van betekenis’ (14) te erkennen. Hij concentreert heel zijn boek op de vraag wat de geweldplegers heeft bewogen (15). Zo stelt hij dat ‘fysieke agressie via een proces van betekenisgeving getransformeerd wordt tot ‘geweld’, tot sociaal betekenisvolle praktijken’ (18), terwijl ‘wie het geweld bij de bevrijdingen a priori als ‘wild’ of ‘blind’ beschouwt, het als een volstrekt geïsoleerd fenomeen uit zijn historische context licht en daarmee dus uitgesproken ahistorisch te werk gaat’ (19). Het beeld van het ongebreidelde straatgeweld zou in Vlaanderen hardnekkiger zijn dan in de rest van Europa en dat is volgens de auteur te wijten aan de ‘succesvolle instrumentalisering ervan door Vlaams-nationalistische oud-collaborateurs’ (20). Door te focussen op het straatgeweld bij de bevrijding zouden ze hun eigen ‘hand- en spandiensten aan het nationaalsocialistische bezettingsregime’ willen verdonkeremanen’ (20). Om dan heel die afrekening met de ‘zwarten’ te kunnen discrediteren, gebruikten ze doelbewust ‘een amalgaam tussen het recht van de straat en de bestraffing door de staat’. De staat zou mede verantwoordelijk zijn, ‘al was het maar door een gebrek aan optreden’ (20). Wat ook sterk speelde in die strategie was dat ex-collaborateurs stelden gehandeld te hebben niet uit nationaalsocialistische overtuiging, ‘maar uit liefde voor een alternatief vaderland, namelijk Vlaanderen. Ze deden zich voor als nationalistische idealisten die naderhand slachtoffers waren van een zogenaamd anti-Vlaamse repressie van de haatdragende Belgische staat’ (21). De staat zou ‘een soort pogrom’ georganiseerd hebben. De auteur verwerpt de stelling dat het geweld toe te schrijven was politieke machinaties om de macht te grijpen (door de communisten), waardoor de daders ‘willoos grauw’ waren dat ‘op afroep gemobiliseerd kon worden’ (dit is in een notedop de visie van historicus Lode Wils). De auteur is het ook niet eens met de benadering van Koen Aerts, eveneens specialist in deze materie, die de justitie van de staat contrasteert met de volkse wraak, want dit zou de suggestie kunnen wekken dat de volksafrekening weinig met gerechtigheid te maken heeft (22).

Het boek van Vrins gaat over de bestraffing van de collaborateurs op straat. Wat was de boodschap? Wat wilde men ermee bereiken? Wie werd geviseerd en waarom? Door welke opvattingen van rechtvaardigheid lieten de straatridders zich leiden? Wat was de voorgeschiedenis? Tegen welk gedrag van de collaborateurs kwamen ze in opstand? De auteur vindt dat ‘wie de betekenis van de acties tegen collaborateurs wil achterhalen, ze ernstig moet nemen als een volwaardige, volkse vorm van justitie’. Hij wil de these weerleggen dat het hier niet zomaar ‘een uitbarsting van blinde agressie in de marge van statelijke bestraffing was, maar een alternatieve vorm van justitie’ (23). Hij wil ‘de logica van het geweld’ doorgronden (28). 

De kerngedachte van Vrins is dat de collaborateurs normovertreders zijn, die allerlei (al dan niet expliciete) verwachtingspatronen (fatsoen, medeleven, vaderlandsliefde) aan hun laars lapten en daardoor de woede en de haat opriepen van de mensen, de buurtbewoners die onder hun gedrag te lijden hadden. Laten we alles eens op een rijtje zetten: 

