Recensies

Rudi Massart en Jonathan Trigg. Terug van het Oostfront. Gevangen, gevlucht, gesneuveld.

Rudi Massart en Jonathan Trigg. Terug van het Oostfront. Gevangen, gevlucht, gesneuveld. Z.pl., Ertsberg, 2024, 174 p. ISBN 978 94 64750 86 7

De auteurs zijn geen onbekenden : op 18 november 2021 besprak ik op deze website hun eveneens rijkelijk geïllustreerde boek Vlaamse jongens, Duits front. De strijd aan het Oostfront in beeld. Dit boek is er het vervolg op : hoe is het afgelopen met de Belgen (zowel Vlamingen als Walen) die zich in operatie Barbarossa hebben laten inlijven bij het Duitse leger om in de Sovjetunie te gaan vechten tegen het communisme. Op de vraag voor wie ze wilden vechten – voor Moskou (= communisme) of Rome (= katholieke kerk), antwoordden ze steevast ‘met een volmondig Rome’ (45). Iemand formuleerde het zo : ‘Wilfried en ik hadden zeer veel gemeen. Beiden waren we jonge studenten die uit idealisme naar het Vlaams Legioen trokken. We kwamen allebei uit gedegen gezinnen en uit een Vlaamse, offervaardige jeugdbeweging. Wij voelden ons volk – en de wereld – bedreigd door het goddeloos bolsjevisme. Wij trokken consequent ten strijd.’ (113) De laatste jaren wordt in de studie van de collaboratie tijdens WO II dit ‘edele’ motief in twijfel getrokken : het zouden geen idealisten geweest zijn, maar berekenende landverraders die hoopten op de overwinning van nazi-Duitsland, waarin zij dan een vooraanstaande positie zouden krijgen dankzij hun inzet tegen de Sovjets. Op een doodsprentje lezen we dat iemand aan het Oostfront viel ‘Voor outer en heerd, volk en vaderland’ (135). De bekendste Oostfronter, Oswald Van Ooteghem, schrijft : ‘Als je iets hebt gedaan als een jonge man, vol overtuiging en in goed geweten, dan moet je daar geen spijt van hebben. Ik heb er geen spijt van, maar ik ben anderzijds ook niet trots op sommige dingen die toen gebeurd zijn.’ (167) Dat laatste wordt helaas niet toegelicht. In mijn recensie op het vorige boek van Massart en Trigg schreef ik : ‘Over die ‘vuile oorlog’ komen we natuurlijk zo goed als niets te weten : het ligt voor de hand dat teruggekeerde soldaten, die de gruwel van het Oostfront overleefd hadden, niet ronduit gingen vertellen wat ze allemaal gezien en uitgericht hadden. Hebben ze zoals de Duitsers hele dorpen in brand gestoken, hebben ze Joden helpen vangen en executeren e.a. pijnlijke vragen meer.’ Die pijnlijke kwestie zal wellicht nooit uitgeklaard worden. De auteurs schrijven nu : ‘De oorlog die nu gevoerd werd, was gekenmerkt door een wreedheid en gruwel op een schaal die nooit eerder of daarna is gezien. Het werd een uitroeiingsoorlog waarbij beide partijen vastbesloten waren de ander volledig te vernietigen en er weinig verschil meer was tussen soldaten en burgers.’ (45)

Eén getuigenis spreekt in de zin van het idealisme. Een Vlaamse soldaat kwam onder de indruk van de lokale Oekraïners, omdat ‘ze goede vrienden waren voor de Duitsers en voos ons… Ze wilden hun onafhankelijkheid.’ (10)

De vrees om in handen van de Russen te vallen was groot (‘We hebben al onze documenten verbrand… mochten de Russen ons te pakken krijgen’, 18). Als leden van de Waffen-SS zouden ze zonder twijfel de ‘verschrikkingen van de Sovjetgoelags’ (69) mogen genieten. Iemand gaf zich over aan de Amerikanen ‘en doorstond een paar schrikbarende dagen toen de Amerikanen de SS-gevangenen aan de Russen wilden uitleveren’ (85). In dit verband valt het ontbreken van het boek van Nicolas Tolstoy over de slachtoffers van Jalta op (Victims of Yalta, 1977), die door de geallieerden manu militari uitgeleverd werden aan de Sovjets. Ze vreesden vergelding en deden dan ook al het mogelijke om hun vroegere dienst te verdoezelen – gesnapt door de Sovjets met de bloedgroep-tatoeage onder hun linker arm betekende zo goed als een doodvonnis (73). Eenmaal in Duitsland verzeild geraakt – op de vlucht voor de oprukkende Sovjettroepen, trokken vele SS-mannen hun uniform uit en burgerkleding aan, verstopten zich en ontkenden dat ze in de Waffen-SS hadden gezeten (115). Er was dus wel degelijk sprake van schuldgevoel. Dat er heel wat fanatisme en naïviteit in het spel was, maakt de episode duidelijk van het jeugdbataljon van de Vlaamse Divisie Langemarck, die pas eind 1944 werd opgericht. Op Goede Vrijdag 1945 vertrokken zestien- en zeventienjarige Vlaamse vrijwilligers naar het Oostfront – lente 1945, enkele weken voor de totale Untergang van het ‘Duizendjarige rijk’ (42).