  • voedselschaarste, manklopende ravitaillering, ‘georganiseerde verarming’ (114), hongertochten, diefstal en fraude om te overleven (collectieve overvallen op broodkarren), de ongelijkheid, de oneerlijke verdeling van voedsel, de collabo’s die profiteerden van de situatie 
  • sommige collabo’s verrijkten zich op de rug van de gemeenschap; de woekerprijzen voor brood en vlees; de bezetter zou broodnodig voedsel exporteren naar Duitsland 
  • verplichte tewerkstelling in Duitsland (najaar 1942) werd ervaren als brutale machtspolitiek 
  • dreiging met verklikking aan de bezetter door collabo’s (wegens anti-Duitse gezindheid, luisteren naar Radio-Londen, anti-Duitse pamfletten, anglofilie) en de straffeloosheid van dit infame gedrag 
  • verzet tegen de bezetter (sluikpers, clandestien vakbondswerk, onderduiken en hulp aan onderduikers, opzetten van inlichtingendiensten, burgerlijke ongehoorzaamheid, sabotage, hulp aan de geallieerden, uitschakeling van collabo’s) 
  • bedreigingen aan het adres van en sociaal isolement van de collaborateurs, bezoedeling van hun woningen, aankondigingen dat gerechtigheid zou geschieden (‘het uur der vergelding’), sociale smetvrees (wie vriendschappelijk omging met notoire collaborateurs was ook verdacht). 

Toen het einde van de oorlog in zicht was, wilden de ‘bevrijders’ van de straat de sporen van de oude orde verwijderen en vernietigen - het gehate hakenkruis, de portretten en bustes van Hitler, gebouwen die door de bezetter gebruikt werden, magazijnen waar voedsel opgeslagen werd. De diefstal van Duitse waren werd doorgaans als legitiem beschouwd, maar soms was er ook verzet tegen. Het waren de symbolen van de bezetter die ritueel vernietigd moesten worden. Duitse gebouwen werden aangevallen, de ruiten sneuvelden, soms werden ze in brand gestoken. De betrapte collaborateur werd door de straten meegevoerd, tentoon gesteld, hij moest de handen boven het hoofd houden, soms op de knieën gaan zitten en de Belgische vlag kussen. ‘Moffenhoeren’ werden kaalgeschoren en voor ieders ogen vernederd. Daarom spreekt de auteur liever over ‘zuivering’ dan over ‘repressie’ (= strafrechtelijke formule) om de informele bestraffing van de ‘zwarteriken’ aan te duiden (165). Het vuur speelde hier een belangrijke, rituele rol: het zuiverde het huis, de buurt, de stad van onreine krachten, het afscheren van het hoofdhaar van collaborerende vrouwen had ‘een uitgesproken seksuele lading’: ‘de bezoedeling die voortsproot uit (lijfelijke) contacten met de Duitsers werd symbolisch ongedaan gemaakt’ (169). Enigmatisch is de uitspraak: ‘Collaborerende mannen werden nimmer aangesproken op mogelijke seksuele contacten met leden van de Duitse bezettingsmacht. Bij vrouwen bestond daarentegen de neiging om de collaboratie in seksuele termen te definiëren.’ (170). Bedoelt de auteur dat er geen gevallen bekend zijn van homoseksuele relaties tussen collabo’s en Duitse bezetters? 

Uitvoerig komt in dit boek de beroemde episode in de Dierentuin van Antwerpen ter sprake in de septemberdagen 1944. Collaborateurs werden naar de Zoo gebracht en daar opgesloten in een leeuwenkooi, waar ze door de juichende menigte uitgelachen, vernederd en verwenst werden (6-10, 170-173). Het is een van de meest tot de verbeelding sprekende taferelen van de bevrijding, die door goedpraters van de collaboratie aangehaald wordt om de primitieve, irrationele, blinde woede van het ‘gepeupel’ te demonstreren. Dit extreme geweld had soms zelfmoorden tot gevolg (‘zij verkozen de fysieke boven de sociale dood’) (179). Er is zelfs sprake van een ‘collectieve zelfmoord’ (180), alhoewel het ‘collectief’ slechts uit twee mensen leek te bestaan.

De bevrijders hadden geen vertrouwen in ‘opportunistische positiewisselingen’ (181), het kazak draaien van collaborateurs die de vergelding zagen aankomen en gauw van kamp wisselden in de hoop zich te kunnen witwassen (182, hier zeker juiste beeldspraak). Om aan de volkswoede te ontsnappen, hingen ze de Belgische driekleur aan hun huis, liepen ze rond met Belgische vlaggen, sloten ze zich aan bij de ‘witten’, maar de tolerantie tegenover deze ontsnappingspogingen was nihil.