Boeiend is het hoofdstuk over het kopstuk van de Waalse Oostfrontstrijders Léon Degrelle (148-154). Het is belangrijk dat bij deze figuur stilgestaan wordt, want in het huidige discours rond WO II past de aanwezigheid van duizenden collaborateurs en Oostfronters aan Waalse kant niet zo goed – de collaboratie in België was helemaal geen exclusief Vlaams fenomeen (148), een hardnekkig vooroordeel van de Franstaligen. Toen de geallieerden België bevrijdden (eind 1944) vluchtten enkele duizenden Waalse collaborateurs en hun families richting Duitsland (152). Degrelle was slimmer - hij nam de benen naar Noorwegen, vanwaar hij naar Spanje kon ontkomen. Daar woonde hij tot zijn dood in 1994, beschermd door zijn vriend (de caudillo) Franco. Andere leden van de SS kozen voor de vlucht / emigratie naar Argentinië, waar een kolonie Belgen huisde.

In totaal hebben ca. 30.000 Vlamingen tijdens de oorlog gediend in de Duitse strijdkrachten, velen als lid van de Waffen-SS (12).Na de oorlog werden ca. 100.000 burgers gearresteerd en gestraft voor collaboratie, 237 werden geëxecuteerd (157). De afrekening met de collaboratie blijft tot de dag van vandaag een omstreden bladzijde uit onze geschiedenis. Velen ervoeren de ‘epuratie’ als ‘kleinzielige vergelding’ (19), als barbarij (vooral dan de opsluiting van collabo’s in de leeuwenkooien van de dierentuin in Antwerpen (26-27). Hier en daar was er iemand die vond dat ze ‘al die collaborateurs tegen de muur moesten zetten’ (97). De straffen, inclusief de executies, waren het hardst direct na het beëindigen van de oorlog (1944-45), daarna werden de rechters milder (156).

De auteurs spreken geen oordeel uit over de Oostfronters. Wellicht is dit de beste benadering – ze worden sowieso scheef bekeken en aan de schandpaal genageld door de historici. Dit boek brengt de feiten, laat de daders aan het woord en illustreert de geschiedenis met honderden foto’s en documenten. Dit is een verhelderend boek. Weliswaar over een minder fraaie bladzijde uit onze geschiedenis, maar toch een geschiedenis die eens verteld moest worden. Rijkelijk geïllustreerd en gedocumenteerd. De auteurs vermelden even het Duits militair kerkhof van Sologoebovka (128), maar niet dat van Spasskaja polest, enkele kilometers ten zuiden van Novgorod, waar niet alleen Duitsers begraven liggen, maar ook Spaanse en Vlaamse Oostfronters. Slordig is wel dat de auteurs het voortdurend over de goelags hebben (12), maar er bestond maar één goelag, een afkorting die staat voor Hoofdbestuur der Kampen.

Dirk & Arvid Rochtus. Geist und Gestaltungsmacht. Ein Außenblick auf deutsche Kultur und Politik.

Dirk & Arvid Rochtus. Geist und Gestaltungsmacht. Ein Außenblick auf deutsche Kultur und Politik. Leipzig, Leipziger Universitätsverlag, 2024, 165 p. ISBN 978-3-96023-486-9.

De auteurs van dit boek, vader en zoon, zijn goed vertrouwd met de Duitse geschiedenis en cultuur : Dirk als docent Duits en Duitse geschiedenis aan de KU Leuven (campus Antwerpen), Arvid als jurist, die in Heidelberg en Bonn gestudeerd heeft. Het boek is een bundeling van elders reeds gepubliceerde artikelen of lezingen op conferenties, en daardoor wat hybride, maar toch worden er enkele grote problemen van het Duitse denken in behandeld.

Het begint met een opstel over Duitslands positie in de wereld (Nationalstaat oder “Kosmopolis”) en de stelling dat Duitsland eerder een idee is dan macht (11). Wellicht is de idee dat Duitsland een zending te volbrengen heeft, geopperd door J.G. Fichte in 1808, noodlottig geworden voor het verdere verloop van de Duitse geschiedenis. In 1914 trok het land in de naam van de cultuur ten strijde tegen de civilisatie (‘Am deutschen Wesen soll die Welt genesen’). In 1871 had de cultuurnatie die het verbrokkelde Duitsland was, zich getransformeerd tot een kolos in het centrum van Europa (12). We mogen met de auteur hopen dat per 3 oktober 1990 Duitsland een wedergeboorte als Kulturnation meemaakt (13), heel wat geruststellender dan de situatie voor de (weder-) vereniging van de beide Duitslanden. Door die missiegedachte trok een spook door Europa, niet dat van het communisme (zoals Marx en Engels hadden voorspeld in het Manifest van de Communistische Partij), maar van de dominantie door Duitsland (17). Na alles wat de 20e eeuw meegemaakt heeft, neemt het voor velen noodzakelijke afscheid van de natie de vorm aan van zelfhaat (‘Nie wieder Deutschland’) (23). Velen zien een toekomst van het land alleen in een ‘kosmopoliet Duitsland’ binnen een geglobaliseerd Europa (25). Het is duidelijk dat velen de last van het verleden willen afwerpen, temeer omdat de nationale geschiedenis nogal eens gereduceerd wordt tot de holocaust. Als er al sprake is van nationalisme onder jonge Duitsers, dan van een ‘Selbsthassnationalismus’ (27).

Het tweede stuk handelt over de conservatieve denker Hans Zehrer die in de jaren 1920 en ’30 meegewerkt heeft aan het ondermijnen van de Weimarrepubliek, hij verwierp democratie, parlementarisme en zette in op een conservatieve revolutie voor Duitsland, waardoor hij willens nillens het nationaalsocialisme in de hand heeft gewerkt.

Een curiosum in dit boek is het korte artikeltje over twee Duitse dichters – Johannes Becher en Franz Fühmann – die lofdichten op Stalingrad hebben geschreven. Met uitroepen over Stalingrad als ‘die Ewige Stadt, die freieste van allen’ bereikt de blinde naïviteit van de Duitse communist Becher wel de grens van het lachwekkende. Führmann stelt dat de slag bij Stalingrad zijn vaderland (Duitsland) gered heeft en dat dankzij de ‘bouwer van de nieuwe, humane wereld’ (44). De naïeve fellow traveller (Mitläufer) was ervan overtuigd dat er geen middenweg was tussen het communisme en het nationaalsocialisme (tertium non datur).

Aan de kwestie van een mogelijke uitweg uit de impasse van het Oost-Duitse communisme en of het verzoenbaar was met het West-Duitse kapitalisme, is een uitvoerige bijdrage gewijd in het artikel ‘Zwischen Realität und Utopie Das Konzept des “Dritten Weges” in der DD 1989/90’), waarover de auteur in dezelfde uitgeverij al in 1999 een boek had gepubliceerd. Het is een boeiende discussie – had men na 1989 niet kunnen kiezen voor een compromis, een mix, een versmelting van de positieve aspecten van beide systemen ? Was een ‘derde weg’ mogelijk ? Het begrip dook op in 1989 in de beweging voor burgerrechten onder dissidente intellectuelen van de SED (later PDS : Partei des demokratischen Sozialismus), die een ander socialisme wilden. Het socialisme dat ze veertig jaar lang gekend hadden in de DDR, was niet het echte socialisme, maar het door het stalinisme gecorrumpeerde socialisme. Viel dat nog te redden ? Critici scholden hen uit voor dromers en fantasten (106), ook als ze het hadden over ‘modern socialisme’, waarna ze dan uitgemaakt werden als ‘neocommunisten’ (111). Met de Wende, het importeren / opleggen van het West-Duitse maatschappijmodel, grondwet e.d. bleek het zoeken naar een Derde Weg irrelevant geworden (109). De PDS vindt maar weinig aanhangers in West-Duitsland. Dezelfde discussie leefde onder Russische emigranten die al in de jaren dertig ijverden voor een tussenweg – geen kapitalisme, geen communisme, maar solidarisme (Nationaal Verbond van Russische Solidaristen - NTS).

Inspirerend is de bijdrage over de taaiheid van de Oost-Duitse identiteit (47-51), waarin de auteur parallellen trekt tussen Oost-Duitsland (na 1990) en Vlaanderen. De verhouding DDR-Oost-Duitsland met de Bondsrepubliek vergelijkt hij dan met die tussen Vlaanderen en Nederland. Of die vergelijking hem hier in dank zal worden afgenomen, is nog de vraag. Of wij de ‘arme neefjes’ van de Nederlanders waren (48), lijkt me ook bedenkelijk. De parallellen stemmen tot nadenken, maar de auteur ziet twee fundamentele verschillen over het hoofd : Oost- en West-Duitsland zijn alles bij elkaar slechts twee generaties van elkaar gescheiden geweest (1945-1989), Vlaanderen en Nederland 400 jaar (sinds 1585), waarin zoveel vijandigheid, concurrentie, ruzie, revanchisme heeft plaatsgevonden, dat van een verzoening wellicht geen sprake meer kan zijn. Bovendien kan men de Vlamingen niet neerzetten als achterlijke sullen die niet graag werken of niet efficiënt zijn, in tegenstelling tot de hardwerkende Nederlanders, die dus net als de Wessies niet moeten neerkijken op de Vlamingen.