De bevolking die onder de bezetting te lijden had gehad, was massaal bereid tot aangiften en stemden in met de massale internering van Duitsgezinden. Volgens de auteur kwam die internering er door de druk van onderop (189). Achteraf gezien, heeft deze internering positieve gevolgen gehad: ‘De internering heeft de potentieel levensbedreigende, gewelddadige eigenrichting tegenover collaborateurs zeker ingeperkt’ (191). Er zijn ook heel wat gevallen bekend van ‘zwarten’ die voor hun veiligheid of leven vreesden en zich vrijwillig gingen aangeven bij de autoriteiten om te ontsnappen aan de volkswoede. Een bekend voorbeeld is Filip De Pillecyn, wiens huis in september 1944 gemolesteerd werd en die zichzelf ging aangeven. Het is me niet duidelijk waarom diens getuigenis in Face au mur (1979) in dit boek niet vermeld/gebruikt wordt.

Veel is ook te doen geweest over de vraag of de volkswoede spontaan was of georkestreerd? Was er een ‘overkoepelend plan’ (‘groot masterplan’, 197-198) of was het allemaal spontaan? De auteur heeft overtuigend aangetoond dat de volkssancties een hele voorgeschiedenis hadden (197). Ze waren gericht tegen ‘mensen die zich door hun aanhoudende en manifeste overschrijding van de gedeelde normen, waarden en gedragspatronen buiten de gemeenschap hadden gezet’, zodat ze voor niemand onverwacht kwamen (198). De indruk dat het wel georganiseerd was, wordt ook gewekt door het begrip ‘Witte Brigade’, maar dit betekende niet dat ‘een eenvormige organisatie de bevrijding uit de clandestiniteit’ leidde (200). Eigenlijk was het begrip Witte Brigade (1941 opgericht) een ‘pars pro toto voor alle verzetsorganisaties’ (201). Dat nogal wat collaborateurs zich bij die brigade hebben aangesloten om aan de repressie te ontsnappen, heeft bijgedragen aan het discours over de ‘septemberweerstanders’ die te elfder ure hun zak hadden gedraaid. Niet iedereen in de brigade was het eens met de lynchpartijen (eigenrichting), de plunderingen of het kaalscheren.

Onder de bevolking bestonden uiteenlopende ‘tolerantiedrempels’ ten aanzien van diverse types collaboratie (213). Zo was er veel meer tolerantie jegens economische collaboratie van industriëlen (die aan het Duitse leger leverden), maar het waren wel de detailhandelaars die het mikpunt werden van het ressentiment van de bevolking (218). De rijkdom, de luxueuze levensstijl van sommige collabo’s staken de ogen uit van de bevolking die jaren te lijden had gehad onder voedselschaarste. Mikpunt bij uitstek waren de woekerhandelaars (229). Volgens de auteur werden de plunderingen van ‘zwarte’ inboedels niet ingegeven door economische motieven (237). Soms werden de geplunderde goederen (huisraad, meubelen, luxegoederen) overgedragen aan slachtoffers van de bezetting.

Velen zijn ervan overtuigd dat acties tegen de collaborateurs geïnspireerd waren door ‘puur persoonlijke wraaknemingen’, maar dit zou niet beantwoorden aan de historische realiteit (248). De slaagkansen van om persoonlijke redenen ‘een appeltje te schillen met een buurman of kennis’ waren gering, want de bevolking moest wel overtuigd zijn van diens schuld (250). Met de definitieve nederlaag van Duitsland in mei 1945 en de onthullingen over de wreedheden van het nazi-regime en de gruwel van de concentratiekampen kwam het opnieuw tot collectieve acties tegen Duitsgezinden. De minister van justitie zag zich nu verplicht om de verdachten te interneren en ze aldus te beschermen tegen geweldpleging van het volk. Volgens de auteur lag er ook nu geen ‘overkoepelend, communistisch complot’ aan ten grondslag, alhoewel de communisten de onvrede onder de bevolking ‘bewust politiek geïnstrumentaliseerd hebben’ (268). In vlugschriften werd opgeroepen tot een ‘grote kuis’, waarschijnlijk gelanceerd door het verzet ‘met een communistische strekking’ (272). Dat er geen nieuwe golf van geweld tegen de collaborateurs uitbrak, was te danken aan het doortastende optreden van de Antwerpse burgemeester Camille Huysmans die waarschuwde dat ‘de gewapende macht onmededogend zal optreden tegen de daders’ (273). Er kwam geen nieuwe zuiveringsgolf.