Het boek wordt afgesloten met twee bijdragen over Hegel als ‘problematische denker’ en als ‘Versöhner mit der Moderne’. Is Hegel echt de filosoof van de Pruisische staatsmacht, die dan op haar beurt de oorzaak van het Duitse militarisme (119) zou zijn ? Is zijn filosofie wel zo reactionair, monarchistisch en tegen de Slavische volkeren gekeerd, zoals in de Sovjetunie gesteld werd ? In het stuk van zoon Rochtus wordt uitvoerig ingegaan op al de oordelen en vooral vooroordelen over Hegel die al tweehonderd jaar opgeld doen en een objectief beeld van de filosoof onmogelijk maken. Het gaat zover dat zijn denken het fundament zou hebben gelegd voor het fascisme, zelfs een beetje voor het nationaalsocialisme en (via Marx) voor het communisme (125), geen geringe beschuldiging. Na een uitvoerige uiteenzetting van de belangrijkste denkers die zich met Hegel ‘auseinandergesetzt’ hebben, komt Arvid Rochtus tot de conclusie dat de vele verkeerde interpretaties van Hegels filosofie de complexiteit van zijn ‘Analyse der Moderne’ miskennen. Hegel zou naar een verloren gegane eenheid op zoek zijn gegaan, maar hij zag in dat die eenheid noch in het verleden, noch in een utopische toekomst te vinden was. Die eenheid zou slechts in het Nu tot stand kunnen komen, in een verzoening met de werkelijkheid (158-159).

Een inspirerende bundel, met veel uitnodigende overdenkingen en statements over een buurland dat ten onzent toch te weinig bekend is. Het boek biedt nu een mooie doorsnede van waar Duitse denkers de laatste dertig jaar mee bezig zijn.

Chris Ceustermans. Geesten van Boedapest. Op zoek naar een verloren vriend in Orbáns Hongarije.

Chris Ceustermans. Geesten van Boedapest. Op zoek naar een verloren vriend in Orbáns Hongarije. Antwerpen, Tzara, 2024, 174 p. ISBN 978 90 223 4094 3.

Chris Ceustermans is bij ons geen onbekende meer. Hij debuteerde in 2014 met de roman De boekhandelaar, een bevreemdende geschiedenis met een origineel gegeven. Daarna heeft hij nog meer bekendheid gekregen door zijn biografie over de Antwerpse Charles Bukowski J.M.H. Berckmans Schrijven in de Grauwzone (2018), die genomineerd werd voor de Nederlandse biografieprijs, en door zijn uitvoerige biografie over de Vlaamse literator Emmanuel de Bom De man die van mensen hield (2021). Nu is van hem een tweede roman verschenen – over zijn studievriend Joeri, een Hongaarse vluchteling die in de jaren tachtig in België terecht was gekomen (met een toeristenvisum) en niet terug wilde naar Hongarije.

Boeiend aan dit verhaal is niet zozeer dat een Vlaamse jongen bevriend is met een Hongaarse jongen van zijn leeftijd, maar dat de Hongaarse student ‘slechts een radertje’ was ‘in het planetaire schaakspel van de Koude Oorlog’ (25). De niet-terugkeerder Joeri was door zijn vlucht een ‘vijand van het volk’ (90), die door de veiligheidsdienst van het communistische Hongarije in de gaten werd gehouden, temeer omdat hij voor Radio Free Europe werkte, de door de CIA gefinancierde zender die naar Oost-Europa uitzond in tientallen talen (92). Grappig is dat de Vlaamse vriend nauwelijks wist wat die zender betekende. Joeri was ervan overtuigd dat ‘het regime’ hem kende en volgde : ‘Denk je dat het regime niet hier is ? Dat ze deze kamer [zijn studentenkamer in Leuven] niet kennen ? Hier ben ik niemand, behalve voor hen aan wie ik wil ontkomen.’ (118)

De jonge Hongaarse student wordt ook opgevangen door het Collegium Hungaricum, dat in 1949 opgericht werd door de jezuïet István Muzselay, die in 1947 uit Hongarije vertrokken was ; de jezuïetenorde werd in 1948 door het communistische regime opgedoekt. Na de mislukte opstand van 1956 tegen de Sovjets werd België overstroomd door duizenden Hongaarse vluchtelingen, waarvan menigeen onderdak vond bij de beminnelijke jezuïet. Zo ook de vriend van de auteur. Toen de Hongaarse student niet terugkeerde naar zijn vaderland, nam zijn vader contact op met het Hongaars College en verzocht de directeur zijn zoon in de gaten te houden resp. in goede banen te begeleiden.