In het slothoofdstuk resumeert de auteur zijn bevindingen. Het gaat ‘geenszins om uitbarstingen van blinde agressie’ (277). Hij doet geen uitspraken over het gerechtvaardigde karakter van het ‘bevrijdingsgeweld’ (278), dat voor hem slechts het sluitstuk is van ‘een veel langer proces van uitsluiting en stigmatisering van welbepaalde groepen mensen wier optreden als een normovertreding werd gezien’ (279-280), ‘een volkse vorm van justitie’ (286). De autoriteiten beseften algauw dat er onder de bevolking ‘een enorme druk leefde om streng op te treden’ (287) en hebben dat dan ook officieel gedaan. Na zijn uitvoerige analyse, waarbij honderden archiefstukken geciteerd worden, stelt de auteur zelf de grote vraag: ‘Hoe is het mogelijk dat enkele jaren slechts na de massale participatie van de bevolking in de bestraffing van de collaboratie, de zwarte mythe over een bestiaal, anti-Vlaams pogrom [sic, pogrom is mannelijk] dominant kon worden in Antwerpen en Vlaanderen?’ (289).

Maar daar is waarschijnlijk een andere studie voor nodig. Schaamde men zich achteraf toch voor het gebruikte geweld? Waren de verklaringen, rechtvaardigingen van de daders wel altijd eerlijk? Werd vulgair plunderen niet goedgepraat door politieke of ideologische motieven (net zoals de collaborateurs hun gedrag probeerden goed te praten door hun inzet voor de Vlaamse zaak)? Allemaal vragen die niet meer op te lossen zijn.

Aleksandr Ivinski. Roesskaja literatoera XVIII veka i koeltoernyj proëkt Ekateriny II [De Russische literatuur van de XVIIIe eeuw en het culturele project van Catherina II]

Aleksandr Ivinski. Roesskaja literatoera XVIII veka i koeltoernyj proëkt Ekateriny II [De Russische literatuur van de XVIIIe eeuw en het culturele project van Catherina II]. Moskou, uitgeverij Vodolej, 2023, 399 p. ISBN ISBN 978–5–91763–587–3.

Aleksandr Ivinski is een jonge, productieve filoloog die Russische literatuur doceert aan de Moskouse Staatsuniversiteit en verbonden is aan het Instituut voor Wereldliteratuur van de Russische Academie der Wetenschappen. De laatste jaren heeft hij een grote activiteit aan de dag heeft gelegd, vooral dan op het gebied van de studie van de Verlichting en de Russische literatuur van de 18e eeuw. Zo publiceerde hij in 2012 een aparte studie over het tijdschrift Sobesednik ljoebitelej rossijskogo slova (Gespreksgenoot voor de liefhebbers van het Russische Woord) als uiting van Catherina II’s literatuurpolitiek, alsook over het door haar uitgegeven literaire tijdschrift Vsjakaja vsjatsjina (Koetjes en Kalfjes). Al de her en der gepubliceerde artikelen van de laatste tien jaar heeft hij nu samengebracht in één monografie met een intrigerende titel, waaruit moet blijken dat het ambitieuze project van de Russische keizerin erin bestond een eigentijdse, nationale literatuur uit de grond te stampen. In dit opzet is hij voortreffelijk geslaagd en daarvoor moet hij afrekenen met heel wat heilige huisjes van de Russische en vooral Sovjetse literatuurgeschiedenis.

De steeds weer herhaalde visie van zo goed als alle Sovjetse literatuurhistorici komt erop neer dat er onder Catherina twee kampen bestonden : aan de ene kant de autoriteiten, de keizerin zelf, aan de andere kant de haar vijandig of kritisch gezinde oppositie. De strijd tussen beide kampen zou in deze visie uitgevochten zijn op de bladzijden van de talrijke satirische tijdschriften die in de jaren 1760-1770 als paddenstoelen uit de grond schoten. In deze visie werd het kamp van de autoriteiten vertegenwoordigd door de tijdschriften Vsjakaja vsjatsjina en Sobesednik, waarin voorzichtige kritiek op bestaande toestanden werd geuit, weliswaar in voor de regering gunstige zin – kritiek op algemeen-menselijke tekorten, obscurantisme, onwetendheid, domheid, achterlijkheid, maar nooit kritiek ad hominem (na litso). Het oppositionele kamp vond dan een spreekbuis in tijdschriften als Troeten (De Hommel), Zjivopisets (De Schilder) e.v.a. Daarin zou het wereldbeeld van de keizerin en haar trawanten dan op de korrel zijn genomen. De oppositie zou een strijd tegen het ‘vervloekte tsarisme’ gevoerd hebben op de bladzijden van de literaire tijdschriften (125). De enige Sovjetse literatuurhistoricus die Ivinski nog de moeite vindt om te citeren – Goekovski – heeft het idee van een ‘adellijke fronde’ tegen de keizerin uitgevonden en daardoor het concept van twee vijandige kampen (369).

Het blijft natuurlijk een paradox dat het uitgerekend een zogezegd autocratische heerseres zelf was die haar ‘onderdanen’ ertoe heeft opgeroepen om literatuur te bedrijven, mee te werken aan de voorlichting van het volk en aan de ‘Verlichting’ van de natie en daarbij kritiek en satire niet te sparen. Door sommige historici is dit te verklaren door het pseudoliberalisme van de keizerin (gecanoniseerd door de eerste Russische marxist Plechanov) (371), die op papier allerlei liberale ideeën omhelsde, maar in de praktijk optrad tegen wie te ver ging in zijn kritiek op bestaande toestanden. In elk geval is dit een uitzonderlijk iets in de Russische geschiedenis : we kennen geen andere Russische tsaar of commissaris die zijn volk opriep om te schrijven en misstanden te lijf te gaan.

Het doel van Ivinski’s boek is deze vastgeroeste visie op de literatuur van de 18e eeuw onderuit te halen. Catherina begreep dat cultuur een belangrijk instrument is in het tot stand brengen van de politiek van het imperium (5). Opdat de aristocratie en de bureaucratie de macht zouden steunen, moest een nieuwe elite gecreëerd worden. Ze gaf het voorbeeld door zelf literaire tijdschriften op te richten en alle mogelijke literaire genres te beoefenen en dit in de taal van het land (Russisch) en niet, zoals Frederik II, in het Frans (omdat hij de landstaal “barbaars” vond). Ze baseerde zich daarbij op westerse voorbeelden en probeerde via haar tijdschriften Koetjes en Kalfjes en Gespreksgenoot haar landgenoten de cultuur van het savoir vivre en het beeld van de honnête homme bij te brengen (38). Ivinski wil niet op de verschillen tussen de verschillende fracties wijzen, iets waarop Sovjetse historici zich blind gestaard hebben, maar op de overeenkomsten binnen één paradigma (6). Haar grootste verdienste ziet hij dan in het tot stand brengen van ‘een literaire ruimte die een ingewikkelde keten is van niet-formele relaties tussen de hoogste macht en de elite en waar de dichters (schrijvers) de rol van bemiddelaars kregen toegewezen die het politieke en culturele project van de keizerin steunden en samen met haar werkten aan een nieuwe cultuurtaal die nodig was om dat project te kunnen realiseren’ (6).