Het uitgangspunt van de roman is de zelfmoord van Joeri in 1989. Die plaatst zowel de familie van de jonge Hongaar als zijn Vlaamse vriend Chris voor grote raadsels. Waarom heeft hij tot deze wanhoopsdaden besloten ? Was hij bang om terug te keren naar het nog communistische Hongarije, dat weliswaar traagjes aan het veranderen was, maar zich toch zou wreken op de overloper, om er te gaan trouwen ? Heeft hij vlak voor het fatale schot een hoogoplopende ruzie met een agent van de Hongaarse veiligheidsdienst gehad ? Allemaal raadsels. Dertig jaar later gaat Chris op zoek naar antwoorden. Hij trekt naar Hongarije, Boedapest, gaat de nog levende broer van Joeri opzoeken en tracht tot inzicht te komen. Daar zal hij uiteindelijk niet in slagen.

Het sterke van dit verhaal ligt dus niet in de ontknoping, maar in de zoektocht zelf. Charmant is het portret dat de auteur van zichzelf tekent, met al zijn zwakheden en vergissingen, en zijn twijfels of zijn zoektocht wel mag : hij vraagt zich af wat hij te zoeken heeft ‘in een land waar ik alleen doden ken’ (62) en ‘Welk recht heb ik om te zoeken naar mogelijke informatie die de Hongaarse staatsveiligheid tegen zijn wil had verzameld ?’ (26). Hij voelt zich een ‘geheim agent voor wie de geobserveerde een professionele springplank is en over wie hij zo spectaculair mogelijke gegevens wil verzamelen.’ (94) De auteur heeft zich niet laten verleiden tot fictieve spectaculaire wendingen, die het trage verhaal meer zwier hadden kunnen geven, maar die wel het authentieke gegeven geweld hadden aangedaan.

Heel geslaagd is het voortdurend verspringen van de jaren in Leuven (jaren 1980) naar de jaren 2020 in Boedapest. Indien de auteur deze verteltruck niet had gebruikt, was heel zijn verhaal waarschijnlijk in elkaar gestort. De spanning wordt er zo ook in gehouden. Onderliggende bedoeling van deze roman zou ook kunnen zijn dat door te switchen van de jaren 1980 naar nu, het Orbán-tijdperk, de auteur een parallel wil trekken tussen het communistische regime van János Kádár en het bewind van Viktor Orbán, allebei autoritair en intolerant. Dat levert veel interessante gesprekken in Boedapest én inzichten op. Choquerend is het gerucht dat Orbán zo pro-Russisch is of zich niet tegen Poetin wil keren, omdat die over geheime documenten zou beschikken waaruit zou blijken dat de anticommunist Orbán zich gecompromitteerd zou hebben met de communistische staatsveiligheid (87, 152), waartegen hij in het begin van zijn politieke carrière zo hevig fulmineerde.

Veel passages laten zien dat de auteur talent heeft. Er zitten heel wat rake formuleringen in. Over zijn ouders zegt hij dat ze nog vasthielden aan de christelijke religie ‘zoals iemand aan gerechten vasthoudt eerder omdat ze vertrouwd dan lekker zijn’ (23) ; over zijn onkunde van het Hongaars : ‘Ik voel me in het Hongaars als een vluchteling op een onbekend continent’ (28). Of de Hongaarse student het ooit had over de ‘Faculteit van letteren en begeerte’ (39), lijkt me onwaarschijnlijk, daarvoor is het te goed gevonden. Leuk is ook het neologisme ‘echtgeliefde’ in plaats van het stijvere echtgenote (166).

De tekst bevat enkele schoonheidsfoutjes. De auteur vertelt dat Joeri in 1981 van pater Muzselay 6.000 Belgische frank per maand kreeg als toelage en licht tussen haakjes toe (150 euro). Dat klopt natuurlijk niet. Dat bedrag in BEF zou nu minstens 600-700 euro betekenen. Ik heb ook bezwaar tegen het citeren van Hongaarse gedichten in Engelse vertaling (József Attila, p. 74, Endre Ady, p. 89) of van Hongaarse films (Egri Csillagok i.p.v. Stars of Eger, p. 78). Een beetje exotiek kan geen kwaad in dit Oost-West verhaal.