Het interpretatiemodel ‘satirische journalistiek’, dat decennialang gehanteerd werd om de literaire situatie onder Catherina te beschrijven, wijst Ivinski van de hand. Het is niet adequaat en is niet bij machte allerlei fenomenen te verklaren. De zogenaamde oppositie kwam vaak neer op niet meer dan kleine meningsverschillen, uiteindelijk was het de goede smaak die overwon (9). De meest geciteerde naam in de zgn. oppositie is die van Nikolaj Novikov, die zich in zijn tijdschriften afgezet zou hebben tegen Catherina en haar literaire geestesgenoten, terwijl hierbij uitgegaan wordt van het conflict tussen de keizerin en de Verlichter in 1792, dat alles te maken had met zijn geflirt met de vrijmetselarij, die Catherina, niet helemaal zonder reden, voor gevaarlijk hield (114). Volgens Ivinski vocht De Hommel van Novikov samen met Koetjes en Kalfjes van de keizerin tegen de onwetendheid (116). Van een conflict tussen beiden kan nauwelijks sprake zijn (119).

Zo goed als alle belangrijke literaire figuren van de 18e eeuw passeren de revue en Ivinski analyseert geduldig hun zgn. polemieken met de ‘officiële’ pers – Soemarokov, Trediakovski, Fonvizin (al de motieven in zijn toneelstuk De Landjonker zijn terug te vinden in Catherina’s tijdschrift Koetjes en Kalfjes), Derzjavin (zijn ode op Catherina – Felitsa – past helemaal in haar beeld van de ideale heerser), Dasjkova, Karamzin (zijn concept van de geschiedenis komt overeen met dat van Catherina). In alle gevallen slaagt de auteur erin, aan de hand van tientallen citaten, duidelijk te maken dat al deze schrijvers (samen) werkten aan het grote beschavingsproject van Catherina II.

De conclusie van Ivinski is niet mals : ‘De geschiedenis van de Russische literatuur van de XVIIIe eeuw is vele jaren gemythologiseerd en gemystificeerd : ze leefde met de waanbeelden van de (adellijke) oppositie en had het over de strijd tussen de autoriteiten en de ‘verlichters’, waarbij ze niet opmerkten dat de tweeden in het leven geroepen waren door de eersten.’ (381). Dit is een provocatieve uitspraak die, mogen we hopen, een nieuw licht zal werpen op de vaak verkeerd gelezen of voorgestelde literatuur van de Verlichting.

Michael Ignatieff. Russisch familiealbum

Michael Ignatieff. Russisch familiealbum. Amsterdam, Cossee, 2023, 319 p. Vert. door Niek en Theo Hendriks (oorspr. titel ‘The Russian Album’). Herziene vertaling en uitgave.

De familie Ignatjev is geen onbekende in Rusland en in Bulgarije al helemaal niet : de overgrootvader van de auteur is de grote held van Bulgarije met een standbeeld op het centrale plein in Varna. Het was graaf Nikolaj Ignatjev die in 1877 Bulgarije bevrijdde van het Turkse juk. Deze naam verklaart de russofilie van vele Bulgaren.

De auteur is de nazaat van dit roemrijke geslacht, ook zijn grootvader (Pavel) was een belangrijke en interessante figuur in het tsaristische Rusland : liberaal politicus, Russisch, maar woonachtig in de Oekraïne, waar zij de taal, cultuur en folklore respecteerden. Hoge posten in het ministerie van landbouw, later van onderwijs, voortdurend in conflict met conservatieve krachten (goed vertegenwoordigd in Rusland) en voorstander van moderne, liberale of vooruitstrevende ideeën, o.a. in de zemstvo’s (organen van plaatselijk zelfbestuur), gericht op de welvaart van het land en van de plaatselijke boerenbevolking. Zijn contacten met de tsaar tonen aan dat Nicolaas II een hopeloze loser was die niet wist hoe hij een land moest besturen en die de ene domme beslissing na de andere nam.

De auteur schetst aan de hand van het bewaard gebleven familiealbum en de verhalen van zijn ouders het leven van zijn familie in tsaristisch Rusland. Die behoorde tot de elite van het Russische Imperium en genoten dan ook een leven in rust, welstand en luxe, met chique huizen in de hoofdstad Sint-Petersburg en landgoederen in de provincie, in het geval van Ignatjevs grootvader in de Oekraïne, waarover hij en zijn grootvader met liefde en respect spraken (zijn grootmoeder evenwel deelde de sympathie van haar man voor de Oekraïne niet en kon niet zo goed aarden in die landelijke omgeving). Ook dat is interessant in 2023, wanneer Rusland in oorlog is met het buurland, waarover het beweert één te zijn met Rusland, maar er dan wel een oorlog voor moet voeren. In het nawoord vertelt de auteur zijn bezoek aan het landgoed van zijn grootvader in het nu onafhankelijke Oekraïne en dat levert mooie, hier en daar ontroerende bladzijden op. Over een verleden met een cultuur van samenleven dat nu hopeloos verdwenen is.