Boeiend verhaal, goed gecomponeerd, leuk verteld, in verzorgde en originele taal. Helaas ook actueel. Een aanrader.

Björn Rzoska. Gedeelde grond

Björn Rzoska. Gedeelde grond. S.l., Ertsberg, 2024, 222 p.

De auteur is een bekende figuur in Vlaanderen. Hij zit in het parlement voor Groen en is auteur van het interessante, genuanceerde boek over collaborateurs in WO II : Opgesloten tussen zwart, wit en grijs (2018) over het Hechteniskamp Lokeren, waar in de jaren na de oorlog duizenden collaborateurs opgesloten zaten. Het is een herwerkte versie van zijn in 1999 verschenen boek Zij komen allen aan de beurt, de Zwarten : het kamp van Lokeren, 1944-1947.

Zijn nieuw boek brengt het relaas van zijn twee grootvaders : de ene een Vlaming, de andere een Pool (vandaar zijn Poolse familienaam). Het heeft hem altijd geïntrigeerd wat zijn grootvaders in de oorlog allemaal gedaan hebben en vooral wat ze daarover in familiekring vertelden. In dit boek doet hij uitvoerig onderzoek naar de ware achtergrond van beide grootvaders en komt tot de bevinding dat ze allebei logen over hun oorlogsverleden.

Voor de ene grootvader is dat een sterk verhaal. Paul Semers neemt nog voor de inval van nazi-Duitsland in de Sovjetunie met operatie Barbarosse (22 juni 1941) dienst in het Duitse leger bij de Waffen-SS. Hij komt dan terecht in Oekraïne. Wat hij daar allemaal gedaan heeft, hangt in het duister. Volgens eigen zeggen, heeft hij er nooit deelgenomen aan gevechten, razzia’s e.d., maar heeft hij er als chauffeur gewerkt. Zijn rechtvaardiging na de oorlog is dat hij zich als katholiek genoodzaakt voelde te gaan vechten tegen het ‘goddeloze bolsjevisme’, maar hij verzwijgt daarbij dat hij al voor de inval in de Sovjetunie dienst heeft genomen bij de nazi’s. M.a.w. hij verdoezelt dat hij een overtuigd nationaalsocialist was die geloofde in de zege van het Grootduitse rijk, het nazisme en de bruine toekomst. Vlaanderen interesseerde hem niet, hij vertrok dus niet als Vlaams nationalist.

Rzoska is een van de vele historici (hij heeft geschiedenis gestudeerd aan de UGent bij Bruno Dewever, die zelf intenstief bezig is met de studie van WO II en vooral dan de collaboratie, en nu ook met het verzet) die brandhout maken van de bewering, de verontschuldiging van vele collaborateurs dat ze uit ‘idealisme’ zijn gaan vechten – tegen de communisten, of hier te lande gecollaboreerd hebben – uit Vlaams idealisme, in de hoop dat de Duitsers de Vlaamse aspiraties (zelfstandigheid) zouden waarmaken.

De grootvader besefte natuurlijk na de oorlog dat hij weinig indruk zou maken met een verhaal over het geloof in de overwinning van het nationaalsocialisme, vooral na het debacle van de oorlogszuchtige bedoelingen van het Derde Rijk en nadat de verschrikkingen in de concentratiekampen aan het licht waren gekomen na de bevrijding door de Amerikanen en de Russen van de vernietigingskampen. Daarom verzon hij een fatsoenlijke, eerbare verklaring voor zijn optreden. Volgens de auteur is de man daarin geslaagd, niemand heeft zich ooit afgevraagd of heeft ooit onderzoek gedaan naar wat hij in Duitse dienst allemaal heeft aangericht. Opvallend in de processen die na de oorlog tegen Oostfronters werden aangespannen, is dat zo goed als nooit ingegaan werd op wat die brave Vlaamse soldaten aan het front rond Leningrad en in de Oekraïne allemaal hebben uitgestoken, of ze mee burgers gedood hebben, meegedaan hebben aan de razzia’s tegen de Joden. Blijkbaar was het voor het Belgische gerecht voldoende dat ze het Duitse uniform hadden aangetrokken.

Het pijnlijke aan dit onderzoek is dat de kleinzoon ‘het beeld van mijn grootvader liefdevol in duizend stukken uit elkaar moet slaan’ (19). Maar Rzoska schrikt er niet voor terug om over zijn grootvader, die hij ‘doodgraag’ zag, de harde waarheid te vertellen. Dit aspect van Rzoska’s in het reine komen met het verleden van zijn familie, een soort Vergangenheitsbewältigung, komt dikwijls aan bod in dit boek en maakt er een charmant deel van uit, hoe pijnlijk het voor de liefhebbende kleinzoon ook geweest moge zijn.