In 1917 kwam aan het heerlijke leventje van de familie een einde toen de bolsjewiki de macht grepen en het land in chaos, honger en terreur stortten. In 1919, na een oponthoud in (vlucht naar) de Kaukasus, moest de familie Rusland verlaten. Ze zouden er nooit weerkeren. Berooid kwamen ze uiteindelijk in Canada terecht, waar ze een nieuw leven moesten beginnen en met eigen handen, zonder personeel, hun brood moesten verdienen. De auteur schrijft dat hij ‘niet in wortels gelooft’ (289), maar dit belet hem toch niet te graven naar het verleden, niet eens naar zijn eigen biografie, maar naar die van zijn grootouders en overgrootouders. Het is een ontroerend document geworden, zonder al te veel goedkope romantiek, over een leven dat door meer emigranten liefdevol beschreven wordt, zo in Vladimir Nabokovs Speak memory.

De auteur zelf is niet in Rusland, maar in Canada geboren (1947) en kent Rusland dus alleen van horen zeggen, van de steeds weer opgerakelde verhalen van zijn grootouders. Zelf kende hij geen Russisch, ook dat is een typisch verhaal van de tweede generatie émigrés – soms kozen de ouders ervoor hun kinderen geen Russisch bij te brengen om ze zich beter te laten integreren in de cultuur van het land waar ze terechtgekomen waren : ‘Ik had een verleden van tsaristische avonturiers, overlevenden van revoluties, heroïsche ballingen. Maar hoe meer ik hen nodig had, des te sterker werd ook de aandrang om hen te loochenen, om mijn eigen vleugels uit te slaan.’ (33-34)

Terwijl de grootvader zich eerder over alle armoede en rampspoed heen zette, miste de grootmoeder ‘de overvloed van Rusland’, van haar landgoed : ‘Dat was wat ze nog het meest miste in het omheinde en afgebakende Engelse landschap : de uitbundige, dierlijke overvloed van haar geboortegrond, nu in de jaren twintig een geruïneerd, door honger en ziekte geplaagd land.’ (251)

In de familie van Russische Witte emigranten, hevig anti-communistisch en anti-bolsjewistisch, was er natuurlijk een zwart schaap. In de jaren dertig keerde Aleksej Ignatjev uit de emigratie terug naar Rusland, inmiddels de Sovjetunie, waar hij de rang van generaal kreeg en officieren van het Sovjetleger opleidde. In zijn memoires Vijftig jaar onder de wapenen liet hij zich meewarig uit over de grootvader van de auteur, die nu ‘zijn oude dag slijt in armoede en in zijn levensonderhoud voorziet door in het verre Canada zowaar zijn eigen moestuintje te bewerken’ (281).

Het is verdienstelijk van uitgeverij Cossee om de familieherinneringen van Ignatjev weer uit te geven, blijkbaar in een herziene vertaling en een beetje geactualiseerd door de auteur, maar er ligt één smet op de vertaling : de vertalers zijn er zich blijkbaar niet van bewust dat het Russisch een ander alfabet heeft, zodat Russische namen en realia in het Engels anders getranscribeerd worden als in het Nederlands. Het boek krioelt van de monsterlijke transcripties van Russische realia, zo Toeitsjeff i.p.v. Tjoettsjev, Choedofskoi-koor i.p.v. Tsjoedovskoj, Chaliapin i.p.v. Sjaljapin. De vertalers hebben het voortdurend over bolsjevisten, terwijl bij ons altijd gesproken wordt over bolsjewiki. Dat dit nog mogelijk is in een land waar zoveel uitmuntende kenners van het Russisch rondlopen, stemt tot nadenken.

Pagina's