De geschiedenis van zijn Poolse grootvader is heel wat minder spectaculair. Een doorsnee Poolse jongen die aan een katholiek college studeerde en in de oorlog versast van ergens rond Danzig naar Breslau (Wroclaw) en daar in een dons- en dekenfabriek werkt. Helemaal tegen het einde van de oorlog, wanneer de Sovjets oprukken naar Berlijn en Polen bevrijden van de nazi’s, wordt het hem te heet onder de voeten en vlucht hij naar het Westen, waar hij dienst neemt bij het Amerikaanse leger in de zgn. Polish Guards. Die plaatsen hem na een jaar dienst over naar Frankrijk, waar hij de eveneens Poolse Jeanine leert kennen, met wie hij tenslotte in Vlaanderen, Waasmunster belandt, waar ook zijn Vlaamse grootvader belandt na zijn vrijlating. Gedeelde grond dus.

Terwijl het verhaal over de Vlaamse grootvader spectaculair is en overtuigend gebracht wordt, is dat over de Poolse grootvader toch heel wat minder evident. Wat viel er nu te verzwijgen voor de man ? Dat hij op de vlucht was geslagen voor de binnenvallende Sovjetsoldaten ? Dat hij tijdens de Duitse bezetting in een dons- en dekenfabriek had gewerkt ? Dat zou hem hier toch niemand kwalijk hebben genomen (76) ? Misschien heeft hij zijn respectabiliteit willen verhogen door zich uit te geven voor een soldaat van het Pools Legioen, dat delen van West-Europa bevrijdde van de Duitsers en daardoor een heldenstatus heeft in de Belgische herdenking van WO II. Hij heeft geprobeerd deze fictieve biografie ook uit te spelen bij de Belgische autoriteiten van wie hij de naturalisatie moest verkrijgen, maar die hebben geen sporen gevonden van zijn deelname aan het Legioen. De auteur vertelt ook niet wat dat Pools Legioen precies was en of zijn grootvader elk jaar naar hun herdenkingen ging om daar oude strijdmakkers weer te zien ? Hij had ook zijn licht kunnen opsteken bij mensen van dat Legioen, waarvan honderden in België zijn blijven hangen en getrouwd zijn met Vlaamse vrouwen. Of bij de grote Poolse gemeenschap in belgië, zelfs in het Waasland, zelfs in Waasmunster. Gemiste kans.

Op dit mankement na is dit een interessant, intrigerend boek, goed en boeiend geschreven, ook de hele zoektocht van de auteur naar zijn grootvaders – in Belgische en buitenlandse archieven – is goed gedocumenteerd en maakt duidelijk hoe moeilijk het is om in het kluwen van een oorlog de waarheid te achterhalen. De grote verdienste van het boek is dat het aan de hand van één familie het verhaal brengt van het zwijgen over de oorlog en niet alleen over het zwijgen, maar ook over het liegen over de oorlog. En dat de goegemeente daar ingetrapt is.

Florian Illies. Zauber der Stille. Caspar David Friedrichs Reise durch die Zeiten.

Florian Illies. Zauber der Stille. Caspar David Friedrichs Reise durch die Zeiten. Frankfurt/Main, Fischer, 2023. Nederlandse vertaling : Betoverende stilte. Caspar David Friedrichs reis door de tijd. Alfabet Uitgevers 2024, 237 p., vert. door Gerrit Bussink en Izaak Hilhorst.

Illies was me bekend door zijn geweldig boek Liebe in Zeiten des Hasses. Chronik eines Gefühls 1929-1939 (op deze website besproken op 20 juni 2022), een fascinerend en bijzonder goed verteld verhaal over het decennium in de Duitse geschiedenis dat de haat centraal stond en men zich voorbereidde op een grote wereldbrand. Toen dan vorig jaar zijn nieuw boek over de romantische schilder Caspar David Friedrich (1774-1840) werd aangekondigd, waren de verwachtingen groot. Ingelost zijn ze in elk geval. Deze biografie over de grootste Duitse romantische schilder is een spannend boek (alhoewel er in het leven van de kunstenaar maar weinig gebeurt, behalve dat hij tekent en schildert en zo goed als niet erkend wordt), dat op een originele manier een rode draad probeert te vinden in het weinig avontuurlijke leven van de kunstenaar. Het boek is knap ingedeeld in vier thematische hoofdstukken – vuur, water, aarde, lucht, de vier elementen die levensnoodzakelijk waren voor Friedrichs kunst : over het schilderij Das Große Gehege zegt Illies : ‘Friedrich lässt hier aus dem Tosen der vier Elemente plötzlich den Zauber der Stille entstehen’ (38, verwijzingen naar de Duitse editie), daarmee is meteen ook de mooie titel van zijn biografie verklaard.

Het eerste thema (vuur) domineert het leven en het werk van C.D. Friedrich. Talrijke werken van hem gingen in de vlammen op of werden verbrand : de brand in het Glaspaleis van München in juni 1931 (13), de brand in het eigen huis (24) of dat van een verzamelaar (65) of de vandalenstreken van bezettende Sovjetsoldaten in 1945 (40). Hoeveel schilderijen van Caspar David in Russische handen terecht zijn gekomen, weet niemand (73-74, 106, 123). Friedrich is duidelijk bezeten van vuur (66). Grandioos is de geschiedenis die Illies vertelt over het schilderij van Friedrich Das brennende Neubrandenburg, de stad van zijn ouders, waar tijdgenoten verontwaardig over waren – de stad heeft nooit gebrand, bedoelde de kunstenaar de apocalyps? Als de Sovjets in het voorjaar 1945 de totaal onaangeroerde stad bereiken, steken ze de stad in brand, waardoor 80 % van de oude stad verloren gaat. Friedrichs apocalyptische nachtmerrie wordt werkelijkheid. En tenslotte heeft hij kort voor zijn dood al de brieven die hij ooit had ontvangen in de oven verbrand (77), een voor de biograaf wel vervelende gegevenheid.

Terwijl Caspar David Friedrich (‘der größte Maler der deutschen Romantik’ (101) rond 1900 totaal vergeten is (‘die Romantik ist sehr schnell muffig geworden’, 151), halen de nazi’s hem van onder het stof en proberen er een Germaanse held en van zijn landgenoten ‘Friedrichdeutsche’ te maken (85-86). De romantische, wat sombere Duitser moet tot inspirerend voorbeeld dienen voor de heldhaftige nazisoldaten. Vooral het doek Der Watzmann (een berg) valt in de smaak van Hitler, omdat de berg in al zijn trots en mannelijkheid voor ‘das ewige Deutschland’ zou staan (168).

De generatie van Mei 68 vindt niets aan de man : te burgerlijk, te on-revolutionair, te passief, zonder enige erotiek (173-176) en dat terwijl men in de DDR van Friedrich een voorloper van het marxistische mensbeeld probeerde te maken (195). Illies haalt verschillende visies op het werk van Friedrich aan : de enen vonden hem deprimerend (22, 132), de anderen vonden er troost in, terwijl weer anderen er eenzaam en ontroostbaar door werden (113). Sommigen zien in hem de kunstenaar die natuurgetrouw Duitse landschappen geschilderd heeft, terwijl Illies net aantoont dat eigenlijk geen enkel doek van de kunstenaar ergens concreet gelokaliseerd kan worden en een mix brengt van wat hij gezien én gevoeld heeft. Daarom spreekt de biograaf van het begin van de abstracte kunst en noemt Caspar David Friedrich een conceptualist (108, 157). Interessant zijn ook de figuren die zich door hem hebben laten inspireren, zo Walt Disney en Samuel Beckett (30, 119). Hij voelde zelf aan dat hij zijn tijd ver vooruit was (240).

Illies heeft een boeiende en hier en daar poëtisch aandoende biografie geschreven van een in de 19e eeuw vergeten, maar in de 20e eeuw herontdekte kunstenaar voor wie hij duidelijk sympathie voelt. Niet zonder reden, want het boek is een rehabilitatie van een lang onderschatte kunstenaar, maar die net als Van Gogh nu hoge toppen scheert. Voor wie de grote tentoonstelling in Hamburg en Berlijn bezocht heeft of hoopt er binnen te geraken, is dit boek een fantastische introductie.

Een van de vele charmante trekken van dit boek is de historische contextualisering. Zo bv. de geschiedenis van het mooie schilderij Auf dem Segler, dat ooit in 1820 door de Russische grootvorst Nikolaj Pavlovitsj (de latere tsaar Nicolaas I) aangekocht is, vooral omdat het hem zo trof door de overeenkomende biografische invalshoek. In 2020 keerde het terug naar Dresden waar het op een Duits-Russische expositie tentoongesteld werd. In de catalogus schreef de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov over de romantiek als ‘einzigartige grenzüberschreitende Kunstbewegung’. Midden februari 2022 keerde het doek terug naar Rusland, enkele dagen later ‘overschrijdt Rusland een totaal andere grens en beëindigt daarmee de droom van vrijheid in Oekraïne’ (126).

Wie geïnteresseerd is in de cultuurgeschiedenis van Duitsland, komt in dit boek aan zijn trekken. De auteur weet elke gebeurtenis te kaderen in een historische context, waardoor het werk van C.D. Friedrich beter tot zijn recht komt.

Страницы